De angst om minder te zijn

Suriname is failliet en moet kiezen of de relatie met het moederland wordt aangehaald. De twee buurlanden, die samen met Suriname de drie Guyana's vormen, hebben daar zo hun eigen ervaring mee....

door Jeroen Trommelen

NERGENS in de Guyana's wordt zo zwaar gesomberd als onder de intellectuelen in Georgetown, de hoofdstad van het voormalige Brits-Guyana. 'Guyana is nauwelijks een voorbeeld voor wie dan ook', valt David de Caires met de deur in huis. De voormalige advocaat is directeur-hoofdredacteur van Stabroek News, de meest serieuze van de drie ochtendkranten van Guyana.

Hij resideert in een glazen hok waar elke tien minuten een nieuwe crisis binnendruppelt. Afspraken worden afgezegd, zijn bril is stuk en nu komt een medewerker vertellen dat het computersysteem is gecrasht. 'Het tweede systeem alweer, en dit is nog slechter dan het eerste. Ik overweeg nu sterk terug te gaan naar het oude handwerk. Een kleine krant runnen in een land met zoveel brain drain is een voortdurende nachtmerrie.'

Het voorval illustreert zijn algemene stelling, vindt hij. De economische vooruitgang van de afgelopen zeven jaar in Guyana valt niet te ontkennen, en een groei van vijf tot zeven procent per jaar was natuurlijk fraai. Suriname zou er jaloers op zijn, akkoord. Maar het is allemaal verdomde relatief zolang er buiten Guyana - zeg maar in Amerika en Canada - een grote stad valt te stichten met uitgeweken landgenoten. Met de slimsten, die de beste opleiding hebben en de meeste energie. De kans lijkt hem groot dat die stad beter zal draaien dan het achtergelaten moederland.

'En zó bijzonder was de groei de afgelopen jaren ook weer niet. Vóór de zelfstandigheid haalden we die productiecijfers ook. Als je gedwongen bent te beginnen vanaf nul, is het niet moeilijk goede resultaten te halen.' Is hij niet te somber? Misschien zijn de Guyanezen inderdaad te pessimistisch geworden, zegt hij. Ze hebben dan ook een rampzalige geschiedenis achter de rug. 'Om Yates te citeren: Too much sacrifice makes a stone of the heart.' Oftewel: te veel opoffering doet zelfs de sterkste harten bevriezen.

Zo zullen we de komende dagen blijven rondtoeren in een heet en broeierig Georgetown, langs politici, schrijvers en denkers die voornamelijk grommen van frustratie. Macro-economisch gaat het beter dan in Suriname, maar so what? Oud-diplomaat Lloyd Searwar, die achter de bibliotheek van het ministerie van Buitenlandse Zaken een kleine werkkamer heeft bemachtigd van waaruit hij jonge collega's het vak leert, is niet gerust op de toekomst.

Zijn land is binnen tien jaar veranderd van een mislukt marxistisch experiment in een van de meest geliberaliseerde economieën ter wereld, zegt hij. 'Het is nu de vleesgeworden Amerikaanse droom.' Maar dat levert behalve succesverhalen ook maatschappelijke verliezers op. Die kun je in Georgetown op elke straathoek vinden. Menige steeg is het begin van een kleine sloppenwijk. Aan sommige Guyanezen gaat de vooruitgang geheel voorbij - en de harde werkelijkheid is dat het vaak de zwarte Guyanezen zijn die illustreren hoe het leven onder de armoedegrens eruitziet.

Daar ligt de kern van wat het belangrijkste en misschien wel enige politieke onderwerp is in Guyana. Politieke ideologie is onbelangrijk, zegt hoofdredacteur De Caires. Verkiezingen gaan in Guyana nooit over politieke, maatschappelijke of sociale onderwerpen, bevestigt Searwar. 'We hadden het campagnevoeren net zo goed kunnen laten', zeggen achtereenvolgens de campagneleiders van zowel de grootste (PPP) als de tweede (PNC) politieke partij. Er is maar één factor die ertoe doet, maar één stemoverweging die telt, en maar één ijkpunt voor vrijwel alle sociale kwesties. En dat is de etnische afkomst. Het ras.

