De achterdeur van Europa

Onder het motto: 'Nooit zul je in een stad zoveel wereld ontdekken', viert Melilla dit jaar het vijfhonderdjarig bestaan. De Spaanse enclave in Marokko is het diepste stukje Europa en de laatste voorpost van Schengenland....

CEES ZOON

In de zomer van 1991 besloot het gemeentebestuur van Melilla een standbeeld van koning Juan Carlos van de straat te halen. Op het bewuste plein zou een terras worden ingericht, heette het. In werkelijkheid verweten de bestuurders de koning dat hij meer aandacht schonk aan Marokko dan aan zijn eigen onderdanen.

Don Juan Carlos was net in Rabat geweest om een vriendschapsverdrag met Marokko te ondertekenen. Dat had hij gedaan terwijl hij nog altijd niet de Spaanse enclaves in Marokko had bezocht.

Dezelfde zomer dreigden de twee senatoren van Melilla de inwijding van het nieuwe senaatsgebouw in Madrid te boycotten, een klus waarvoor de koning was ingehuurd. Zij eisten dat eerst de parlementaire behandeling van de 'statuten' moest beginnen: het wettelijk kader om Melilla een autonome status te verlenen.

In september schreef het Koninklijk Huis een brief naar de vroede vaderen van Melilla. De inhoud daarvan is nooit naar buiten gekomen, maar sindsdien is geen kwaad woord vernomen aan het adres van koning Juan Carlos. En zijn beeld staat weer gewoon op het plein. Voor terrassen is de zon hier trouwens toch een beetje te dominant.

De hoogst ongebruikelijke episode van het koninkje-pesten leek de uiting van twee angsten die de koloniaal van oudsher aangeboren zijn: de angst in het verre moederland niet voor vol te worden aangezien, en de angst door datzelfde moederland te worden uitgeleverd aan de lokale barbaren. Ook het bestaan van dergelijke gevoelens was, anno 1991, hoogst ongebruikelijk.

Maar het had effect. Spanje wist weer even dat Melilla bestond, net als Ceuta, die andere Spaanse pukkel op de Marokkaanse kust vierhonderd kilometer verderop. De twee steden werden echt voor vol aangezien. Drie jaar later besloten de twee grootste partijen van Spanje 'de zogenoemde autonome kaart van Spanje te voltooien'. Melilla verwierf de autonome status, kreeg in zekere zin een gelijke behandeling als traditioneel dwarsliggende regio's als Catalonië en Baskenland. Sindsdien kunnen we spreken van de stadstaat Melilla, een stad waar de burgemeester zich president mag noemen.

Het moederland heeft niettemin beloofd de stad te zullen blijven verdedigen tegen de Marokkaanse inlijvingsgedachten. Melilla en Ceuta zijn nog steeds een struikelpunt in het normaliseren van de betrekkingen tussen Spanje en Marokko. Voor koning Hassan II blijven de twee schandvlekjes op het nationale blazoen, al is er van directe veroveringsdriften weinig te bespeuren.

'Wij leven natuurlijk altijd met de angst ver in ons achterhoofd dat Spanje ons op een goede dag aan de Marokkanen zal schenken', sombert een bevriende journalist in de stadstaat. Hij wil mij wel enig begip bijbrengen voor de onzinnigheid van een dergelijke geste. 'Ik zal het nog één keer uitleggen. Melilla is nooit Marokkaans geweest. Toen de Spanjaarden hier vijfhonderd jaar geleden kwamen, bestond Marokko niet eens, had je hier alleen een aantal sultanaten. Melilla was een verlaten oord, Spanje heeft een kale rots bezet en daar een stad op gebouwd.'

Ook de meeste Spanjaarden zien de vlek niet als een kolonie. Paul Theroux verhaalt in The pillars of Hercules een vrolijke dialoog die hij met een Spanjaard voert op de boot naar Melilla.

'Is Melilla niet een beetje als Gibraltar?', vraagt de schrijver. 'Het is een stukje Spanje in Marokko, net als Gibraltar een stukje Groot-Brittannië in Spanje is.'

'Dat is waar. Het is hetzelfde. Maar toch willen we Gibraltar hebben.'

