De Amerikaanse beschaving gaat in overvloed ten onder

In de Verenigde Staten neemt de bevoorrechting van de rijken en de grote bedrijven groteske vormen aan. Hoe deze plutocratie zich in de volgende eeuw zal handhaven is Lewis Lapham een raadsel....

LEWIS LAPHAM

TOEN op de avond van 10 augustus 410 een leger van honderdduizend Visigoten onder aanvoering van koning Alarik met hun bronzen ramskoppen de muren van Rome slechtten, was keizer Honorius in zijn paleis aan de Adriatische kust druk in de weer met zijn verzameling prijshoenders.

In de loop van de volgende dag - de Goten waren inmiddels overgegaan tot het plunderen van de keizerlijke hoofdstad en het vermoorden van haar inwoners - meldde zich in Ravenna een kamerheer bij de keizer die hem meedeelde dat Rome verloren was. Honorius keek hem verbijsterd aan. 'Maar dat kan toch niet', riep hij uit. 'Een uur geleden at ze nog uit mijn hand'

De kamerheer maakte de keizer duidelijk dat hij doelde op de stad Rome en niet op diens gelijknamige kip. Dit was een hele geruststelling voor de keizer. 'Je laat me schrikken, vriend', zei hij. 'Ik dacht even dat mijn hoen er geweest was.'

Dergelijke symbolische anekdotes mogen dan zeldzaam zijn, de ondergang van machtige rijken en het verval van natiestaten werden in de laatste zestien eeuwen strijk en zet voorafgegaan door een verslapping van de aandacht voor staatszaken bij de autoriteiten die geacht werden zich daarmee bezig te houden.

In de late Renaissance wijdden de pausen van Rome zich liever aan hun maîtresses en hun politieke intriges dan aan gebed en contemplatie. Hierdoor waren het aanzien en de kracht van de Kerk zozeer ondermijnd dat ze zich niet teweer kon stellen tegen de Reformatie.

Voor de regerende aristocratie in het laat-achttiende-eeuwse Engeland was het ondenkbaar dat de opstandige Amerikaanse kolonies weleens de oorlog van hen zouden kunnen winnen. Almachtig als ze zich waanden, achtten de ministers en peers belast met Amerikaanse zaken het volstrekt overbodig om de Atlantische Oceaan over te steken en eens met eigen ogen te aanschouwen wat daar allemaal aan de hand was. Edmund Burke schreef deze lichtzinnigheid toe aan hun 'overvloedige rijkdom, onbedreigde positie en onbezorgde, comfortabele leventje'.

Er zijn talloze aanwijzingen dat de Amerikaanse burgers totaal geen vertrouwen meer hebben in de overheid en de status van de president is daarbij exemplarisch. De kiezers weten dat er verschillende justitiële onderzoeken lopen naar Clintons seksuele en financiële misstappen, maar ze weten tegelijkertijd dat hij karakterloos genoeg is om het hen niet al te moeilijk te maken. Hij is er de man niet naar om zijn fellow Americans met allerlei gewetensvragen lastig te vallen en hen op te roepen tot meer burgerzin en minder hebzucht.

Zijn aanwezigheid in het Witte Huis bevestigt het gangbare neoliberale idee - met name van degenen die zijn verkiezingskassen hebben gespekt - dat politiek er weinig toe doet in deze tijd waarin alles moet wijken voor de belangen van de mondiale economische orde. Met andere woorden: als iemand als Clinton president kan worden, stelt dat ambt kennelijk niet veel meer voor.

Zoals de meeste mensen die de Amerikaanse politiek een beetje volgen, ben ik voor mijn informatie afhankelijk van wat er hap-snap via de media tot mij komt, en ik moet zeggen dat het me een raadsel is hoe deze plutocratie zich denkt te handhaven in de volgende eeuw. Zo lees ik in de krant dat er in de VS twee miljard dollar per jaar wordt uitgegeven aan golfattributen (alleen clubs en ballen, dus afgezien van shirts, petjes en schoenen) en ik realiseer me weer dat ik in een land woon waar meer rijkdom is dan aartsgraaier Nero van kon dromen. Maar even later lees ik in dezelfde krant dat 21 miljoen Amerikanen moeten rondkomen van minder dan 25 duizend dollar per jaar (nauwelijks genoeg om je in Pebble Beach een jaar lang te verzekeren van de diensten van een caddie) en ik weet weer wat er gebeurt met samenlevingen die onbezorgd de kloof tussen de armen en de rijken steeds groter laten worden.

Die kloof is op dit moment groter dan op welk moment dan ook sinds de bloeitijd van het Romeinse Rijk, maar de oligarchie die het bestuur in handen heeft van wat eens de Amerikaanse republiek was, ziet geen enkele noodzaak om de stormbal te hijsen. Integendeel. In plaats van ernaar te streven om de enorme welvaart in dit land eerlijker te verdelen, kiest men ervoor om deze zoveel mogelijk te concentreren in mega-ondernemingen, wier positie steeds onaantastbaarder wordt.

Vorig jaar juni ging het Congres akkoord met een begroting waarin 65 procent van de beoogde belastingverlaging ten goede kwam aan de rijkste 20 procent van de burgers, terwijl de armste 60 procent van de bevolking het met slechts 13 procent moest doen.

Deze cijfers sporen met de diepgewortelde graaimentaliteit die de afgelopen tien, twintig jaar het overheidsbeleid heeft gedicteerd. De bevoorrechting van de rijken vindt zijn weerslag in een wetgeving die het mogelijk maakt dat grote bedrijven kunnen fuseren tot monster-ondernemingen (ABC met Disney, Boeing met McDonnell-Douglas, Morgan Stanley met Dean Witter), die bezuinigt op de subsidies voor onderwijs en gezondheidszorg, die het bankwezen dereguleert en de gewone burgers niet de mogelijkheid biedt om hun recht te halen als ze zich bestolen weten door hun leenheren.

