David Bowie inspireerde de postpunk

Met Rip It Up And Start Again brengt Simon Reynolds de popmuziek tussen 1978 en 1984 in kaart. Hij schreef een naslagwerk dat een standaard kan worden, al had hij zich enigszins mogen beperken....

Een beter moment had de Britse popjournalist Simon Reynolds niet kunnen bedenken voor het doen verschijnen van Rip It Up And Start Again, een boek dat de popmuziek gemaakt tussen 1978 en 1984 in kaart brengt. Want wie nu gegrepen wordt door nieuwe popbands van Franz Ferdinand tot LCD Soundsystem, en in alle artikelen steeds maar weer gerefereerd ziet worden aan Gang Of Four, Wire en Talking Heads maar hun hoogtijdagen verder niet heeft beleefd, zoekt zich een ongeluk naar een goed overzichtswerk waarin haarfijn uit de doeken wordt gedaan hoe dat precies zat met deze en nog honderden andere bands, meer dan een kwarteeuw geleden.

Reynolds, die eerder al een uitstekend boek over house en techno publiceerde (Energy Flash), stelt terecht dat de rockgeschiedenis tussen de twee cruciale platen Never Mind The B ollocks (1977) en Ne vermind (1991) er in de popliteratuur bekaaid afkomt. En dat terwijl juist de jaren na de eerste lichting punkbands tot een creatief hoogtepunt gerekend kunnen worden, volgens de auteur vergelijkbaar met de periode 1964 en 1968 toen de Beatles en de Stones muzikaal de dienst uitmaakten. Tijd om orde op zaken te stellen, dacht Reynolds die zelf in 1978 zestien jaar oud was. Te jong om de eerste punkgolf echt te hebben meegemaakt, maar precies oud genoeg om gegrepen te worden door het debuut van Johnny Rottens nieuwe band Public Image Limited en een jaar later door de cruciale platen van Joy Division (Un -known Pleasures) en Talking Heads (Fear Of Mu s i c ). Die platen verschenen in een klimaat waarin experimenteerdrift en creativiteit grenzeloos leken. Elke week kwam er wel een single of lp uit die anders klonk dan al de andere. Iedere beetje behoorlijke gemeente in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten had een bruisende rock ' n' roll-scene, die platen maakte die tot op de dag van vandaag hun invloed doen gelden. Los van elkaar. Allemaal geïnspireerd door de punkgedachte van 1977, dat iedereen met een idee, visie of boodschap muziek kon maken, zonder een noot te kunnen lezen of een instrument te beheersen. Do It Yourself luidde het credo, en van Cleveland, Ohio (Pere Ubu) tot Manchester (The Fall en Joy Division), Leeds (Gang Of Four) en Sheffield (Human League, Cabaret Voltaire) werd hier op unieke, volstrekt authentieke wijze gehoor aan gegeven. En allemaal op hetzelfde moment.

Reynolds vertelt zijn verhaal dan ook niet zo zeer chronologisch, als wel geografisch. In elk hoofdstuk wordt de muzikantenscene van een andere gemeente in het zonnetje gezet, en dat komt de helderheid ten goede. Zo is Rip It Up And Start Again, naar een liedje van Orange Juice (Glasgow), behalve een leesboek om van te smullen ook handig als naslagwerk. Wie wil weten waar de kunstzinnige pop van Wire vandaan kwam of de militante funkriffs van Gang Of Four, krijgt meteen een compleet inzicht in wat zich in die tijd in respectievelijk Watford en Leeds afspeelde. En ze luisterden, blijkt, naar dezelfde platen. Want een van de vele eye-openers van Reynolds' boek is zijn constatering dat de voor postpunk belangrijkste platen in 1977 niet de debuten van The Clash en Sex Pistols zijn, maar de vier albums waaraan David Bowie in dat jaar zijn medewerking verleende. Twee (Low en He r o e s ) van hemzelf en twee (The Idiot en Lust For Life) die hij produceerde voor Iggy Pop.

Behalve door invloeden van Bowie en Brian Eno kenmerkt het postpunk-geluid zich nog door zwarte funkritmiek, Europese (vooral Duitse) elektronica en Jamaicaanse reggaedub. Reynolds doet haarfijn uit de doeken hoe al die bands in al die steden hierdoor gevoed werden. Het boek kan zich wat zeggingskracht betreft moeiteloos meten met Jon Savages standaardwerk over punk, England's Dreaming (19 91).

Hooguit kun je Reynolds zijn drang tot compleetheid verwijten. Misschien had hij zich beter tot Groot-Brittannië kunnen beperken, om er zo in 1982 mee op te houden. De jaren 1978-1982 alleen al hadden genoeg opgeleverd voor een dik boek. Nu heeft hij op pagina 400, op tweederde van zijn boek, zijn punt wel gemaakt en komen bijvoorbeeld de opkomst en eerste triomfen van U2 er wegens ruimtegebrek wel heel bekaaid af. En waar het Amerikaanse Pere Ubu en Devo terecht veel aandacht krijgen, heeft Reynolds nauwelijks oor voor de latere Gun Club en The Cramps. En zo inzichtelijk als hij de Britse postpunk-variant maakt, zo vlak en feitelijk is zijn relaas over de Amerikaanse. Maar als standaardwerk over de Britse popgeschiedenis tussen 1978 en 1982 valt Rip It Up And Start Again niet te overschatten. n

Meer over