De bezem van het burgerfatsoen Studie over twee eeuwen Nederlandse strafcultuur

MET EEN 'sober ritueel' opende minister Sorgdrager van Justitie maandag in Almere zes nieuwe strafinrichtingen. Het was een ijkpunt in de geschiedenis van het Nederlandse gevangeniswezen....

Komende week verschijnt, als geroepen, het boek De macht van het lijden, waarin de criminoloog en schrijver Herman Franke de geschiedenis vertelt van twee eeuwen gevangenisstraf in Nederland. De titel geeft al aan dat Franke zich bekommert om het lot van de gevangenen. Hij trekt de wrange conclusie dat vooral het lijden van de gevangenen - in smerige kerkers, onder de zweep op een schavot of in isolatiecellen - heeft geleid tot langzame verbeteringen in het penitentiair systeem.

Het onderzoek dat Franke verrichtte voor zijn promotie aan de Universiteit van Amsterdam in 1990 (Twee eeuwen gevangen - Misdaad en straf in Nederland), was de basis voor twee vervolgwerken. Begin dit jaar verscheen een verder uitgewerkte wetenschappelijke versie bij de Edinburgh University Press onder de titel The Emancipation of Prisoners - A Socio-Historical Analysis of the Dutch Prison Experience. Nu is het de beurt aan een herschreven en geactualiseerde 'publieksversie', waarmee Franke een bijdrage wil leveren aan 'genuanceerde publieke meningsvorming over wat we moeten doen met mensen die de strafwetten hebben overtreden'.

Nederland kan niet trots zijn op zijn penitentiaire geschiedenis, vindt hij. Schokkend voor hem was vooral te zien wat de gevolgen waren van het regime van bijna totale afzondering waarin gevangenen bijna honderd jaar, tot de jaren vijftig van deze eeuw, moesten leven. Met het cellulair systeem deed op grote schaal de gevangenispsychose zijn intrede. Veel van dat leed bleef verborgen achter de gevangenismuren. Franke: 'Menselijk lijden wordt erger als het niet wordt gehoord of niet wordt beschreven. Dan is het lijden, op een bepaalde manier, vergeefs geweest.'

Opvallend is, zegt hij, dat veranderingen vaak tot stand komen als invloedrijke leden van de maatschappij zelf worden geconfronteerd met de rauwe werkelijkheid van de detentie, bijvoorbeeld als zij als politieke gevangenen worden vastgezet. Dat begon met de gevangen Oranje-gezinden in de Franse tijd. Een jaar na het vertrek van de Fransen in 1813 werd een wet aangenomen tot verbetering van het gevangenisleven.

Eind vorige eeuw bewerkstelligden de socialisten een krachtige veranderingslobby. Ferdinand Domela Nieuwenhuis werd in 1888 lid van de Tweede Kamer, na een gevangenisstraf wegens 'majesteitsschennis'. Na de Eerste Wereldoorlog maakten de dienstweigeraars zich sterk voor verandering. Na de Tweede Wereldoorlog ontstond een grote hervormingsbeweging waarvan mensen uit het verzet deel uitmaakten. Zij hadden onder het juk van de Duitse bezetter de gevangenissen van binnen leren kennen. Dat resulteerde in een reeks naoorlogse experimenten, waaronder een proef met gemeenschappelijke opsluiting die de eenzame opsluiting moest vervangen.

Een minder enthousiaste bron van vernieuwing was steevast de bevolking zelf. De publieke opinie is de constante in het verhaal, zegt Franke. 'Steeds lees je dezelfde berichten en overwegingen. Die gevangenen hebben het toch goed, zo'n straf schrikt niet meer af, et cetera.'

Het verschil in de benadering van gevangenen is voor hem eenvoudig af te lezen aan twee handboeken voor gevangenen: het Godsdienstig en zedekundig handboek voor gevangenen uit 1828 en het Bajesboek uit 1982. Het eerste leverde religieuze beschouwingen over schuld en boete en spoorde gevangenen aan zich te schikken in hun lot. Het Bajesboek had tot doel gedetineerden informatie te verschaffen bij hun 'ongelijke strijd met justitie'.

De betrokkenheid van het Bajesboek lijkt tegenwoordig verdwenen uit de discussie over het gevangeniswezen, oordeelt Franke. Over detentie wordt nu vooral gesproken in ontsnappingscijfers en de resultaten van snelle cellenbouw. De bouwdrift van minister Sorgdrager wordt door hem niet bij voorbaat van de hand gewezen. De toename van het aantal cellen is in historisch perspectief ongekend, maar laat ook zien dat Nederland niet wil overgaan tot het plaatsen van stapelbedden in de bestaande cellen.

