De boer werd zakenman

Op de tentoonstelling 'Gemengd Bedrijf' is te zien hoeveel er in het boerenlandschap in de fotografie ervan is veranderd. Maar heel verrassend is die visie niet....

Door Merel Bem

Middenin een naoorlogse woonwijk ergens in zuidoost-Haarlem staan naast elkaar twee oude boerderijen.

Vroeger hield hier de stad op. Zou je een zwartwit-foto van die boerderijen maken, zo uitgekaderd dat de lelijke nieuwbouwhuizen erachter en ernaast niet zichtbaar waren, dan zou je kunnen denken dat je honderd jaar terug in de tijd was geslingerd.

Eventjes dan. Al snel zou je zien dat de boerderijen hun oude functie hebben verloren. Het koetshuis werd een hypermoderne woon/werkkamer, het klompenhuis een bijkeuken, de boterkelder bleek geschikter voor wijn. Het erf is gereduceerd tot voortuin. De boerderijen zijn woningen geworden, of liever: woonboerderijen, zoals de makelaarssite Funda ze noemt. 'Landelijk wonen in monumentale stadsboerderij op loopafstand van het centrum', zo worden die panden aan de man gebracht.

Landelijk wonen - hoe komen ze erop? Dat is, weet iedereen inmiddels, in Nederland vrijwel onmogelijk geworden. Het agrarisch landschap van 'vroeger', zoals het eruitziet op de naoorlogse foto's van Cas Oorthuys - weids en fris -, dat landschap bestaat niet meer.

Voor die constatering hoef je geen bezoek te brengen aan de fotografietentoonstelling Gemengd bedrijf in het Nederlands fotomuseum in Rotterdam. Dat het boerenland niet alleen verdween daar waar de stedelijke bebouwing oprukte, maar dat ook op het platteland alles veranderde, bleef voor geen enkele Nederlander onopgemerkt. De boerderij werd een goed geolied megabedrijf, de boer een zakenman, gewend aan snel veranderende besluitvorming en de modegrillen van de stadsmens. Hij laat zijn koeien melken door machines en 's zomers bouwt hij zijn weilanden om tot camping of boerenlandmarkt.

In Gemengd bedrijf brengen, op uitnodiging van de stichting Kunst en Openbare Ruimte (SKOR), acht verschillende fotografen en kunstenaars ieder op hun eigen manier het agrarische landschap van Nederland in beeld. Boerenportretten van Koos Breukel, impressies van Zeeland en Flevoland van Joachim Brohm, melkveehouderijen van Martin Luijendijk, filmbeelden van het dagelijkse leven van een boerenfamilie van Noritoshi Hirakawa, tonen de verzakelijking van de boer, de mechanisatie van het boerenbedrijf en de verdwijning van het oorspronkelijke boerenlandschap en de oorspronkelijke rituelen. Maar vertellen die fotografen ook iets nieuws? Of zijn hun foto's alleen interessant voor wie de laatste jaren heeft zitten slapen?

Het boerenland is van oudsher een belangrijk onderwerp in de fotografie. De eerste foto's van de Engelse pionier William Henry Fox Talbot (1800-1877), vijf jaar na het ontstaan van de fotografie in 1839 samengebracht in The Pencil of Nature, tonen romantische rurale tafereeltjes, waaronder een ouderwetse hooiberg, een twijgenbezem, een ladder, een houten kar.

In de twintigste eeuw hadden vooral het door de overheid aangestuurde Farm Security Administration-project in de Verenigde Staten (jaren dertig), en het Franse DATAR-project (jaren tachtig) grote invloed op de fotografie. Fotografen als Walker Evans en Dorothea Lange, Lewis Baltz en Robert Doisneau moesten met hun foto's korte metten maken met de romantische clichdie aan het platteland kleefden, en in plaats daarvan de 'realiteit' ervan tonen, zodat de blik op het landschap niet langer werd vertroebeld door toeristische nostalgie.

De geschiedenis en de ontwikkeling van het boerenland (of het belangrijkste deel ervan, vanaf halverwege de negentiende eeuw) valt dus grotendeels samen met de geschiedenis en de ontwikkeling van de fotografie, zoals Frits Gierstberg, conservator van het Nederlands fotomuseum, schrijft in de bij Gemengd bedrijf uitgegeven publicatie. Dat is een mooie constatering. Eentje die Gierstberg vervolgens uitgebreid uitwerkt in zijn essay. Hij plaatst het werk van verschillende fotografen, van Walker Evans tot Bernd en Hilla Becher, van Heinrich Riebesehl tot Theo Baart, chronologisch naast de ontwikkeling van het boerenlandschap.

In de tentoonstelling in het fotomuseum is men van dezelfde constatering uitgegaan. Daarom maken de optimistische en sociale zwartwitfoto's van Cas Oorthuys (1908-1975) en de systematisch geordende 'volkseigene' foto's van Willem Van Heemskerk D(1910-1988) ook deel uit van Gemengd bedrijf. Zodat bezoekers kunnen zien hoeveel er is veranderd: veel. Zowel in het boerenlandschap, dat steeds drukker en moderner werd, als in de boerenlandschapsfotografie, die minder propagandistisch en nostalgisch is geworden.

Maar alleen die constatering is niet genoeg. De interessante invalshoek uit de publicatie blijft in de tentoonstelling ergens steken. Wat is de noodzaak van deze landschapsfotografie? Ten tijde van het FSA-project in Amerika en het DATAR-project in Frankrijk had de fotografie een duidelijke missie: het landschap verlossen van de romantische blik. Maar die tijd hebben we in Nederland toch al gehad, met Wout Bergers gifbelten, met de realistische landschappen van Theo Baart?

Niet dat de verschillende richtingen in de hedendaagse fotografie op de tentoonstelling niet goed zijn vertegenwoordigd - juist wel. Johannes Schwartz maakte bijvoorbeeld, vrij naar August Sander en de Bechers, een inventarisatie van boerenbrandstapels. Martin Luijendijks grote overzichtsfoto's van een kaasfabriek doen denken aan de gedetailleerde taferelen van Andreas Gursky (uit de Becher-school). Er is fotografie die een verbond aangaat met landschapsschilderkunst (Ralph Kna), en fotografie die wordt gecombineerd met film (Sean Snyder).Er hangen tekstbordjes naast, die de foto's in een historisch fotografisch kader plaatsen. Wat dat betreft is aan alles gedacht. Maar uiteindelijk weet alleen Andrea Stultiens te boeien, omdat ze dat wat al lang bekend is niet als eindresultaat maar als uitganspunt neemt. Haar bijdrage bestaat, net als haar vorig jaar verschenen boek Kerkdorp/Polderdorp, uit idyllische en verkleurde familiekiekjes die Stultiens in oude albums vond, en zelfgenomen foto's van boerderijen die zwembad of nostalgisch winkeltje werden. Die combinatie van intimiteit en afstandelijkheid weet te ontroeren.

Verder blijft de tentoonstelling Gemengd bedrijf hangen in oppervlakkigheden. De foto's hier zijn bedoeld voor degene die de afgelopen dertig jaar niet heeft opgelet. Di¿e persoon zal zich inderdaad een hoedje schrikken wanneer hij wordt geconfronteerd met melkende robots en ge-facelifte boerderijen. Voor degene die om zich heen is blijven kijken, vertellen de foto's niets nieuws.

Meer over