De blik van Lady Macbeth

Twee vrouwen hielden Engeland deze week in de ban: de droeve prinses, Lady Di, en de boze heks, Rosemary West....

PETER BRUSSE

Laat ons eerlijk wezen, de vaderlandse media, van Volkskrant tot Nova, wisten niet goed raad met de Bekentenissen van Diana, de prinses van Wales. Er waren uitzonderingen, maar die benadrukten des te meer hoe de serieuze pers worstelde met geweten en verantwoordelijkheid. Druist het niet in tegen het burgerlijk fatsoen om verlekkerde aandacht te schenken aan een boze prinses die bekent overspel te hebben gepleegd met haar paardrijleraar? Het antwoord is ja, Lady Diana tart het burgerlijk fatsoen.

Maar Lady Diana is van een andere orde, zoals ook Rosemary West dat is; de lustmoordenares, die afgelopen woensdag tot 'veelvuldig levenslang' is veroordeeld en daarmee een ereplaats heeft verdiend in the Chamber of Horrors van Madame Tussauds wassenbeeldenmuseum.

Deze twee vrouwen, de droeve prinses en de boze heks, hielden Engeland deze week in de ban. Natuurlijk, vooral prinses Diana sprak tot de verbeelding, maar toen afgelopen woensdag het vonnis werd geveld tegen Rosemary West, wijdde het BBC-journaal alle aandacht aan de moordenares, die onbedaarlijk snikte toen zij werd weggeleid naar haar cel. Het was een bloedstollend verhaal. De Vrede van Bosnië moest even wachten. Rosemary West ging voor.

Na het Journaal volgde een lange documentaire, spannend als een echte Ruth Rendell of P.D. James. Je zag hoe de van huis of tehuis weggelopen meisjes werden opgepikt, waar zij werden gefolterd en misbruikt; en hoe ten slotte de politie de stoffelijke resten wegdroeg in een doos, bedekt met zwart plastic. De laatste woorden van de documentaire, uitgesproken over een graf met bloemen, luidden: 'Er worden jaarlijks 2000 personen vermist. Is het ons een zorg?'

Zo werden de moorden van Rosemary West zet in een eigentijds zedendrama. Ook Engelsen zijn moralisten. The Economist refereerde, zes weken geleden bij het begin van het proces, aan het beroemde essay van George Orwell, Decline of the English Murder. Hierin betreurt Orwell dat de echte Engelse moord nog maar zelden voorkomt. Er waren nog maar weinig moorden waar de Brit, als hij op zondagochtend zijn News of the World opensloeg, nog echt van kon genieten.

Orwell probeerde vast te stellen wat de perfecte, Engelse moord was. Die volmaakte moord werd meestal bedreven door een alom gerespecteerde heer, waardig lid van de maatschappij, die veel tijd besteedde aan liefdadigheid en verenigingswerk. Maanden, soms jaren had hij de moord, bij voorkeur op zijn echtgenote, voorbereid. Het waren de moorden van een stabiele, maar onderdrukte maatschappij. En die moorden waren zo geliefd, omdat de Brit zich in die moordenaar herkende. Ook hij was onderdrukt.

The Economist schrijft dat die typisch Engelse moord uit de tijd is geraakt, omdat zelfs in de beste kringen echtscheiding is aanvaard en niet meer leidt tot verstoting of verlies van baan.

De samenleving, zo zegt het blad, is drastisch veranderd. Niet alleen ten goede. De individualisering, het uiteenvallen van het gezinsleven en het gebrek aan sociale controle brengen nieuwe problemen. Jonge kinderen lopen weg van huis, de politie heeft geen tijd ze op te sporen, vermist is vaak niet echt vermist. Zo ontstaat een ideaal jachtterrein voor de perverse lustmoordenaar. Zo krijg je, als een teken des tijds, een nieuwe Engelse moord, schrijft The Economist, die er aan toevoegt dat er nog heel wat van deze serie-moorden als in 25 Cromwell Street in Gloucester, zullen volgen.

Daarom wordt zo'n moordzaak het volk heel bewust als een spiegel, een vorm van gewetensonderzoek, voorgehouden.

De allegorie kan worden doorgetrokken naar James Bulger, de peuter uit Liverpool die een paar jaar geleden werd vermoord door twee jongetjes. Die moord, meer nog dan die van Rosemary West, bracht een paniekreactie teweeg die maandenlang doortrilde in de media en natuurlijk in het parlement.

Wat was er met Engeland aan de hand dat twee jongetjes in koelen bloede een peuter gingen vermoorden?

Dus werd ook alles en alles nageplozen, tot zelfs de video's die de ouders huurden en het voedsel dat zij kochten. Zoals altijd werd het volk geen detail onthouden. Geef de feiten, is ook in Engeland een geliefde kreet. Haal het nieuws van de straat.

