Dansfestival mag kritischer

Springdance had een spectaculair en passend slot. Het festival gaat samen met Festival a/d Werf. Dat maakt de keuzes hopelijk scherper.

Met voorstellingen van Válastur, Cecilia Bengola/François Chaignaud en Ari Benjamin Meyers/Tino Sehgal.


27/4 Theater Kikker en 28/4 Stadsschouwburg, Utrecht.


Het was een spectaculair, spannend slot van de allerlaatste Springdance: Symphony X, een minimalistisch stuwende maar ook jazzy swingende compositie van Ari Benjamin Meyers, uitgevoerd door het zestienkoppige Redux Orchestra en geënsceneerd door beeldend kunstenaar Tino Sehgal. De choreografie ontstond ter plekke, in het bewegen van musici en toeschouwers samen op het toneel van de Stadsschouwburg.


Hoe fysiek en intiem je de ruimte, de compositie ervaart, is aan jou. Je kunt de losjes verspreide musici en hun dirigent (Meyers zelf) van een afstand bekijken, of dicht langs ze lopen en over hun schouder de partituur meelezen. Als je het lopen zat bent (er zijn geen stoelen voor het publiek) kun je op de grond gaan zitten of liggen of wat danspassen wagen, zoals de paar opvallend onopvallend aanwezige performers. Je verhouding tot het beeld verandert bovendien doordat de musici zelf ook van plek wisselen.


De definitie van dans is mettertijd opgerekt. Sinds de oprichting in 1978 heeft Springdance de ontwikkelingen in de hedendaagse internationale dans gevolgd en dus meegemaakt hoe choreografen en dansers steeds vaker op de grens van performancekunst zijn gaan opereren. In die zin is de 'constructed situation' van Sehgal, die dans studeerde maar zich nu als beeldend kunstenaar profileert en grote musea als Guggenheim en Tate Modern bespeelt, een passend einde van Springdance.


De voorgenomen fusie met het multidisciplinaire Festival a/d Werf kan dwingen tot scherpere keuzes. Prima, het voorkomt wellicht een blooper als The Rodin Project of wéér een Ivo Dimchev die al op elk festival staat. Scherpere keuzes zijn bovendien noodzakelijk. Want hoezeer de grenzen tussen de kunsten ook vervagen, het primair denken vanuit beweging brengt nog altijd heel andere voorstellingen voort dan het primair denken vanuit beeld of tekst. Het zou jammer voor het danspubliek zijn als die ingang straks het onderspit delft.


Deze laatste editie van Springdance, met dans en beeldende kunst als thema, was absoluut interessant, hoewel soms niet kritisch genoeg. Ze heeft laten zien dat een sterk concept (Sehgal) overwint, dans of geen dans, en dat een beetje flirten met ballet (beeldend kunstenaar Martin Creed) geen meerwaarde oplevert. Ze bewees ook dat choreografen gebaat kunnen zijn bij de visuele kracht van de beeldende kunst (Batsheva, Kate McIntosh), maar dat alleen mooie beelden niet genoeg zijn voor een pakkende voorstelling. Het verloop in tijd, een zekere ontwikkeling, maakt theater toch echt anders dan beeldende kunst.


Een voorbeeld van hoe het mis kan gaan was Sylphides, van Cecilia Bengola en François Chaignaud. Het beeld is fabuleus: lichamen vacuüm gezogen in zwarte latex, er steekt alleen een pijpje uit om door te ademen. De liggende 'pakjes vleeswaren' weten zich met veel moeite rechtop te wurmen tot standbeelden. Meer is het niet.


De parel van het festival zat ook in het laatste weekend, in de kleine zaal van Theater Kikker. Lang van Kat Válastur is hypnotiserende dans met een grote beeldende kwaliteit, dubbel raak dus. Twee mensen staan als origineel en schaduw achter elkaar in een vage druppel licht. Ze komen niet van hun plaats, maar reizen des te verder. Ze doorlopen een sequentie van repeterende, geleidelijk vervormende bewegingen op een al even minimalistische, galmende soundscape. Het draaien op de bal van hun voeten is onophoudelijk. Daarbij gaat geleidelijk het hele lijf mee cirkelen. Tot ze vogels worden die willen opstijgen. Simpel maar prachtig.


Meer over