Wel kijkt hij verontrust naar de steeds langere strafduur, al is er nog reden voor enige mildheid. Aan de ene kant is sprake van verharding van het gevangeniswezen, zoals in de Tijdelijk Extra Beveiligde Inrichting in Vught, die volgens Franke sterke trekken van 'isolatiefoltering' vertoont. Aan de andere kant zijn er op bescheiden schaal initiatieven die de mogelijkheid openen van veel socialere straffen. Het ontwerp van de nieuwe penitentiaire-beginselenwet biedt, althans in potentie, veel grotere variatie in straffen. Dat kunnen leerprogramma's zijn, maar ook vrijheidsstraffen buiten de gevangenismuren door bijvoorbeeld elektronische detentie.

Dat huisarrest met een elektronische bewakingsband om de enkel heeft een aantal voorlopers, al is het zonder de technische component. In 1886 werden voor het eerst proeven genomen met voorwaardelijke invrijheidstelling. Opsluiting in vrijheid, zegt Franke, was het karakter. De veroordeelde werd anders dan nu door de politie of reclassering streng gecontroleerd of hij zich aan de algemene en bijzondere voorwaarden van de straf hield. Die liepen uiteen van een meldingsplicht tot een straat- of caféverbod. 'Dat toezicht is verwaterd. Misschien liggen daar meer mogelijkheden voor het straffen buiten de muren.'

In het begin van de twintigste eeuw werd de voorwaardelijke veroordeling aan de mogelijkheden toegevoegd. Ook hier werd streng gecontroleerd, al had dat volgens het Genootschap tot Zedelijke Verbetering van Gevangenen zijn nadelen. De veroordeelde werd niet langer door gevangenisstraf aan het zicht van de omgeving onttrokken. De hele buurt kon meeleven en de stigmatisering van de verkapte bajesklant trof niet alleen de veroordeelde, maar ook diens familie.

Het elektronisch toezicht, waarmee nu al succesvolle proeven worden gedaan, heeft hetzelfde nadeel, zegt Franke. De bestraffing wordt in huis voltrokken, waardoor ook het gezin te lijden heeft. Aan de andere kant ligt in de huiselijke omgeving een belangrijk voordeel. De 'sociale bedding' van de gestrafte blijft intact.

Met enige moeite kan van het elektronisch toezicht zelfs een lijn getrokken worden naar de negentiende-eeuwse 'pistolenkamertjes'. In die huurkamertjes, de pistolets, in of dicht bij de gevangenis kon men voor acht gulden per maand de straf uitzitten. Zo werd het zware en ongezonde gevangenisleven ontweken en kon de detentie in een plezieriger omgeving worden doorgebracht. Goed eten in plaats van het rotte voedsel dat leveranciers leverden aan corrupte bewaarders, rustig slapen en damesbezoek zonder toezicht. 'De heeren pistoliers smullen en brassen daar als bacchanten', noteerde een gewone gedetineerde.

Het bleek een hardnekkige vorm van goed gefinancierde klassejustitie. Deze strekte zich uit tot het gevangenentransport. Dat kon ook per eigen koets, in plaats van het geketend sjokken langs de openbare weg. Merkwaardig genoeg toonden ook de socialisten van Domela Nieuwenhuis zich gecharmeerd van de pistolets. Ook in die kringen, aldus Franke, meende men dat de beschaafde maag van de politieke gevangene het gevangeniseten moeilijker verteerde dan die van een landloper.

Het ging Franke in zijn boek erom de inhumane strafcultuur vast te leggen, eerder dan penitentiaire merkwaardigheden te boekstaven. In de negentiende eeuw was ook bij ernstige geweldsdelicten volgens hem de 'leedbalans' uit evenwicht. Het door de staat veroorzaakte leed door strafoplegging moet volgens hem in een redelijke verhouding staan tot het leed dat de misdadiger veroorzaakte.

Voor dat soort overwegingen was zelden plaats. Ook op 'relatief onschuldige' overtredingen als diefstal en inbraak werd vaak geantwoord met schavotstraffen en jarenlange gevangenneming. Zo'n veroordeling stond in de eerste helft van de negentiende eeuw al snel gelijk aan een doodvonnis. De sterk vervuilde en overbevolkte gevangenissen konden bogen op schrikbarende sterftecijfers. In sommige jaren overleed 20 tot 30 procent van de gevangenisbevolking.

Niet alleen misdadigers bevolkten de gemeenschapszalen waarin de veroordeelden terechtkwamen. De 'bezem van het burgerfatsoen' veegde schuldenaren, bedelaars, krankzinnigen, hoeren, misdadigers en andere marginalen bij elkaar. De gevangenissen waren overbevolkt; geslapen werd in hangmatten boven elkaar. Het recht van de sterkste bepaalde de gang van zaken. 'Er werd gelald, gekaart, verkracht.'