Guyana is er bij zijn buren berucht om. Het land was voor Suriname rond de onafhankelijkheid in 1975 het belangrijkste voorbeeld van hoe het niet zou moeten, zegt in Paramaribo oud-diplomaat Marten Schalkwijk. 'Juist op het vlak van natievorming en nationale bewustwording was Guyana altijd het negatieve model. Vooral voor de hindostanen overigens, want zij hadden in Guyana te lijden onder een dominantie van creolen. Je had daar rellen en politieke moorden. Black september was het schrikbeeld. Bij die rellen werden veel hindostanen gemolesteerd. Lachmon haalde ze in Suriname op het politieke podium: kijk, deze man is een arm kwijtgeraakt in de Zwarte September, en dat gaat ook hier gebeuren! Het was een argument tegen onafhankelijkheid.'

'Ons raciale probleem is diep geworteld en zal waarschijnlijk de samenleving verwoesten', stelt in Georgetown de broodnuchtere Guyanese commentator Kit Nascimento. Hij is van Portugese afkomst, maar zijn veel bekeken tv-commentaren zijn doorgaans vriendelijker voor de creoolse PNC dan voor de regerende hindostaanse PPP. Die laatste preekt de vrije markt, zegt hij, maar is haar linkse streken nog niet echt verleerd. 'Onze minister van Financiën is opgeleid in Moskou!'

Maar dat is een inhoudelijk politiek argument - en die doen er dus niet toe. Sinds er dankzij internationaal toezicht niet meer gefraudeerd kan worden met de stembusuitslag, weerspiegelt die precies de raciale verhouding in het land. Er wonen nu 15 procent meer hindostanen dan Afro-Guyanezen, en zo is ook de uitslag van de verkiezingen.

Die raciale kloof, die ook in Suriname de politieke verhouding bepaalt, blijft groeien. Hindostaanse families zijn gemiddeld groter en hechter dan de Afro-Guyanese. Ze zijn spaarzamer en tonen meer ambitie op zakelijk gebied. Ook vinden ze het belangrijk dat hun kinderen maatschappelijk succes boeken. Die constatering geldt in Guyana al nauwelijks meer als een raciaal oordeel. Het zijn de objectieve feiten die de zwarte helft van de bevolking hevig verontrusten.

'Het tribalisme is hier lijfelijk voelbaar', stelt hoofdredacteur De Caires, wiens voorouders eveneens Portugees waren. 'Met als grote nadeel dat alle onderwerpen etnisch beladen zijn, ook al zijn ze dat in feite niet.'

In Guyana staan de rassen elkaar onontkoombaar naar het leven, legt de een na de ander uit. 'Zet het Europese politieke schema waarin sociaal-economische overwegingen meespelen, uit je hoofd. Of politieke ideologie. Of godsdienst. In Guyana valt het allemaal samen met etnische afkomst.'

Pat Dial is een tengere, 65-jarige historicus die Caribische Studies doceert aan de Universiteit in Georgetown. Hij stuurt zijn dertig jaar oude Mazda behoedzaam langs de kuilen op Main Street, negeert claxons en stofwolken en steekt intussen monologen af in het bekakte Oxford-Engels dat hij vroeger op school heeft geleerd.

Hij behoort tot een uitstervende soort in zijn omgeving, en hij is zich daarvan bewust. Maar zijn isolement kent, vindt hij, ook voordelen. 'Als inwoner van Guyana, aan de periferie van de westerse wereld, kom je in elk geval makkelijker op de vraag hoe zo'n beschaving nu eigenlijk functioneert.'

En dat leidt tot inzichten die velen met hem delen, zegt hij, maar die doorgaans niet worden uitgesproken. 'Ze zouden me ophangen als ik ze in het openbaar uitsprak. Ze gelden als racistisch. Maar is het geen stereotiepe eigenschap van zwarte regeringen dat ze niet succesvol zijn, waar ook ter wereld? Het is Jamaica en erger. Je ziet het ook bij de creoolse elite in Suriname, die een irrationele anti-Nederlandse houding propageert. Het is dom. Het levert niets op.'

In Dial's ogen was de kolonisatie van de Guyana's een zegen in plaats van een vloek, en ook die opvatting geldt in het huidige Guyana niet als politiek-correct. 'Godzijdank zijn we niet gekoloniseerd door de Spanjaarden. Die kwamen alleen om te plunderen en te halen. Calvinistische landen als Holland brachten hier een levenshouding van zakendoen. Men vestigde zich, ging handeldrijven, legde plantages aan en irrigeerde het land. Men bracht een houding van opofferingsgezindheid die vreemd was in deze streken.'