Dankzij een wet uit 1995 kunnen topmensen van grote ondernemingen zich verweren tegen beschuldigingen van fraude door simpelweg aan te voeren dat ze straal vergeten waren om de betreffende strafbare feiten aan justitie te melden omdat ze op een bepaald moment belangrijker zaken aan hun hoofd hadden (een lastig bunker shot of een raar geluid in de motor van hun Lexus, wellicht) of omdat de gedachte justitie in te lichten eenvoudigweg nooit bij hen is opgekomen.

Het is niet verwonderlijk dat de wereldeconomie haar stralendste glimlach toont in de media die eigendom zijn van dezelfde oligarchie die ook de banken bezit. Ze bestoken ons met louter juichende voorspellingen over onbeperkte groei in een wereldwijde, grenzenloze vrije-markteconomie.

De financiële magazines uiten hun ongebreidelde enthousiasme in lofzangen op de miljardairs, die visionaire, geniale, daadkrachtige ondernemers die kabelnetten van de hand doen om telefoonmaatschappijen te kunnen kopen, en die telefoonmaatschappijen weer verkopen voor filmstudio's, en die filmstudio's weer voor kabelnetten - een permanente koehandel in de bronnen van roem en eer die de tuinen van het paradijs besproeien.

Ik twijfel er niet aan dat de zegeningen van de mondiale vrijemarkteconomie talrijk zijn. Maar gratis zijn ze niet. De prijs die betaald moet worden, kan worden uitgedrukt in eveneens indrukwekkende groeicijfers, maar dan met betrekking tot de vernietiging van de regenwouden, de afname van de visstand, de snelgroeiende slums rond de schitterende zakencentra, het alsmaar groter wordende gat in de ozonlaag en de verbreiding van rioolratten en kernwapens.

Duidelijk is dat de arrogante, meedogenloze (en soms ronduit criminele) kapitalistische elites zich steeds minder aantrekken van de rechtsregels. Overal ter wereld - in China, Mexico, Rusland, Brazilië, maar ook in de VS - worden parlementen geïntimideerd, vergelijkbaar met de manier waarop in de eerste eeuw na Christus de militaire bevelhebbers de Romeinse senaat met geweld dreigden weg te sturen als ze hen onwelgevallige besluiten zouden nemen.

Intussen proberen onze gekozen politici, die zelf medeplichtig zijn aan de opkomst van de wereldwijd opererende economische mafia, hun eigen overbodigheid te verdoezelen met kletspraatjes over Hillary Clintons astroloog en gejeremieer over geweld op de tv.

Hun onverschilligheid verontrust me omdat naar mijn idee de onbeschaafde uitwassen inherent aan het ongebreidelde, agressieve global capitalism op een of andere manier een tegenwicht nodig hebben in ofwel een of ander stelsel van ethische principes ofwel in een goed functionerend democratisch systeem.

Met de ineenstorting van het communisme verdween wat je met enige goede wil het laatste principiële verzet tegen de almacht van het geld zou kunnen noemen, en uit de geschiedenisboeken kunnen we leren dat oligarchieën die niet gehinderd worden door een geweten en geen serieuze oppositie te duchten hebben, zelden geïnteresseerd zijn in zaken als burgelijke vrijheden.

De voorname dames en heren die rondwalsten in de balzalen van de belle epoque hadden geen flauw idee waar Passendale, Ieperen, Cambrai, Château-Thierry of Verdun lagen. Toch zouden deze plaatsjes aan het westelijk front weldra synoniem worden met het definitieve einde van een tijdperk.

Ik ben even onwetend van wat ons te wachten staat achter de horizon van de nieuwe eeuw als de hertog van Devonshire of tsaar Nicolaas II honderd jaar geleden, maar één ding staat voor mij vrijwel vast, namelijk dat de Verenigde Staten er steeds meer moeite mee zullen hebben - en het wellicht onnodig zullen gaan vinden - om de risico's en de kosten te dragen voor het instandhouden van vrijheid en democratie.

Gezien de toename van het aantal wetten dat de vrijheden van de individuele burger inperkt en de afname van het aantal wetten dat de bedrijven aan banden legt, is duidelijk dat het recht van de sterkste het tij meeheeft. In het streven naar een betere toekomst en een beter leven lijkt de politiek van het hier en nu steeds meer plaats te maken voor de hoop op speculatiewinsten elders en later.

Als onze wetgevers niet langer hun eigen wetten schrijven, onze topondernemers niet langer hun eigen perscommuniqués en onze rectores magnifici niet langer hun eigen redes, wie blijft er dan over om het voor de burgerlijke vrijheden op te nemen? Een oligarchie die mensen moet inhuren om haar teksten te schrijven, heeft zichzelf reeds in de uitverkoop gedaan.

Een wisseling van de wacht verloopt soms betrekkelijk geruisloos. De ineenstorting van een oude wereld gaat niet altijd gepaard met de moord op de vroegere machthebbers. Ook vinden de barbaren het soms amusant om zich te tooien met de kleren van de oude beschaving. Na verloop van tijd richten de roddeljournalisten hun aandacht op de nieuwe gezichten die zich in de dure hotels en restaurants vertonen, en niemand die nog iets voorstelt, kan zich de tijd herinneren dat hij tirannie niet spannend, leuk, en ergens wel sexy vond.

Lewis Lapham is redacteur van Harper's Magazine in New York.

de Volkskrant/The Guardian

vertaling: Brigit Kooijman

Meer over