Deze opbergplaatsen van het uitschot van de maatschappij waren een uitvloeisel van de werkhuizen voor armen en misdadigers, die de Nederlandse republiek als eerste land in Europa sinds 1596 opende. Pas in de negentiende eeuw werd de gevangenis het exclusieve terrein van verdachten en veroordeelden. Toen waren de lijfstraffen al verdwenen. Het vierendelen, radbraken en afsnijden van lichaamsdelen kwamen al niet meer voor in het crimineel wetboek van 1809. Wel werd de doodstraf nog toegepast, evenals de geseling en het brandmerken van misdadigers.

De weerstand tegen die straffen groeide snel. De hogere burgerij wilde af van de barbaarse praktijken. Niet zozeer uit mededogen met de misdadiger, maar volgens Franke eerder uit beschaafde schaamte voor het volksvermaak. De openbare bestraffing trok als bloederige kermisattractie grote aantallen schreeuwende en zuipende mensen, wat voor het eigen woonhuis een onaangenaam tafereel opleverde.

Ook de barbaarse, onzedelijke taferelen in de gemeenschapsgevangenissen werden als onaangenaam beoordeeld. Een verlichte, rationele aanpak van de misdaad was nodig. Een pedagogisch element moest worden toegevoegd. Karaktervorming, disciplinering en zedelijke verbetering moesten de ingrediënten worden van de nieuwe strafcultuur. Lijfstraffen werden afgeschaft in 1854, de doodstraf in 1870.

Een nieuw soort straf was nodig. Die moest voldoen aan de nieuwe eisen, maar zwaar genoeg zijn om nieuwe golven misdaad en geweld te voorkomen. Vanaf 1851 werd geëxperimenteerd met eenzame opsluiting; in 1886 werd het regel. Een beschaafde straf, zo werd gedacht, die het lichaam onaangetast liet. De veroordeelde werd bovendien door dikke muren aan het oog onttrokken.

Het was de overstap van afschrikking naar zedelijke verbetering, van externe naar interne dwang. De eenzame opsluiting maakte gedetineerden vatbaar voor louterende bijbelteksten. De crimineel werd afgesloten van het Kwade dat zich in zijn mede-gedetineerden openbaarde. De eenzaamheid verving de zedeloosheid van de gevangenisgemeenschap. Het Goede kwam van de stichtelije literatuur in de cel en via het spaarzame bezoek van een geestelijke.

Elk contact met mede-gedetineerden werd zwaar gestraft. Vond transport plaats, al was het maar naar de luchtplaats, dan was de gevangene gemaskerd om herkenning te voorkomen. Het cellulair systeem dreef veel gedetineerden tot wanhoop. Franke: 'Het lijdt geen twijfel dat we nu zouden spreken van ernstige vormen van isolatiefoltering.'

De gevangenispsychose werd een erkend ziektebeeld. Franke: 'Psychiaters spraken in die tijd pas van psychische problemen als een gevangene dagen achtereen tegen de muur liep te bonken, de muur insmeerde met zijn eigen uitwerpselen of zichzelf voortdurend verwondingen toebracht. Een gedetineerde die alleen maar apathisch in een hoek lag, werd gezien als iemand op wie de straf een goede uitwerking had. De zware omstandigheden zouden hem tot inkeer brengen.'

Bij de psychose hoorden hallucinaties, vergiftigingswaan, dwangmatig masturberen of mysterieuze 'stemmen' die de gedetineerden instructies gaven, wat leidde tot moeilijk verklaarbaar dwangmatig gedrag. De slachtoffers gingen naar een krankzinnigengesticht of mochten even opknappen in een speciaal voor doorgedraaide gedetineerden ingestelde gemeenschapsgevangenis.

Het was een aangrijpend deel van het onderzoek, zegt Franke. Het ging om mensen die uit het drukke sociale leven van die tijd kwamen, die niet gewend waren alleen te zijn, die niet gewend waren zich geestelijk te vermaken. Geletterde voorstanders hadden bedacht dat in rust en eenzaamheid lezen en studeren te preferen waren boven het samenleven met ruw en ongeletterd gevangenisgespuis. De ongeletterden kwamen plotseling terecht in de doodse stilte van de isolatiecel, waar alleen het sleutelgerinkel van de bewaarders of de stiekeme klopsignalen van medegevangenen de spanning braken.

Het deed pijn de verhalen van de gedetineerden terug te lezen in kille, ambtelijke taal of in bewaard gebleven persoonlijke brieven. Het is moeilijk het strafregime van de eigen tijd te beoordelen, schrijft Franke. Misschien wordt over honderd jaar de straf van de vrijheidsberoving ook als onmenselijk beschouwd, zoals de hedendaagse samenleving foltering en doodstraf van de hand wijst. Misschien is dan sprake van een ontwikkeld systeem van straffen buiten de gevangenismuren, die mensen 'sociaal insluiten' in plaats van uitsluiten.

Marc van den Eerenbeemt

Herman Franke: De macht van het lijden - Twee eeuwen gevangenisstraf in Nederland.

Balans; ¿ 49,90.

ISBN 90 5018 327 1.

Meer over