'De barbarij droeg het gewaad van de moderniteit'

HET HERDENKINGSJAAR 1995 was nog niet om of de vrome consensus over de Tweede Wereldoorlog was al verdwenen. In Engeland ontstond beroering toen de Financial Times een groot artikel publiceerde waarin van het Europese verzet tegen de nazi's geen spaan werd heel gelaten....

Stormachtiger was de daarop volgende discussie over het boek van de Amerikaanse historicus Daniel Goldhagen, die in Hitler's Willing Executioners het Duitse volk in de beklaagdenbank zette en beschuldigde van virulent antisemitisme dat wel moest leiden tot de holocaust.

Veel minder ophef is vreemd genoeg gemaakt over de verschijning van het negende deel in de prestigieuze serie over de Duitse geschiedenis van Propyläen Verlag: Der Weg in den Abgrund - Deutschland unter Hitler 1933 bis 1945. Alleen de progressieve Duitse pers protesteerde, omdat hierin de bekende borrelpraat over de zegeningen van het Derde Rijk (het einde van de werkeloosheid, Autobahnen) gesanctioneerd zou worden.

De auteur, Karlheinz Weissmann, werd verweten dat niet alleen het boetekleed over de Hitler-periode definitief was afgeworpen, maar ook dat deze periode als een Duitse variant van de moderne welvaartsstaat nu een volwaardige plaats in de Duitse geschiedenis toebedeeld kreeg. De Duitse progressieve pers zag hierin het zoveelste bewijs van de toenemende invloed van het rechtse 'kartel' van de historicus Rainer Zitelmann, auteur van onder meer een studie over de 'revolutionair' Hitler en van een bijdrage aan het boek Die selbstbewusste Nation.

Zitelmann zou voor een andere pleitbezorger van een gezond Duits nationaal bewustzijn in dit omstreden boek, de historicus Weissmann, de opdracht voor het schrijven van dit negende deel over de nazi-periode van de rechtse uitgever Ullstein in de wacht hebben gesleept. Het resultaat zou geheel in de lijn zijn van de opvattingen die Weissmann al eerder ventileerde in dubieuze rechtse blaadjes.

Hoewel hij vrijwel voorbijgaat aan de 1,5 miljoen joden die in Rusland werden vermoord, besteedt Weissmann ruime aandacht aan de shoah. Hij schuwt daarbij adjectieven als 'barbarisch' niet. 'Barbaars' noemt hij in het algemeen de toestanden in het Derde Rijk in vergelijking met de situatie in de westerse democratieën, maar vergeleken bij Stalins Sovjet-Unie noemt hij het Duitsland van de jaren dertig 'bijna een traditionele autoritaire staat'.

Wel geeft hij een al te rooskleurige voorstelling van het toenmalige Wirtschaftswunder - meer dan de Volkswagen was de volkskoelkast Hitlers pendant van Henri IV's ideaal van een kip in de pan voor elke Fransman - en van de positie van vrouwen en arbeiders onder het Derde Rijk. De systematische vervolging van homoseksuelen laat hij buiten beschouwing. Nergens in zijn boek bekijkt hij de gebeurtenissen vanuit het perspectief van de slachtoffers. De ellende die de Duitsers in de bezette landen hebben gebracht, komt er zeer bekaaid af.

Zo bagatelliseert hij niet alleen de Duitse bombardementen - de geallieerde bombardementen noemt hij met Goebbels 'Terrorangriffe' - maar rechtvaardigt hij ook het optreden van de Wehrmacht aan het Oostfront. De laatste jaren verschijnen er wel meer boeken die de strijd van de Duitse soldaten tegen de 'Aziatische horden' verheerlijken. Daar staat gelukkig tegenover dat serieuze Duitse historici in hun bijdragen aan Walter Manoscheks bundel Verbrechen der Wehrmacht (Picus Verlag, 1996) en de voorbeeldige door Duitsland reizende tentoonstelling over de oorlogsmisdaden van de Wehrmacht een heel ander beeld laten zien.

Dit schoonwassen van onloochenbare oorlogsmisdaden valt Weissmann zwaarder aan te rekenen dan de onzin die hij over Nederland te berde brengt. Zo zou de Hongerwinter in west-Nederland op conto van de spoorwegstakers geschreven moeten worden, alsof er niet ene Seyss-Inquart alle transport van brandstoffen en levensmiddelen naar het westen van Nederland had verboden als represaille voor de spoorwegstaking. Ook is hij de mening toegedaan dat gevluchte Nederlandse politici na mei 1940 al snel naar Nederland terugkeerden, toen bleek dat het onder de Duitsers wel meeviel.

