'DAT IS HET BEELD: EEN FIETSER DIE EEN HELLING AFDAALT' Het geluk van Isler

SOMS IS VERVROEGDE uittreding een uitkomst, vaak het begin van een troosteloos, maar vooralsnog opgeschort einde - en in een doodenkel geval markeert ze het einde van een begin, waarop nog een heel nieuw leven volgt, een leven dat er in perspectief bovendien een stuk aantrekkelijker uitziet dan wat eraan...

Bij Alan Isler (62) - spreek uit Isler, en niet IJsler of IJler - betekende het aanbod van Queens College, een van de betere onder de talrijke instellingen van hoger onderwijs in New York, om op zijn 59ste zijn bureau uit te ruimen en zijn sleutel in te leveren en zo plaats te maken voor een jonge collega, het begin van wat we ons later als zijn carrière zullen herinneren. De vijfendertig, veertig arbeidzame jaren die eraan voorafgingen, zijn nu, drie jaar later, al gereduceerd tot een alinea in zijn overigens uitvoerige curriculum vitae; in zijn necrologie zullen ze te zijner tijd de eerste helft vormen van een zin die met 'nadat' begint.

'Ik heb geluk gehad', stelt Isler zonder een spoor van zelfgenoegzaamheid vast. 'Vooral als je nagaat wat gewoonlijk de condities zijn waaronder je gepensioneerd wordt. Natuurlijk heb ik mij daar rekenschap van gegeven toen de universiteit mij dat aanbod deed: nu is het over, nu ga ik mij wijden aan het lezen van boeken, aan lange wandelingen en museumbezoek. Maar in plaats daarvan vind ik mezelf terug in een nieuwe loopbaan en ik heb het drukker dan ik het ooit als academicus heb gehad.'

Zijn geluk lag verborgen in een bureaula, en het heette The Prince of West End Avenue. Dat was het manuscript van een roman die hij, de professor in de Engelse letterkunde van de renaissance, twaalf jaar eerder, tijdens een sabbatical leave, had geschreven.

'Ik schreef het boek omdat ik het universitaire werk moe was en gedurende dat jaar vrij mezelf moest vermaken', vertelt hij monter. 'Niet om met enigerlei grote ambitie een opzienbarende roman te schrijven, alleen maar om het te proberen. Dat was in 1983.

'Ik heb het ondernomen zoals ik aan een lastig kruiswoordraadsel zou beginnen, wat ik trouwens ook vaak doe. Spelen met woorden verschaft me groot plezier. Toen het klaar was liet ik het lezen aan mijn vrienden en familie. Die waren er vol lof over, maar dat is waar ze voor zijn, je vrienden en familie: om je te prijzen. Ik had onder hen al dikwijls bijval geoogst met de gedichtjes die ik schreef, komische versjes met vaak een pikante ondertoon.

'Maar deze keer namen ze het wel erg serieus. Toen begon ik er zelf ook enigszins in te geloven en probeerde ik het uitgegeven te krijgen. Dat stelt je voor de lastige taak een literair agent te vinden, wat je in een soort Catch 22-situatie plaatst: je kunt niet gepubliceerd worden zonder een agent, maar je vindt alleen maar een agent als je kunt aantonen dat je iets gepubliceerd hebt.

'Ik had geluk en vond een agent. Die werkte erg hard, maar er gebeurde niets: alle uitgevers retourneerden het manuscript, soms zelfs met vleiend commentaar. Dat was op zichzelf niet zo verrassend: ik was een academicus en geen schrijver. Ik schreef geleerde artikelen. Dus ik aanvaardde het.'

Het boek belandde in die beruchte la, maar doordat die vrienden bleven lezen en erover spraken, kreeg het in kleine kring een legendarische reputatie. De kleine uitgever Bridge Works vroeg het op, tien jaar nadat het geschreven werd, en bracht het in de zomer van 1993 uit. Intussen is The Prince of West End Avenue wereldwijd een bestseller.