'Misschien willen de Marokkanen Melilla wel.'

'Jazeker, maar wij willen het ook. En Gibraltar ook.'

Hij begon te lachen, omdat hij de tegenspraak zag, maar weigerde toe te geven.

'Welkom in Melilla', zegt de stewardess van Pauknair. Het mag dan Spaans grondgebied zijn, 100 procent normaal is het niet. De nationale luchtvaartmaatschappij Iberia, die binnenslands ieder gat aandoet, vliegt niet op Melilla. Zodoende is het aan het mini-maatschappijtje Pauknair om als alternatief voor de veerboot naar Malaga te dienen en het eiland in het Marokkaanse land open te houden.

'Welkom in Melilla, dat dit jaar haar vijfhonderdjarig bestaan viert en daarvoor een uitgebreid festiviteiten-programma heeft opgesteld.' Die mededeling gonst door de stad, iedereen heeft hem op de tong, de affiches laten je niet met rust. Terwijl het feestjaar feitelijk nog niet begonnen is, want het was op 17 september 1497 dat de conquistador Pedro de Estopiñán y Virués de rots bezette in opdracht van de hertog van Medina Sidonia.

'Nooit zul je in een stad zoveel wereld ontdekken', is de leus waarmee de autoriteiten Melilla verkopen ter gelegenheid van de verjaardag. Een driftige advertentiecampagne in de Spaanse media, een reizende tentoonstelling, die zelfs helemaal naar Brussel is opgerukt. Want daar, in de Europese hoofdstad, schijnt nog altijd niet te zijn doorgedrongen dat Melilla Europa is: het diepste stukje Europa en de laatste voorpost van Schengenland.

Vijfhonderd jaar samen: 'In de vereniging van culturen liggen de beste mogelijkheden.' Plaatjes van vertegenwoordigers van die culturen. Moslims, joden, christenen, Hindoes. Ze hebben ze allemaal ruimschoots in deze stad, dit baken van tolerantie, de erfgenaam van het middeleeuwse Andalusië, dit lichtende voorbeeld voor een wereld waarin religies de stokken zijn waarmee men elkaar te lijf gaat. Het kan niet op in Melilla.

'Het is werkelijk fascinerend te ontdekken hoe in een kleine Europese stad zulke verschillende rassen en culturen samenleven. Hier in Melilla wordt zowel de Ramadan gerespecteerd als Jom Kipoer, het Hindoe-feest van de Holim en het christelijke Kerstmis. Je kunt uren slenteren en uren praten met de mensen en het gevoel hebben dat je op een unieke plaats bent, en met een groot voordeel: je hebt Spanje niet verlaten.'

Melilla is de stad van de twee culturen. Het straatbeeld is een nadrukkelijke mengeling van het Europese Spanje en het mohammedaanse Marokko. In de architectuur wordt de Europese poot gedomineerd door de voortbrengselen van Enrique Nieto, ooit de assistent van de legendarische Gaudí, en de man die met zijn modernistische creaties de stad een vleugje Barcelona heeft gegeven. Al wekken de monumentale panden de indruk op mysterieuze wijze verdwaald te zijn ergens ver weg in een provinciestad.

Daarnaast de typische Andalusische stijl, uit die ver vervlogen tijden toen de religies in Zuid-Spanje elkaar nog respecteerden en het gebied tot het culturele centrum van Europa maakten. De mensenmenigte op straat lijkt het evenwicht tussen de religies in Melilla te bewaren, veel traditionele klederdrachten, waarbij opvalt dat de strenge hoofddoekjes vrijwel volledig ontbreken.

De stad van de drie culturen, zeggen ze zelf liever. Pal om de hoek van de hoofdmoskee staat de belangrijkste synagoge van de stad. Veertigduizend christenen telt Melilla officieel, en een kleine vijftienduizend moslims. De derde groep, aanzienlijk kleiner, vormt de joodse gemeenschap, die bestaat uit zo'n vijftienhonderd zielen. De bakker verkoopt brood dat is goedgekeurd door de rabijn en brood dat voldoet aan de normen van de Koran. Etnische of religieuze spanningen kent deze stad niet, wil het verhaal. De burgemeester/president mag Melilla graag ten voorbeeld houden aan Jeruzalem. Bescheidenheid is niet het hoofdkenmerk van de lokale politici.