Voor een evenwichtiger beeld kan men beter terecht bij Norbert Frei in De Führerstaat. Deze Duitse historicus levert met dit boek een knappe analyse van de vorming, consolidatie en radicalisering van het nationaal-socialistische regime. Hij weet uitstekend duidelijk te maken hoe de Duitsers zeker tot 1942 leefden in de suggestieve ban van de volksgemeenschap en de op buitenlands succes gefundeerde 'Führer-mythe'. Evenals Weissmann benadrukt hij de grenzen van de totalitaire macht. In bijvoorbeeld het culturele en dagelijkse leven genoten de Duitsers een grotere mate van autonomie dan vaak wordt gedacht.

Beide auteurs schrijven dat in 1934 brede lagen van de Duitse bevolking met een kater zaten: van de mooie beloften van het regime leek niets terecht te komen. Hitler besefte dat hij moest ingrijpen om niet ook zelf slachtoffer te worden van de groeiende onrust. Hij deed dat op 30 juni 1934 tijdens de zorgvuldig geënsceneerde Nacht van de Lange Messen, waarin hij afrekende met zowel de revolutionaire elementen van de SA als de conservatieve critici van rechts. Met deze dubbele coup - volgens Weissmann pas Hitlers echte 'Machtergreifung' - werd de absolute persoonlijke macht van Hitler geconsolideerd.

De volgende hindernis op de weg naar de SS-staat werd opgeruimd in 1938, toen Hitler de Wehrmacht haar laatste restje zelfstandigheid ontnam en het leger een steunpilaar van het nationaal-socialistische systeem werd. Volgens Weissmann was de Führer beslist geen zwakke dictator in een chaotische polycratie van elkaar beconcurrerende instanties. Hitler alleen was verantwoordelijk voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Even duidelijk neemt hij afstand van de opvatting dat de inval in Rusland een preventieve oorlog was, al neemt hij, anders dan Frei, de term vernietigingsoorlog niet in de mond.

Als Hitler in 1939 bij de moordaanslag in de Bürgerbräukeller in München om het leven was gekomen, zou Weissmanns beschrijving van de 'mooie jaren' voor de oorlog waarschijnlijk het beeld van het Derde Rijk in de geschiedenisboeken hebben bepaald. Ook Frei schrijft dat de weg naar de ondergang niet onvermijdelijk was en dat de beoordelingscriteria niet uitsluitend ontleend dienen te worden aan de misdadigheid van de ideologie. Beter dan Weissmann beseft hij echter dat de radicalisering die zich vanaf 1938 aftekende, een klimaat van terreur schiep waarin de SS-staat tot bloei kon komen. Hij kent de rassenideologie meer belang toe dan Weissmann.

Frei onderkent daarom beter het destructieve potentieel van moderne sociale politiek: 'Demografische statistici, arbeids- en voedingswetenschappers, antropologen, genetici, medici en de overige deskundigen van de industriële beschaving waren veel meer dan helpers bij het uitvoeren van de politiek: zij gaven er de mogelijkheden van aan.'

Jongere technocraten als Speer en Heydrich spraken, planden en handelden 'alsof de gedachte van menselijke waardigheid nooit had bestaan' - Frei noemt dat 'deculturatie' - en dat was mede mogelijk omdat de verhoudingen in de moderne industriële maatschappij het verdringen van de volkenmoord mogelijk maakten bij beambten, ingenieurs, technici of spoorwegpersoneel, die met een op zich vaak volkomen onschuldig lijkend onderdeel van deze 'machtige opgave' (Himmler) waren belast of erover hoorden.

Frei's slotregel: 'De barbarij droeg het gewaad van de moderniteit', getuigt dan ook van meer inzicht dan de larmoyante verzuchting aan het eind van Weissmanns boek dat nog nooit eerder 'een volk zo hard voor de wandaden heeft moeten boeten, die het heeft begaan of die in zijn naam zijn begaan'.

Dick van Galen Last

Karlheinz Weissmann: Der Weg in den Abgrund - Deutschland unter Hitler 1933 bis 1945.

Propyläen Verlag; ¿ 310,-.

ISBN 3 549 05819 5.

Norbert Frei: De Führerstaat - De nationaal-socialistische heerschappij 1933-1945.

Het Spectrum; ¿ 39,90.

ISBN 90 274 4508 7.

Meer over