We drinken thee in een hotellobby en aan de energie van de oude hoogleraar lijkt geen einde te komen. Hij doceert, legt uit, speelt met de etymologische verbanden tussen het Engels en het Nederlands. Hij lijkt alles in één keer te willen vertellen, voor het te laat is. Wisten we dat in de 17de eeuw drie tot vijf procent van de Europese bevolking in de Zuid-Amerikaanse kolonies kwam wonen? Nu is het nog geen tiende procent - en zie de gevolgen. 'Nee, een nationalist ben ik niet. Maar wel een patriot!'

Andere beschouwers gaan nog verder. Oud-publicist Paul Persaud, Brits-Indiër van geboorte, is niet bang voor het onderwerp, oreert hij vanuit de leunstoel in zijn woonkamer. Want natúúrlijk bepaalt het ras het succes van een samenleving. Of het gebrek daaraan. Waarom dachten we dat Engeland Guyana onafhankelijk heeft gemaakt en Nederland met Suriname hetzelfde heeft gedaan? 'Wat zou er gebeurd zijn als de bevolking in deze gebieden blank zou zijn geweest? Dan zou alles heel anders uitgepakt zijn. Ras speelt nu eenmaal deze rol in de internationale politiek. Ook vandaag nog. Als je ziet hoe bijvoorbeeld het Oostblok gesteund is door het IMF en door Amerika - dat hebben we niet gezien in het gekleurde deel van de wereld.'

Een week later - nadat we de Berbice en de Corantijne zijn overgestoken - belanden we in een andere hotellobby, in het Surinaamse Nickerie. Rijstboer en politicus Mahawat Kahn geniet er 's avonds van zijn whisky. Hij heeft zijn boerderij verlaten omdat hij in de stad moet zijn voor een demonstratie tegen de regering. Zijn broer is trouwens CDA-gemeenteraadslid in Alphen aan den Rijn, merkt hij op.

Waarom gaat het in Guyana economisch gezien beter en in Suriname slechter? 'Dat is heel simpel, want er is maar één verschil. Dat is dat ze daar een leider hebben die géén neger is. Toen dat nog wel zo was, werden de rijstboeren er beroofd. Net als nu in Suriname.' Het ergste zijn de 'rooie negers', zoals Kahn de oud-marxisten noemt. 'Die vertrouw ik helemáál niet. Een gewone neger nog wel, zolang hij te eten heeft tenminste. Maar dat mag je niet zeggen tegenwoordig. Dat is racisme.'

Het is allemaal terug te voeren op de Surinaamse angst voor het tweederangsburgerschap, zal oud-diplomaat Marten Schalkwijk later in Paramaribo uitleggen. Onder de creoolse socialist Burnham waren de Guyanese hindostanen minder dan tweederangsburgers. Hun economisch succes was voor Burnham een bedreiging, die daarop reageerde door de hele landbouwsector de nek om te draaien. De vrees om als mindere behandeld te worden, leeft in het nabije Surinaamse Nickerie ook. 'Het heeft een enorme polarisatie, een ingewortelde haat tegen creoolse leiders opgeleverd.'

Overigens is het in Suriname gebruikelijke Guyana-bashing niet helemaal op zijn plaats, waarschuwt hij. Tijdens de jaren in diplomatieke dienst bleek hem dat zelfs het eigenzinnige, door de CIA gevreesde socialistische Guyana zijn internationale contacten beter voor elkaar had dan Suriname. 'Het zat in de Caricom en de Gemenebest, organisaties waarin het land een lange geschiedenis had en wat taal betreft niet geïsoleerd was. Wij hebben daar na de onafhankelijkheid jaloers naar gekeken. We wilden ook onze eigen mensen in internationale organisaties, maar daar kwam het niet van omdat de macht in Suriname voortdurend wisselde. Men gunde elkaar het licht in de ogen niet. En zonder mensen met een goede staat van dienst lukt zoiets natuurlijk nooit.'

Ook in Frans-Guyana viel volgens Schalkwijk wel wat te leren voor Suriname, maar daar is het land al evenmin aan toegekomen. 'Er gaat elk jaar ruim 300 miljoen gulden naar Kourou. Ik heb vaak geprobeerd Suriname daar op een andere manier naar te laten kijken. Er is daar een concentratie van de beste wetenschappers van de wereld, midden in de jungle, vlak bij Suriname. Zou het een idee zijn daar gastdocenten van te hebben? Of om er studenten mee naartoe te nemen? We zouden er een lokale spin-off van kunnen hebben, maar op dat vlak heeft de binnenlandse oorlog een boel stukgemaakt.'