Op The Prince, zoals Isler zijn boek liefkozend noemt, volgde verleden jaar de universiteitsroman Kraven Images, en tegen de zomer komt er een verhalenbundel, die Op. Non Cit. gaat heten, of misschien, als de uitgever sterker blijkt dan de auteur, The Bacon Fancier. Vraag: is hier iemand bezig zijn bureau op te ruimen?

'Nee, nee, dat zou afschuwelijk zijn, want wat zou ik dan nu moeten doen?', zegt Isler afwerend. 'Laat ik helemaal eerlijk zijn: Kraven Images is weliswaar nieuw, maar een of twee scenes, die zich afspelen in het klaslokaal, waren eerder geschreven. Chronologisch gezien net na The Prince, voordat ik wist dat ik alom afgewezen zou worden. Het was een manier om mijn vingers lenig te houden. Toen The Prince uitgegeven werd, ben ik opnieuw naar die bladzijden gaan kijken, om te onderzoeken of ik er nog iets mee kon.'

A LAN ISLER werd in 1934 in Londen geboren, in een milieu van van oorsprong Duitse joden. In 1952 vertrok hij naar Amerika, maar inmiddels woont hij weer in Engeland. Zijn tongval zou je transatlantisch moeten noemen: de Engelse uitspraak, maar de Amerikaanse zinsmelodie. Hebben we hier te maken met een zwervende ziel?

'In zekere zin, ja, maar eerlijk gezegd beschouw ik mijzelf nu als een Londenaar. We wonen er het grootste deel van het jaar en gaan alleen terug naar Amerika voor de zomervakantie en om er onze kinderen te bezoeken.

'Ik had genoeg van Amerika, of, Amerika, dat is vrij groot, meer van dat deel dat mijn leven als academicus bepaalde. Toen ik indertijd in New York aankwam, was dat een geweldige plaats om te zijn. Ik geloof dat het dat nog steeds is, maar dan alleen voor jonge mensen. Het heeft dynamiek en tempo.

'In 1952 kwam ik uit een Engeland dat nog op zijn rug lag. New York was een plaats van overweldigende mogelijkheden. Zodra ik de boot af was, voelde ik mij Amerikaan. Maar ik ben niet langer jong en net als de rest van de wereld zijn ook Amerika en New York veranderd. Het leven is er op een lelijke manier gepolariseerd geraakt, waarbij het getob over de scheidslijnen tussen de rassen in alles doordringt. Zeker met het lesgeven word je daar gek van, dat gezeur over politieke correctheid, dus dat heb je op een gegeven moment wel gehad. Engeland loopt daarin op een prettige manier achter.

'Dat was toen ik vertrok al zo, maar toen hinderde mij dat juist. In die tijd zou ik overal heen gegaan zijn, Australië, Afrika, het maakte niet uit. Engeland was zo onvoorstelbaar grauw. Het was zeven jaar na de oorlog en nog altijd leek er niets tot leven te komen.'

In The Prince of West End Avenue maakt Isler ons deelgenoot van het dagelijks leven van een stelletje New Yorkse bejaarden, allemaal van joodse afkomst. Die wonen in een deftig verzorgingstehuis op West End Avenue en doden de tijd met toneelspelen - en, zoals dat bij bejaarden gaat, met intrigeren, roddelen en herinneringen ophalen.

Dit keer bereiden ze zich voor op een enscenering van Shakespeare's Hamlet, een jaar eerder hebben ze Romeo en Julia gespeeld. Dat juist zij het spelen heeft even bizarre als vrolijke consequenties voor de stukken: 'to be or not to be' klinkt uit de mond van een 83-jarige onwillekeurig wat beladener dan uit die van de adolescent die Hamlet op papier heet te zijn, zoals ook de aanzoekscène uit Romeo en Julia een curieuze betekenisverandering ondergaat wanneer ze door grijsaards wordt vertolkt - om nog maar te zwijgen over de aubade die Romeo Julia brengt, hij in de voortuin, zij op het balkon, vader er dreigend tussenin.