De moorden van de bende van Venlo en de Epese incestzaak maakten in Nederland diepe indruk, maar die misdaden waren geen reden ons af te vragen of zij het bewijs waren van de verloedering van de Nederlandse samenleving.

Heel rationeel en verstandig leggen de deskundigen uit dat deze verschrikkelijke dingen gelukkig uitzonderingen blijven. Maar dat neemt niet weg dat de Nederlandse kranten, die in de jaren zeventig een voor een hun misdaadverslaggeverij afschaften, weer meer aandacht aan de misdaad wijden. Misdaad hoort er kennelijk bij, de maatschappij blijkt niet, zoals men toen riep, 'maakbaar'.

Ook de Nederlandse samenleving verliest zijn zekerheid, maar vergeleken met Engeland blijft dit land een bolwerk van zelfvertrouwen. Wij zijn nog niet zo diep gezonken en wij hoeven ons daarom ook niet zo te verlagen tot sensatie en banaliteit. Nederland - kijk naar het Journaal, lees de kranten - weet nog steeds hoe het hoort. Dat de praktijk wel eens anders is dan de norm, is pijnlijk, maar we blijven streven naar het mooie.

De Engelsen draaien de zaak om. Zij zeggen, zo en zo ziet de wereld er uit en wat doe je er mee? Hard en wellicht wat cynisch.

Afgelopen zomer riep een Brits minister in Brussel nog wanhopig uit: 'Buitenlands beleid heeft niets met ideologie te maken. Buitenlands beleid betekent dat je het lek in het dak moet repareren, het gat in de heg dichten.'

Het normatieve denken is de Britten vreemd. Zij modderen voort, zien wel wat er gebeurt en vandaar dat zelfs een moralist als George Orwell de Engelse samenleving, zijn normen en waarden, toetst aan 'een lekkere moord'.

Aan de hand van James Bulger en Rosemary West proberen de Britten vast te stellen welke richting die samenleving uitgaat. Dat doet denken aan de afgelopen zomer overleden oud-premier Harold Wilson, die het Britse buitenlandse beleid vergeleek met een ouderwetse postkoets. Het ding hobbelt, je weet niet waar de koets heen gaat, maar uiteindelijk kom je aan op je bestemming.

Bij ieder boei, iedere mijlpaal, iedere moord, ieder overspel, grijpen zij zich vast en kijken terug (zelden vooruit): dus dit is de stand van zaken.

Er wordt daarom ook altijd op de persoon gespeeld. Het in Nederland algemeen geldende beginsel dat een minister of burgemeester niet beoordeeld mag worden op zijn privé-leven, is voor de Brit moeilijk aanvaardbaar. De persoon belichaamt de functie, maakt het abstracte concreet en dus moet Barbertje hangen als zijn daden niet passen bij zijn woorden.

Wanneer een regering spreekt over de deugden van het gezin, zal een minister - hoe geweldig hij als minister ook is - moeten verdwijnen als hij bij de verkeerde dame in bed stapt. Want in de gesloten Britse maatschappij mag alles, zolang het maar niet uitkomt.

Dan geldt wat William Cobbett, de schrijver en politicus, twee eeuwen geleden zei: 'Niemand heeft het recht te neuzen zijn buurmans privé-zaken. Maar als hij naar voren treedt als kandidaat voor publieke bewondering, achting of compassie, dan worden zijn opinies, zijn principes, zijn motieven, ja, iedere daad in zijn leven, zowel privé als openbaar, het passend onderwerp van publieke discussie.'

De roddel heeft een lange eerbiedwaardige traditie. De oprichter van het Engelse roddelblad Private Eye was een puriteins katholiek, Richard Ingrams, die zich met zijn gekruide onthullingen opwierp tot het geweten van Engeland. Hij bracht een minister ten val die een kind had verwekt bij zijn secretaresse, en nagelde de leider van de liberalen aan de schandpaal vanwege een verhouding met zijn stalknecht.

Dat de roddelpers Engeland te schande heeft gemaakt is buiten kijf, maar dit 'verraden van het land', zoals John Osborne zei, is vooral een weerspiegeling van de vertwijfelde stand van zaken.

De Britse instituten hebben het moeilijk. 'Ieder instituut van enige importantie, van de Rugby Football Club tot de Labour Party, is het afgelopen decennium geconfronteerd met de noodzaak te moderniseren. Het was niet een kwestie van òf, maar een kwestie van hòe. De grote uitzondering bleef de monarchie', schreef het dagblad The Guardian in een commentaar op het interview met Diana. 'De Windsors mogen het niet meer zelf bepalen. Het is een dringende zaak voor dit land. Als wij de zaak niet anders aanpakken, wordt dit land een museum.'