Een vergelijking met de nog altijd volle Franse buur is voor Schalkwijk pijnlijk. 'Als je het puur financieel bekijkt, zouden mijn kinderen beter af zijn in Frans-Guyana. Maar ik weet niet of Suriname daarom maar een kolonie had moeten blijven. Vergelijk het met de Antillen, die zijn zo'n halve kolonie gebleven met een behoorlijke dominantie van de Nederlanders. Ook dáár krijgen de mensen weer het gevoel tweederangsburger te zijn. Ook veel Surinamers in Nederland hebben dat gevoel overigens. Kunnen zij wel echt stijgen op de sociale ladder voor zover hun mogelijkheden dat toelaten? En dan nog de stress, het ontbreken van familieleven...'

Maar dat klinkt waarschijnlijk weer te lyrisch over de toestand in Suriname, realiseert hij zich. 'Er is natuurlijk een grote massa die kiest voor een makkelijk economisch bestaan. Laat ieder voor zichzelf spreken.'

V IER rivieren verderop, over de Suriname, de Marowijne, de Sinnemary en de Kourou, krijgt de discussie een naadloos vervolg. In een kantoor in de binnenstad van Cayenne, aan de vergadertafel van de Mouvement de Decolonisation et d'Émancipation Sociale, de onafhankelijkheidsbeweging van het Franse departement. Daar zetelt Maurice Pindard, een flegmatieke Engels- en Franssprekende creool. Aan de lange tafel waaraan we spreken, worden affiches gevouwen, telefoons beantwoord en tussendoor ook vakbondszaken besproken. De beweging is nauw verwant aan de Union des Travailleurs, de zwart-Guyanese vakbond.

We zitten, voor wie rechtstreeks uit Europa komt vliegen, heel gewoon in een klein kantoor in een zijstraat van een doorsnee binnenstad. Maar wie eerst in de andere Guyana's is geweest, ziet dat anders. Hem valt het op dat het trottoir voor de deur geen gaten vertoont. Dat het vuilnis voor het kantoor volgens schema is opgehaald. En dat zich aan de overkant een Frans bankfiliaal bevindt met functionerende pinpas-loketten, waaruit elke Guyanees zijn contante Franse francs haalt. En waar - anders dan bij de Surinaamse ABN Amro - zelfs klanten met een Nederlandse bankrekening worden bediend.

Bovendien is op de hoek een grand café waar een gekoelde grain de gris wordt geschonken, waar het Belgisch witbier uit de tap vloeit en de mensen zelfs geld blijken te hebben om voor die absurditeiten in de tropen te betalen. Alles lijkt hier één duidelijke boodschap uit te schreeuwen: wie de Fransen op deze plaats weg wil hebben, is niet goed bij zijn hoofd.

Pindard schraapt zijn keel en glimlacht. 'We weten dat bevolking en land nog niet klaar zijn voor onafhankelijkheid.' En dan volgt zijn betoverende logica.

Is het falen van een vergelijkbaar buurland reden om zelf géén eigen ontwikkeling te krijgen? Natuurlijk heeft zijn beweging geleerd uit het verleden. De idealen zijn bijgesteld, en anders dan in de jaren zeventig hoeft niet meer alles tegelijk. 'Laten we beginnen met de situatie zoals die Suriname werd gegund, in 1954. Toen al kreeg het land een onafhankelijke status binnen het Koninkrijk, en kon het zijn eigen dingen zelf regelen.'

Tegenwoordig wordt de deplorabele toestand van Suriname de Frans-Guyanese nationalisten vaak voor de voeten geworpen. Maar, zegt Pindard, tot aan de revolutie van de militairen in 1980 was het een welvarend land dat wel degelijk gold als voorbeeld voor de buren. En zelfs tijdens de binnenlandse oorlog ging de productie van rijst en bauxiet gewoon door.

'Dekolonisatie is een proces. Je moet nu beginnen en je weet niet precies waar het eindigt of hoe lang het duurt. Ook Europa kent zijn voorbeelden van regionale zelfstandigheid, zoals de Canarische Eilanden van Spanje en Madeira van Portugal. Laten we gaan werken aan een samenwerkingsverband als het Gemenebest, of aan een federatie met de twee andere Guyana's, waarom niet?'

Het probleem is dat Frankrijk zijn kolonie in 1946 wel de status van een departement heeft gegeven, maar dat het gebied in economisch en cultureel opzicht een kolonie is gebleven, vindt hij. De ruimtevaartindustrie is goed voor meer dan vijftig procent van het bruto nationaal product. Driekwart van de werkende bevolking is ambtenaar. Le Guyane staat er vergeleken met de andere Guyana's misschien goed voor, maar nog lang niet goed genoeg.