'Dat is de verrassing wanneer je eenmaal voor zo'n vorm gekozen hebt', zegt Isler. 'Niet alleen wanneer ze voor hun Hamlet repeteren is die Shakespeare-tekst vruchtbaar, maar door het hele boek heen. Het is andermaal een demonstratie van de superioriteit van het stuk: generatie na generatie heeft het opnieuw geïnterpreteerd, en het werkt. Het is universeel en eeuwig. Zojuist heb ik Kenneth Branaghs verfilming van Hamlet gezien: daar heb je Shakespeare voor de jaren negentig.

'Ik koos voor Hamlet omdat het Shakespeare's bekendste stuk is, zodat lezers zich gemakkelijk kunnen verplaatsen in de parallellen. Bovendien ging het me om die tekst van Hamlets dode vader, 'remember me', om de noodzaak te herinneren.'

In The Prince leidt het herinterpreteren tot hilarische taferelen. Wanneer Shakespeare over de dode Ophelia laat zeggen dat ze een 'goed christelijke' begrafenis verdient, nemen enkele van de gelovige joden in het bejaardentehuis daar aanstoot aan - maar een wijziging in koosjere zin is minstens zo eigenaardig.

Datzelfde geldt voor het verzoek aan de oude Otto Korner, de hoofdfiguur van Islers boek, om de rol van de grafdelver op zich te nemen; de speler die die rol oorspronkelijk zou vertolken, is gaandeweg de repetities zelf in handen van de grafdelver gevallen. Maar Otto Korner is een van oorsprong Europese jood, die de oorlogsjaren in Auschwitz heeft doorgebracht en daar zijn familie heeft verloren. Grafdelver is een rol die hem misschien minder ligt.

'Tot op zekere hoogte heeft Otto Korner ook zijn oorlogsjaren geaccepteerd als deel van zijn levensgeschiedenis. Hij heeft ze genormaliseerd. Hij heeft een weloverwogen poging gedaan het verleden te vergeten, zodat hij alleen maar vandaag leeft.

'Maar wanneer hij door een toeval zijn vooroorlogse jaren gaat reconstrueren, zijn leven in Zürich ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, toen de stad bevolkt werd door kunstenaars en andere émigrés en Dada er ontstond, kan hij niet meer stoppen. Ik vergelijk het met een fietser die een helling afdaalt: als hij daar eenmaal aan begonnen is, is er geen houden meer aan.

'Dat is een wel erg particuliere verwijzing van mij. Ik moest denken aan die grap van die nazi die een jood aanspreekt en zegt dat de joden de schuld zijn van de oorlog. 'De joden en de fietsers', zegt die man. 'Waarom de fietsers?', vraagt de verbaasde nazi. 'Waarom de joden?', riposteert de jood.

'Maar dat is het beeld: hij kan niet meer stoppen. Dat is daarom voor het einde van het boek bewaard. Dan is gebleken dat er heel veel is dat hij wil onderdrukken. En dat zijn niet alleen zijn herinneringen aan de holocaust; die komen in expliciete zin maar in enkele alinea's aan bod. Er zijn daarenboven de herinneringen aan zijn eerste huwelijk, aan zijn eerste engelachtige en onschuldige vrouw, die vermoedelijk helemaal niet zo engelachtig en onschuldig was.'

Niettemin is het boek overal een holocaust-roman genoemd. Is het niet een beetje gênant om bij die literatuur te worden ingedeeld, terwijl de gruwelen van de kampen aan hem persoonlijk voorbij zijn gegaan?

'Ikzelf heb die indeling altijd verworpen, maar ik begrijp wel waarom de mensen dat er in willen zien. Het is niet zo dat je niet kunt schrijven over gebeurtenissen die je niet zelf hebt meegemaakt of dat je er dan niks mee te maken zou hebben, al draagt een belangrijk deel van de holocaust-literatuur ook een autobiografisch karakter. Maar ik zie mijzelf zeker niet als vergelijkbaar met Elie Wiesel of Aharon Applefeldt.