Met andere woorden. Het koningshuis blijft het symbool van de natie. Will Hutton, economische redacteur van hetzelfde blad en schrijver van de bestseller The State of the Nation, schrijft: 'Het zou niet waar mogen zijn, maar het is het wel. De staat van een koninklijk huwelijk is van fundamenteel belang voor de legitimiteit van de natie. Een in diskrediet gebracht toekomstig monarch, die in een real life soap opera openlijk wedijvert met zijn vrouw om genegenheid van het volk, kan niet functioneren als de pilaar waarop de constitutie rust.'

Daar heb je het: Engeland heeft geen geschreven grondwet. Alles hangt aan elkaar van gebruiken, tradities, losse wetten en gezond verstand. Zo is het in feite met alle instituten die zich voortbewegen als de eerder genoemde postkoets. De monarchie is geen uitzondering. Dus is het van levensbelang wie er op de bok zit.

De afgelopen jaren is er, mede onder druk van de Verdragen van Rome en Maastricht, gesproken over de noodzaak om, net als in andere landen, een grondwet op papier te zetten. Maar de kans dat die er snel komt, blijft klein. De meerderheid van de Britten gelooft er niet in. Rechters en parlementariërs zijn niet alleen de bewakers van de ongeschreven constitutie, maar zijn tevens belichaming van dat ongrijpbaar geheel.

Zoals Rosemary West bewijst dat politie en justitie niet meer opgewassen zijn tegen de uitwassen van de hedendaagse maatschappij, zo heeft prinses Diana het falen van de monarchie aan de kaak gesteld. Zij is degene die de kat de bel aanbindt.

Misschien zal zij het land reddden, zoals anderen dat voor haar hebben gedaan. Veel is Diana de afgelopen dagen vergeleken met Elizabeth I, die vierhonderd jaar geleden bij het naderen van de Spaanse Armada zei: 'Ik weet dat ik het lichaam heb van een zwakke vrouw, maar ik heb het hart en de kracht van een koning, de koning van Engeland.'

Het is heerlijk om die historische parallellen te zoeken, maar het is ook meer dan dat. Vanwege de traditie als richtlijn voor het heden, is het blijkbaar ook noodzakelijk te kijken wat er vroeger gebeurde met afgedankte vorstinnen. Zij werden verbannen naar verre streken of, als Anna Boleyn, onthoofd. Maar dat kunnen ze met Diana wel vergeten. Alleen dat al is een revolutie, waar andere verstoten vrouwen grote steun uit mogen putten.

Maar alle serieuze kranten hebben er ook smakelijk op gewezen dat volgens een nog steeds geldende wet uit 1351, Diana's minnaar veroordeeld kan worden wegens hoogeverraad. De graaf die in 1330 met de koningin-moeder in bed werd aangetroffen, werd gevierendeeld. De lijst van minnaars van koninginnen die het er niet levend vanaf brachten, is lang. Het openbaar ministerie heeft echter gezegd voorlopig geen aanleiding te zien om Diana's minnaar in staat van beschuldiging te stellen.

Maar bovenal wordt ook door de meest vooraanstaande politieke commentatoren vergelijkingen getrokken met Shakespeare. Andrew Marr van The Independent schrijft bijvoorbeeld: 'De charme en het gevaar van de monarchie is dat menselijke zwakte en staatsmacht angstig dicht bij elkaar liggen. Shakespeare begreep dat. Zo ook de ambtenaren die Diana's telefoon afluisterden.'

Anderen wijzen er op dat alle ingrediënten voor een nieuw Shakespeariaans koningsdrama aanwezig zijn. 'De vrouw die zich eens tegenover een schoolkind liet ontvallen dat zij zo stom was als een varken, heeft van bijna alle vrouwelijke slachtoffers die Shakespeare creëerde iets overgenomen', schrijft Geneviève Fox naar aanleiding van Diana's tv-optreden 'dat een Oscar waard is'.

Vanzelfsprekend had Diana het interview goed voorbereid en was er veel voorgekookt. Maar dat maakt de performance er toch niet minder om. Welke actrice speelt zonder script?

Iedere opmerking, ieder gebaar werd geanalyseerd: 'Iets van de krankzinnige blik van Lady Macbeth kwam in haar ogen, toen ze zei: ''Er waren er drie in ons huwelijk. Dat was wel wat veel'', een opmerking die werd afgerond met een triomfantelijke glimlach', schrijft Geneviève Fox.