'Er zijn te weinig scholen. Drieduizend kinderen krijgen niet het onderwijs waarop ze recht hebben. We krijgen nog steeds te weinig geld om ons te ontwikkelen. Er moeten fabrieken worden gebouwd, bedrijvigheid moet worden ontwikkeld!'

Hoeveel Frankrijk wél besteedt aan het departement, weet Pindard niet - zelfs niet bij benadering. En wat zouden de nieuwe fabrieken moeten produceren, in concurrentie met bedrijven in Suriname of Brazilië, die zeven keer lagere lonen uitbetalen? Hoe zou het land ooit zonder de koloniale paraplu kunnen overleven? Dat nu leidt te veel naar details. 'Dat is', besluit hij het gesprek, 'dus de uitdaging voor onze beweging.'

'Er zijn hier wel nationalisten, maar ze vormen geen factor van betekenis', verzekert Yannick le Roux, geschiedenis- en kunstdocent aan de universiteit in Cayenne. Hij is weliswaar een geboren Fransman, maar een die, verzekert hij, verknocht is aan Le Guyane. Na bijna tien jaar is hij nog niet van plan te vertrekken. De dag na het gesprek worden we bij hem thuis uitgenodigd. Aan de rand van zijn zwembad wordt een verjaardag gevierd. Eerst champagne, dan witte wijn, daarna rode. Vietnamese specialiteiten, ijs toe, en van begin tot eind een zeer beschaafde, zeer academische en zeer Franse conversatie. De vroegere Nederlandse bestuurselite in Paramaribo moet zich daar ooit op vergelijkbare wijze hebben vermaakt.

'Er bestaat misschien enige onafhankelijkheidsretoriek', stelt Le Roux, 'maar zelfs dat is 100 procent Franse retoriek. Niemand hoeft haar al te letterlijk te nemen. En tegelijk wil ook Frankrijk zijn eigenaardige departement, dat op de ruimtevaartbasis na geen enkel voordeel biedt, absoluut niet kwijt. Voor jullie Nederlanders en Engelsen is het niet te begrijpen. Jullie denken economisch, terwijl de Fransen een sentimentele relatie hebben met hun kolonies. Een Fransman gaat op een verlaten rots zitten en noemt dat een provincie. Niemand twijfelt er vanaf dat moment aan dat het ook echt Frankrijk ís.'

E N VRAAG niet waarom, want er is geen waarom. Zelfs de simpele vraag hoeveel geld het departement het moederland nu precies kost, is eigenlijk absurd. Zelfs onderprefect Christophe Salin, de op een na hoogste bestuursambtenaar van het departement, hijst licht verbaasd de wenkbrauwen terwijl hij - als voorbereiding op de avondmaaltijd - zorgvuldig zijn petit punch bereidt volgens een persoonlijke mix van rum, suikerstroop en citroenpartjes. Nee, zegt hij, over de precieze kosten van zijn bestuurseenheid heeft hij even geen cijfers paraat.

Begin 1997 was er een oproer in Frans-Guyana. Het begon als een protest van middelbare scholieren, en ging over in rellen en plundering van winkels in de binnenstad van Cayenne. Het eindigde met een beleg - met benzine en brandende autobanden - van de privé-woning van de prefect. De vermoedelijke brandstichters werden opgepakt en overgebracht naar Martinique. En het onvoorstelbare gebeurde: door de straten van de hoofdstad marcheerden ineens duizenden Guyanezen die 'liberez nos camarades' riepen en pleitten voor meer zelfstandigheid.

Maar zelfstandigheid voor wie? Wie zijn de precies de Guyanezen? De opgepakte brandstichters waren gerespecteerde leden van de groep 'enige echte Guyanezen': de creolen die zichzelf ook letterlijk aanduiden als 'Guyanezen'. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Frans-Antillianen, indianen of blanke Fransen.

Maar de 'Guyanezen' zijn de afgelopen twee decennia een minderheid in eigen land geworden. Er zijn er zo'n 50 duizend op een bevolking van in totaal 170 duizend zielen. Het aantal gastarbeiders van Haïtiaanse oorsprong is al bijna al even groot.