Stad van de vier culturen, is nog meer op zijn plaats. Want in het centrum vinden we ook de grote Hindoe-tempel, waar het God is love prijkt. De vrijstad Melilla is, als zoveel van die mini-gebiedjes met meer of minder onafhankelijkheid, een stad van fiscale voordelen en handel, en de Hindoes zijn de dominerende groep in de winkelsector. De meesten zijn hier via Gibraltar en Ceuta beland en hebben nog altijd een Brits paspoort.

Nu we toch bezig zijn: stad van de vijf culturen. Want niemand kan ontkennen dat soldaten een eigen cultuur hebben. Een op de tien inwoners van Melilla draagt een uniform. Het eerste wat ik zie wanneer ik voor dag en dauw de stad binnenkom, zijn joggende soldaten. Het lijkt of ze onderweg zijn de stad in looppas te bezetten, zo gehaast dat zij vergeten zijn hun uniform aan te trekken en in hun olijfgroene ondergoed door de straten denderen.

Melilla is niet alleen een stad van kerken en moskeeën, het is eerst en vooral een stad van kazernes. Het oude fort mag tot een gewone mensenstad zijn uitgegroeid, het verleden van garnizoensstad blijft springlevend. Kazerne hier, kazerne daar, de dominante aanwezigheid van La Legión, het Spaanse vreemdelingenlegioen. Het valt op wanneer je hier een keer door een straat loopt die níet de naam van een generaal of kolonel draagt.

Juist dezer dagen wordt herdacht dat op deze plek, in deze Spaanse enclave op het Afrikaanse continent, zestig jaar geleden de opstand der generaals begon die uitmondde in de Burgeroorlog. Generaal Romerales, de lokale commandant en volgens historicus Hugh Thomas de dikste generaal van Spanje, kreeg op 17 juli 1936 het pistool van zijn ondergeschikte Seguí op de slaap gezet en werd gedwongen zijn ontslag in te dienen. De stad werd in een ommezien bezet, gebouwen omsingeld, alle lokale leiders van republikeinse of linkse partijen opgepakt. Wie zich verzette, werd prompt geëxecuteerd.

De Spaanse premier Casares Quiroga ging wanhopig op zoek naar de Afrika-commandant, generaal Gómez Morato, en viste hem uiteindelijk op uit het casino van Larache: 'Generaal, wat is er aan de hand in Melilla?'

'In Melilla? Niets. Hoezo?'

'Omdat er een garnizoen in opstand is gekomen.'

Gómez Morata vloog onmiddellijk naar Melilla, werd op het vliegveld gearresteerd en als een der eersten geëxecuteerd door de opstandelingen.

Rusadir is de oude naam van Melilla. Een nederzetting, gesticht door de Phoeniciërs tijdens hun trektochten door de Middellandse Zee. Vervolgens uiteraard overgenomen door de Romeinen, voor wie de stad administratief onder Hispania ressorteerde. Nog een reden om Melilla niet te zien als een Spaanse kolonie waar Marokko enig recht op kan doen gelden.

Tijdens de Moorse bezetting van Spanje, die bijna achthonderd jaar duurde, werd Melilla bestuurd vanuit het kalifaat Córdoba. Vanuit Spanje dus. Maar de stad kwam in verval, werd verlaten en zette zijn bestaan voort als een ruïne.

1492 is het sleuteljaar in de Spaanse geschiedenis. Het jaar waarin Columbus Amerika ontdekte en de basis legde voor het rijk waar de zon nooit onder ging. Maar ook het jaar waarin de katholieke koningen het eigen huis grondig zuiverden. De joden werden met geweld uit Spanje verdreven, evenals de Moren. Met de val van Granada werd de reconquista voltooid: de herovering van Spanje door de christenen en de definitieve verdrijving van de Arabieren.