Invloed van Margaret Thatcher, die als geen ander de media wist te bespelen, is duidelijk te bespeuren. Thatchers vroegere raadgevers en mediatrainer helpen nu Diana. Suzanne Moore schrijft in The Guardian: 'Zoals Maggie deed aslof ze een huisvrouw was, terwijl zij een ander land binnenviel (de Falklandoorlog), zo spreekt Diana van haar innerlijke kracht en in die droeve ogen zien wij de geesten van andere dappere vrouwen, van Elisabeth I tot Florence Nightingale. Dit is manipulatie van de eerste orde, maar hoe kun je anders een beeld van kracht uitstralen dat niet wordt gedreven door machtswellust, maar vermengd is met plicht; plicht ten opzichte van de kinderen, plicht ten opzichte van het land?'

Als bij Shakespeare wordt ook breed uitgemeten wie tot wiens kamp hoort. Welke minister, tv-persoonlijkheid, bisschop of hoofdredacteur voor 'hem' of 'haar' is. En details zijn belangrijk. Diana is de peettante van het jongste kind, een mongooltje, van de hoofdredacteur van de The Sunday Telegraph.

De staatsdichter Ted Hughes neemt het op voor Charles, maar het is niemand ontgaan dat Diana als eerbetoon aan haar vriend Richard Branson, in een Virgin sweatsdhirt verscheen.

En als troost geldt dat zolang zij niet gescheiden is, zij nog koningin kan worden. Twee eeuwen geleden rammelde een verstoten gemalin tijdens de kroning van haar echtgenoot aan de deuren, roepend: Laat me er in. Ik ben de koningin. Niemand schijnt ervanuit te gaan dat de prinses zichzelf mag of moet zijn. Zij wordt gemeten aan de rol die ze speelt, alsof het openbare leven echt een spel is, waarbij schijn niet van werkelijkheid is te onderscheiden. De vorm is de inhoud.

Terwijl het twee weken eerder opgenomen tv-interview werd uitgezonden, ging de prinses naar een gala van de kankerbestrijding. Zij was traditioneel koninklijk gekleed, saffieren en diamanten schitterden, maar, schrijft Suzy Menkes in de Herald Tribune: 'haar brede, gespierde rug en het volwassen figuur dat zij in haar décolleté toonde, waren symbolisch voor de metamorfose van de verlegen teenager naar een krachtige, rijpe vrouw.'

Diana zegt, als de koningin die in de derde persoon spreekt: 'Ze zal niet rustig verdwijnen. Dat is het probleem. Ik zal tot het einde vechten, omdat ik geloof dat ik een rol heb te vervullen.'

Zij gelooft niet ooit tot koningin gekroond te zullen worden. Daarom wil zij 'queen of people's hearts' worden, wat natuurlijk iets anders is dan 'queen of hearts', de hartenkoningin uit het kaartspel die altijd minder is dan de koning.

Een nieuwe dynastie zal zij niet kunnen vestigen, maar zal het haar lukken - wat tot nu toe niemand is gelukt - het vorstenhuis open te breken en te confronteren met de de 21ste eeuw?

Met die mengeling van oprechtheid en effectbejag modelleert zij de nieuwe koningin, die zowel zeer vorstelijk is, maar tegelijk heel dicht bij de mensen staat, de zieken, de stervenden en de aidslijders. Het is allemaal onzin, maar Diana weet dat als zij iemand op het doodsbed aanraakt, de pijn wordt verzacht. De mystiek blijft.

De koninklijke discussie is nog maar net begonnen. In tegenstelling tot Nederland, zullen de Britten niet overgaan tot het abstraheren van het probleem. Het betekent dat de pers Diana zal blijven volgen, zoals ook de andere figuren in het drama de schijnwerpers niet kunnen ontlopen. Dat is nu eenmaal de manier waarop het in Engeland gebeurt, zoals ook omgekeerd schrijvers en filmers in toneelstukken, tv-series en films de 'state of the nation' becommentariëren.

De televisie, de kranten, de radio, ze zullen allemaal hun uiterste best blijven doen om het geëerd publiek te informeren en amuseren. Lering en vermaak is niet te scheiden. Dank zij de klassenmaatschappij is het voyeurisnme hoog ontwikkeld.

Velen hebben zich afgevraagd hoe het toch komt dat de Britten zo'n gevoel voor theater hebben, waarin het meest banale wordt verheven tot prachtig metafoor.

De schrijver John Fowles wijt het allemaal, zoals Orwell in zijn Decline of the English Murder, aan repressie. Hij zei: 'Wij willen onze intieme gevoelens verborgen houden. Maar als ze getoond moeten worden, doen we het achter een masker, dat wil zeggen op het toneel.

Zo kan een prinses ten aanschouwe van iedereen spreken over haar overspel; niet als iemand die het kwijt moet bij Paul Witteman of Violet Falkenburg, maar als een heldin die het koningschap redt.

Peter Brusse

Meer over