Dat nu begint te wringen, zegt hoofdredacteur Jean Blondel van het dagblad France-Guyane in Cayenne. 'Er is geen racisme zoals we dat in Europa kennen, maar wel een sterke mix van superioriteitsbesef en jaloezie, of vrees voor de ander.' En dan zijn het niet de blanken die zich méér voelen, maar de creolen. Die week zijn twee Franse politieagenten neergeschoten, waarvoor drie Surinaamse verdachten zijn opgepakt. Het land was in rep en roer. 'Toen bekend werd dat het Surinamers waren, werd de hele zaak minder belangrijk. Als het creoolse Guyanezen waren geweest, had men inmiddels door de straat gelopen met de leuze: bevrijdt onze kameraden!'

Veel maatschappelijke taboes bestaan er niet op de raciaal gemengde krantenredactie, zegt hij. 'Maar er is één onderwerp waar we niet over schrijven. De Guyanese creolen zijn de bourgeoisie geworden in dit land, maar zij worden verdrongen door andere groepen, zoals door de inheemse indianen die steeds meer geïntegreerd raken en steeds mondiger worden. Dat bespreken we onderling wel, maar we schrijven het nog niet op.'

'Normaal', zegt Henri-Claude Asselos, pastoor van de katholieke parochie in de binnenstad van Cayenne, 'staan de creolen hier neutraal tegenover de Fransen. Ze vinden hen wel arrogant, en ze nemen hun die houding wel kwalijk, maar tegelijk kan het ze niet zoveel schelen. De Fransen zijn een te verwaarlozen factor. Maar het evenwicht is fragiel.' Hij is zelf creool en geboren in het land. Het is volgens hem het Franse stempel dat het land nog eens de nek om zal draaien.

Hij ziet daar maar één oplossing voor. Net als onafhankelijkheidsstrijder Pindard wil hij meer autonomie, zodat de Guyanezen zelf zullen ontdekken wat ze zich als land, of departement, wel of niet kunnen permitteren. Na de maaltijd zinspeelde onderprefect Salin daar ook al op. Nu nog bestaat de roep om autonomie uit retoriek van een minderheid, zegt hij. 'Maar persoonlijk zou ik er geen moeite mee hebben als een meerderheid zelfstandigheid zou willen.'

Niemand in Frans-Guyana heeft er volgens hem echter een duidelijk idee over. En dat vindt hij in combinatie met de politieke retoriek, gevaarlijk: 'De helft van de bevolking is jonger dan 20 jaar, en voor de jongeren is politiek iets onbegrijpelijks geworden. Als er iemand opstaat die hun gevoelens goed kan manipuleren... dan is het zó gebeurd.'

Kom mee naar Kaw, zei de gastheer. Westelijker dan Kaw kun je met de auto in de drie Guyana's niet komen. 'Als ik bezoekers het échte Guyana wil laten zien, gaan we altijd naar Kaw.' Dus zoeven we via een geasfalteerde weg, over talloze heuvels, door een verlaten regenwoud, naar het vissersplaatsje in de delta van de Approuague. Het is de laatste brede stroom vóór de Oyapock, die de grens vormt met Brazilië. Na anderhalf uur houdt de weg op en vaart een aluminium motorsloep voor, van restaurant Gingembres.

De boot, die de slanke houten korjaal vervangt die vorig jaar nog dienstdeed, is betaald uit een potje ter bevordering van het toerisme. Dat moet de ongeveer honderd inwoners van Kaw extra welvaart brengen. Een kwartiertje duurt de tocht door het schitterende, vogelrijke tropische waterland. Dan is er het dorp, bestaand uit vier straten.

De rondleiding door dit vermeende échte Guyana begint bij de telefooncel (uitsluitend Franse telefoonkaarten), en voert langs het agentschap van La Poste, het agentschap van het gemeentehuis, de kerk, de school met acht leerlingen en één blanke, jonge Franse lerares, de moderne elektriciteitscentrale en het schakelstation dat de straalverbinding van de telefoon verzorgt.

Een uit Suriname geëmigreerde vrouw beheert het restaurant, waar de binnenlandreiziger een maaltijd krijgt voorgezet van salade, stokbrood en pingo (bosvarken), geserveerd met een soepele Cotes-du-Rhone uit de koelkast.

Waar haalt u toch dat stokbrood vandaan?, vragen we.

Gewoon, zegt ze, uit de hoofdstad Cayenne. En dan in de diepvries, en vóór het eten even in de toaster.

En het bosvarken?

Een glimlachje. 'Uit de stad.'

De salade idem en de wijn natuurlijk ook.

En als haar Surinaamse ogen Frans zouden spreken, zouden ze zeggen: et alors - nou en?

Meer over