De billen van Gerrit Komrij

Zestig jaar wordt Gerrit Komrij aanstaande dinsdag, en bij wijze van felicitatie verschijnt Het fabeldier dat Komrij heet, een door de VN-criticus Onno Blom samengesteld lees- en plaatjesboek, dat onder andere kan worden opgevat als een geustreerde catalogus van alle curieuze affaires en vetes waarin Komrij vrijwel vanaf het begin...

Het door Suzan Beijer fraai vormgegeven eerbetoon verschijnt als Schrijversprentenboek van het Letterkundig Museum, waar vanaf zaterdag een ruim gesorteerde expositie over de jubilaris is ingericht, compleet met Komrijs favoriete fin-de-sie kamerjas.

Het decadente kledingstuk figureert eveneens in de bonte verzameling knipsels, kaartjes en kiekjes die als confetti door het 286 pagina's tellende boek zijn gestrooid. We leren er de complete Komrij in kennen: van de idyllische kleuterjaren in Winterswijk, de eerste proeven van zijn dichtkunst ('tafel, stoel, o beddesprei, hoor toch Willem's noodgeschrei') en de vroege onderkenning van zijn homoseksualiteit, tot aan zijn tomeloze productiviteit, het bitterzoete avontuur van zijn palo in Portugal, en ten slotte, in januari 2004, het voortijdige einde van de uitgebluste, uitgedichte Dichter des Vaderlands.

Dat slot mag weinig feestelijk klinken ('Ik ben het zat, ik heb er tabak van, ik vertik het nog langer', verklaarde de poet laureate in zijn afscheidswoord), het is geen ontoepasselijke finale van deze onderhoudende, van hoog tot laag van dubbelzinnigheden doortrokken biografie.

Want wat is er mooier voor een 'meester van de maskerade', zoals Blom zijn onderwerp typeert, dan een exit als gevierde pestkop, die, ziek van zijn schmierende getokkel, opgelucht de lier aan de wilgen hangt?

Niet voor niets citeert Blom Komrijs debuutroman Verwoest Arcadi'Het was noodzakelijk dat hij met de billen bloot ging. Als hij er maar steeds voor zorgde een paar onechte op zak te hebben. Die moest hij de mensen zo oprecht mogelijk toesteken.'

Wie hier onthullingen over het fabeldier verwacht, is dus gewaarschuwd. Al blijft het aardig dat Blom tussen de bedrijven door verklapt dat tot Komrijs schijngestalten ook Patrick Demompere behoorde, de vileine columnist die in Humo zulke lelijke stukken schreef over geliefde auteurs als Cees Nooteboom en Kristien Hemmerechts.

Op 'Zoete lieve Gerritje' had Demompere het trouwens ook niet begrepen: 'Het wil maar niet lukken, al houdt hij dapper vol. Kan die Komrij niet gewoon een tijdje zijn mond houden? De krant zou ervan opknappen, om van het romanlandschap maar te zwijgen.'

Meer over