'Melilla was de eerste Afrikaanse verovering van het moderne Spanje', vertelt de officiële geschiedenis. De katholieke koningen Isabel en Ferdinand hadden het moederland onder controle gebracht, maar waren er niet gerust op dat de Arabieren rustig aan de andere kant van de Middellandse Zee zouden blijven zitten. Hun idee was derhalve het vestigen van een aantal voorposten op de Afrikaanse kust, vanwaar kon worden gewaarschuwd en ingegrepen indien wederom Moren op de kust zouden verschijnen.

Om die reden voer Pedro de Estopiñán in 1497 uit en sloeg zijn tenten op in de oude ruïne van Rusadir, die hij volgens de legende in koud één nacht ombouwde tot een bruikbaar militair fort. Melilla was vanaf die dag Spaanser dan Spanje, aldus de buitenmatig nationalistisch ingestelde stadschroniqueur Constantino Domínguez Sánchez:

'Melilla was Spaans al 18 jaar voor de inlijving van Navarra bij de Kroon van Castilla, 162 jaar voordat Rosellon Frans werd, en 279 jaar voor de geboorte van de Verenigde Staten van Amerika.' Alle officieel goedgekeurde teksten over Melilla hebben het karakter van verdedigingsredes: laat vooral niemand het woord kolonie in de mond nemen.

De tolerantie van Melilla blijkt soms een dunner laagje vernis dan de propagandisten van de stad willen weten. Een paar maanden geleden trokken driehonderd legionairs muitend en plunderend door de moslim-wijk, waar alle voorbijgangers in elkaar werden geslagen en geen steen op de andere bleef. Een dag eerder was bij een steekpartij in een disco een jonge soldaat om het leven gekomen en de dader, stond voor de maten als een paal boven water, was een lokale moslim.

Het vreemdelingenlegioen werd in de jaren twintig op poten gezet om de Spaanse enclaves te beschermen tegen vijandelijkheden vanuit de Marokkaanse Rif. Vandaag de dag zegt de leiding niet langer buitenlanders en criminelen te contracteren, maar het legioen heeft nog steeds een slechte naam en maakt die op gezette tijden waar.

In dit geval stak de variant de kop op van de Code Red van de Amerikaanse marines, bekend van de film Some Good Men. Een van de corpsregels is de unión y socorro, eenheid en hulp: 'Op de kreet van ''naar mij het legioen'' waar dan ook, schieten allen te hulp en zij verdedigen, terecht of niet, de legionair die om hulp vraagt.' De Spaanse regering zat in de maag met de muiterij en arresteerde zelfs de commandant van het Legioen.

De tolerantie geldt nadrukkelijk niet voor illegale immigranten of asielzoekers. De 'zwarten' moeten buiten blijven, zeker na de laatste rellen, waarbij een groep van honderd asielzoekers een veldslag voerde met de oproerpolitie. Illegale immigratie bedreigt de rust van de stad, en daarmee de handel.

Melilla is de stad van de min of meer legale smokkel. Er is geen stad in Spanje die meer geregistreerde winkels telt per inwoner: 2230 volgens officiële opgaven en de meeste klanten zijn Marokkaanse handelaartjes, die zich dag in dag uit een breuk slepen om de waren vlak over de grens in eigen land aan de man te brengen.

Die grens, bij de post Beni Enzar, staat wagenwijd open. Naar schatting tienduizend Marokkanen komen dagelijks inkopen doen in Melilla, en van deze handel leeft de stad. Dat betekent dat er nauwelijks controles plaats vinden en iedereen vrij in en uit kan lopen. Waarmee de barrière voor illegale immigratie niet bestaat. En Melilla is Spanje, hier ben je al in Europa.

Melilla is Schengen in Afrika. De stad schreeuwt om aandacht, wil niet langer behandeld worden als een achterlijk gat op een ander continent. Vandaar de festiviteiten bij het vijfhonderdjarig bestaan, al lopen de toeristen de stad nog niet plat.

'Wij moeten voortdurend laten weten dat we bestaan', is een opmerking die ik meer dan eens hoor. In Madrid lijkt men nauwelijks te malen om de rare provinciestad met zijn vele culturen. Vandaar dat Melilla zich nu maar rechtstreeks tot Brussel wendt, ten slotte is het een autonoom gebied. Onder de vlag 'de achterdeur van Europa' moet Melilla daar een aardig succes weten te boeken.

Meer over