'Mij ging het erom te laten zien wat er gebeurde met die Otto Korner, die al een man van middelbare leeftijd was toen wat we de holocaust-periode noemen begon. Een man die al volledig gevormd was, wat niet wil zeggen dat hij niet werd aangeraakt door de ervaringen van die jaren. Maar hij leefde nog vele jaren nadien, dus die periode was maar een klein stuk van een erg lang leven.

'Ik was gefascineerd door de notie hoe iemand leven kon als hij zichzelf schuldig voelde over de dood van zijn vrouw en kind.'

D E BEJAARDE toneelamateurs zitten bij elkaar als de leden van een Shakespeareaans toneelgezelschap: op elkaar aangewezen als zwervende bezoekers aan een vreemd hof. Ofschoon ze midden in New York wonen en er in de parken wandelen of in restaurants gaan eten, zijn ze van de stad geïsoleerd. Ze zitten met zijn allen op een Narrenschiff, zijn op elkaar aangewezen. Met de befaamde melting pot blijkt het niet zo'n vaart te lopen: ze hebben niets van hun eigen karakteristieke achtergrond verloren.

'Dat komt', zegt Isler, 'doordat ze in twee categorieën thuis horen: een deel van hen komt uit Europa, een deel is al in Amerika geboren. Daar doorheen loopt de scheidslijn tussen Duitse joden en joden van Oost-Europese origine. Ze weten dat van elkaar, ze voelen het verschil - en dat is in Amerika nog even belangrijk als het destijds in Duitsland was.

'Korner is een Duitse jood: goed opgevoed, goed opgeleid. Hamburger, zijn beste vriend, zijn Horatio, ook. Dat blijkt al bij hun eerste ontmoeting: ze herkennen elkaar aan een Goethe-citaat. Zij houden het culturele verleden levend. Voor Korner is dat een dagelijkse werkelijkheid, want hij is er ooggetuige van geweest. Hij heeft in Zürich Joyce gezien, en er Tristan Tzara ontmoet en Lenin. Dat zijn mensen van vlees en bloed voor hem, en niet, zoals voor de Amerikanen, massieve cultuurmonumenten.

'Hij is wat Saul Bellow een reality instructor heeft genoemd.'

Is dat het verschil tussen Amerika en Europa, het verschil dat ook spottenderwijs aan de orde komt in Kraven Images, als Isler het bizarre klimaat aan de Amerikaanse universiteiten in de jaren zeventig schetst?

'Korner heeft het gevoel dat de cultuur deel van ieders dagelijks leven zou moeten uitmaken. Kraven Images heb ik geschreven omdat ik bezorgd was over het verlies aan beschaving dat door de veranderingen aan de universiteiten werd bewerkstelligd. Wat voor Korner zo belangrijk was, werd een ruïne. Diep in mijzelf ben ik een soort Otto Korner, tegelijkertijd geïnteresseerd in die oude cultuur en in Dada, wat een poging was die oude cultuur op te blazen - maar dan wel met kennis van zaken.

'Als ik tijdens het college zei dat Shakespeare in 1564 geboren werd, moest ik erbij zeggen dat dat natuurlijk slechts mijn mening was en dat iedereen daar natuurlijk anders over mocht denken. Professoren die een vraag stelden waar ze zelf het antwoord op wisten, werden uitgejouwd; vragen moest je groepsgewijs zien te beantwoorden. Dan zou de wereld beter worden. Welnu, we hebben het geprobeerd, maar ik weet nog steeds niet zeker of de wereld er beter van geworden is. Maar ik ben 62, en dus een soort dinosaurus.'

Michaël Zeeman

Alan Isler: De Prins van West End Avenue.

Uit het Engels vertaald door Barbara de Lange.

Balans; 235 pagina's; * 34,90.

ISBN 90 5018 284 4.

Alan Isler: De beelden van Nicholas Kraven.

Uit het Engels vertaald door Barbara de Lange.

Balans; 236 pagina's; * 36,90.

ISBN 90 5018 334 4.

Meer over