De Bastille heb jij niet bestormd Pierre Michon herontwerpt de postbode van Vincent van Gogh

Op 31 juli 1888 schrijft Vincent van Gogh aan Wil, zijn zuster: 'Ik ben nu bezig aan 't portret van een brievenbode met zijn donkerblauwe uniform met geel....

Joseph Roulin, 'mijn vriend Roulin', zoals Van Gogh hem al spoedig zal noemen, was als entreposeur des postes verantwoordelijk voor de post die via het station van Arles werd gedistribueerd. Het portret is inderdaad begin augustus 1888 voltooid. Een vierkante baard, blauw postpak met gouden knopen, handen als kolenschoppen, waterige ogen, platte neus in een naïef gezicht - alsof er ooit een enorme klap op is gegeven. Het hangt in het Museum of Fine Arts in Boston. Een tweede versie hangt in New York en nog weer een andere bevindt zich in Los Angeles.

Maar overal, en wat nu volgt is een beschrijving die niet afkomstig is van een kunsthistoricus, 'overal maakt hij die weerloze indruk, koppig in zijn berooidheid en eigenlijk knusjes in die berooidheid genesteld, overal heeft hij die opgetogen en benevelde blik die je je voorstelt bij de achtergrondfiguren in Russische romans die voortdurend aarzelen tussen de hemelse Vader en de aardse fles, deze twee in een summiere casuïstiek met elkaar verzoenen, van de een naar de Ander pendelen, ze achteloos tegen elkaar inruilen; steeds is het die toegewijde, sputterende moezjiek, die onder luide gebeden en halve vloeken de arreslee van zijn bojaar ment en de belletjes laat rinkelen.'

Pierre Michon schreef in 1988 zijn Vie de Joseph Roulin. Niet een biografie in strikte zin, ook geen roman, zelfs niet een novelle - het lijkt nog het meest op een genre dat in geen eeuwen is beoefend, de legende. Hoe maak je van iemand die kunsthistorisch een betrekkelijke bijzaak is, de postbode aan wie Van Gogh zich een tijd heeft opgetrokken, een wezen dat niet zomaar een personage is binnen het historische raamwerk? Welke details moet je fabriceren om het ontbrekende waarschijnlijk en het summiere waarachtig te maken? Hoe beantwoord je de vraag wat het voor Joseph Roulin zelf betekende om Joseph Roulin te zijn?

In een enigszins cryptische passage, vrijwel aan het begin, schrijft Michon dat hij wenst dat de 'despotische en doffe cadans' - de schraag onder zijn proza, noemt hij het - een uniformjas aantrekt, een baard krijgt, alcoholist wordt, en 'dat ze duidelijk zichtbaar ontstaat, zich kenbaar maakt en sterft'. Hij verlangt dat Roulin, het beeld dat hij van hem maakt, samenvalt met de hartslag van de taal, dat hij erin opgaat, en dat de taal haar leugenachtige karakter ('we zijn erg slim geworden sinds we weten dat alle taal bedrog is') opzij zet.

'De taal', schreef Flaubert, 'is als een gebarsten ketel waarop we onze deuntjes slaan om de beren te laten dansen, terwijl we eigenlijk het liefst de sterren willen bewegen tot medelijden.'

Of Michon deze uitspraak kent, weet ik niet, maar hij zal zich er vermoedelijk zeer in kunnen vinden. Hij neemt uitdrukkelijk stelling tegen het postmodernistische relativisme, door de gezagsverhouding die hij tot zijn personage bepaalt: hij laat Roulin twijfelen, hij laat hem in onzekerheid over de betekenis die Van Gogh voor hem heeft, bezweert hem, verplettert hem onder een reeks betoverende associaties. In een van de ontroerendste fragmenten spreekt hij hem aan, een wauwelende, steeds beschonkener Roulin op de avond van Quatorze Juillet ('op de avonden van de bestorming van de Bastille heb jij niets bestormd'). Hij zit wijn te morsen in zijn baard, wordt uitgelachen door de oesterverkoopsters, wankelt naar huis, 'en in een donker steegje waar je op adem komt zie je ineens het vuurwerk daarboven uiteenspatten als Vincents dahlia's, zie je door welke handen ze geplukt worden, welke hemelse kudde erop graast, en dan word je week van binnen, en je zegt bij jezelf, als een kwezel, dat Vincent in de hemel is. Je praat tegen hem.'

En Michon laat Van Gogh terugkeren, 'maar niet uit de diepten der duisternis'. Hij suggereert hoe Roulin afstand doet van het portret dat nu in Boston hangt, niet voor geld, maar voor taal: voor de eeuwige roem die de vermelding van dit feit in het lokale sufferdje van Arles hem zal brengen. Het is de perfecte suggestie van de gedachte dat de geschiedenis simpel in elkaar kan zitten en dat de geschiedenis ingewikkeld in elkaar kan zitten, maar dat de vraag hoe de geschiedenis in elkaar zit niet valt te beantwoorden, anders dan door er een verhaal van te maken - een nieuwsbericht in een krant, een anekdote, een medisch verslag of desnoods een legende.

Aan de schitterende vertaling die door Rokus Hofstede van Het leven van Joseph Roulin is gemaakt zijn nog drie andere 'stukken' van Michon toegevoegd, Meesters en knechten, over respectievelijk de schilders Watteau, Piero della Francesca, en Goya.

Het mooist is het stuk over Piero, dat gebaseerd is op een alinea van Giorgio Vasari. Vasari beschrijft hoe een leerling van Piero, Lorentino d'Angelo uit Arezzo, een varken wil kopen, daar geen geld voor heeft, en plotseling een opdracht krijgt, van een boer, om in ruil voor een varken een schilderij te maken van Sint Martinus. Michon heeft deze terloopse kunsthistorische vermelding gebruikt om een impressie op te roepen van de artistieke praktijk aan het eind van het quattrocento: hij vertelt het verhaal dat bij Vasari ontbreekt.

Hij vertelt hoe er op het hemd van Piero kalkvlekken zitten. Hij beschrijft hoe de arme Lorentino inderdaad dat schilderij maakt, hoe vervolgens het paneel terechtkomt in een plaatselijke kerk, hoe het kapot gaat, weggesmeten wordt en uit de geschiedenis verdwijnt.

Maar het meest overrompelend is Michons conclusie, die we trouwens al kenden. Die is: alles verdwijnt. Want ook zonder voorkennis van het verder verloop van de eeuwigheid, is er geen speld tussen te krijgen: 'Her en der wordt Piero's naam nog genoemd, her en der klinkt hij op om binnenkort voor altijd te verstommen. Zo erg lang zal het nu niet meer duren. Op een dag hoort God geen naam meer die boven elke naam verheven is. Dan wenkt Hij de zeven. Dan worden de zeven bazuinen geheven.'

Hoe dat ook zij, tot aan die dag zijn er in elk geval de beeldende kunst en de literatuur.

Pierre Michon: Meesters en knechten. Het leven van Joseph Roulin. Uit het Frans vertaald door Rokus Hofstede. G.A. van Oorschot, ¿ 34,90 (ing.), ¿ 49,90 (geb.).

Meer over