Dans je ongans

Danser sa vie, de tentoonstelling in het Centre Pompidou over raakvlakken tussen dans en beeldende kunst is een feest. En verslavend. En een beetje te veel.

Moest je Danser sa vie in één beeld samenvatten, dan is het ANT82, Anthropométrie de l'époque bleue (1960) van Yves Klein. Een onmogelijke titel voor een op het eerste gezicht zeer overzichtelijk werk. We zien naast elkaar vijf figuurtjes op wit doek, die hupserig loskomen van de grond. Het opvallendst zijn hun grote ronde oren. Vijf maal Mickey Mouse, die zich verheugt op zijn afspraak met Minnie.

Tegenover dat doek, in werkelijkheid ongeveer 3 meter breed, wordt een film vertoond. Naakte vrouwen beschilderen hun voorzijde zorgvuldig met blauwe verf. Ze wentelen zich er ook in, en laten zich rondslingeren. Als ze echt helemaal blauw zijn, drukken ze hun lichaam stevig tegen een groot wit doek dat tegen een muur is gespannen.

En kijk, daar verschijnt op dat doek de eerste kleddernatte Mickey Mouse. Hun borsten vormen zijn oren, hun buik is zijn gezicht, de benen blijven benen. Dat het lijkt alsof hij springt, komt doordat hun onderbenen het doek niet raken.

Zonder die wordingsgeschiedenis zou ANT82 een curieus ding zijn, met een ergerniswekkende naam. Het zien van het ontstaan maakt alles anders. De film maakt ook zichtbaar dat het Klein diepe ernst is met deze performance, op die 9de maart 1960, in de internationale galerie voor moderne kunst in Parijs. De blote modellen zijn zeer geconcentreerd terwijl ze zich blauw maken, het keurig geklede uitgaanspubliek kijkt belangstellend toe en Klein zelf dirigeert een orkestje van negen man dat zijn Symfonie Monoton-Silence uitvoert.

'De tijd van het penseel was voorbij', zou Klein later toelichten. 'Eindelijk zou mijn kennis van het judo me van pas komen. Mijn modellen werden mijn penselen.' Modellen die uren hadden getraind om hun performance van hooguit 5 minuten uit te voeren. Waarmee de daad van het schilderen een choreografie werd.

Danser sa vie heet de grote wintertentoonstelling in het Centre Pompidou in Parijs. De titel is ingegeven door Isadora Duncan, de Amerikaanse danseres die begin vorige eeuw de dans uit zijn klassieke ketenen bevrijdde.

Er zijn vaker tentoonstellingen gehouden over de raakvlakken van dans en andere kunsten. Je komt er doorgaans een aantal vertrouwde figuren tegen. De Ballets Russes natuurlijk, die samenwerkten met Picasso en Cocteau, met Bakst en Chagall. Oskar Schlemmer vervolgens, de danskunstenaar van het Bauhaus, wiens Triadische Ballett, mede omdat het zo zelden is uitgevoerd, altijd een waas van geheimzinnigheid heeft gehouden. Danser sa vie toont een aantal kostuumontwerpen en foto's van zijn Bauhaustänze.

Ook Henri Matisse ontbreekt nooit. In Parijs krijgt zijn ruim 12 meter brede paneel La danse de Paris (1931 - 1933) de taak de bezoekers welkom te heten. In grijs, zwart, hard roze en blauw legde hij het wezen van de dans vast. Het is niet de dans van de graatmagere ballerina's van de opera. Nee, zijn lijven zijn robuust, met brede dijen en ruggen waar je een last aan kunt toevertrouwen.

Matisse was in de eerste helft van de vorige eeuw een van de vele schilders met een open oog voor dans. Emil Nolde kon er geen genoeg van krijgen, hij schilderde danspionier Mary Wigman, maar ook ballroomdans en music hall. Ook voor Kees van Dongen, Francis Picabia, Ernst Ludwig Kirchner en Sonia Delauney was dans een bron van inspiratie.

Hun werk is in overvloed te zien op Danser sa vie - dat kun je aan het Centre Pompidou rustig overlaten. Het beschikt over een van de grootste verzamelingen 20ste-eeuwse kunst ter wereld. Zo wordt van Delauney niet alleen het immense doek Le Bal Bullier (1913) getoond, maar ook Le P'tit Parigot, de dansfilm waarvoor ze decor en kostuums maakte.

Maar wat de tentoonstelling zo bijzonder maakt - en tegelijk zo onbevredigend - dat zijn de vele films en video's; zelden zal het Pompidou zo beweeglijk zijn geweest. Dans is de meest vluchtige kunstvorm: voor je ogen verdwijnt het om nooit meer in dezelfde gedaante terug te komen.

Video en film zijn de middelen die het meest geschikt zijn om die vluchtigheid vast te leggen. Dat inzicht ontstond al vroeg. De oudste opname op de expositie is een door de gebroeders Lumière geproduceerd filmpje van Loïe Fuller uit omstreeks 1899. Fuller, een Amerikaanse danseres, bracht haar publiek in vervoering met haar sluierdansen. Ze wikkelde zich in meterslange doeken, tolde om haar as en zwaaide met haar met stokken verlengde armen. Het effect moet dat van een draaikolk zijn geweest, of van een dansende derwisj.

Fuller was nog een theaterdanseres, al stond ze ver buiten de traditie van de balletgezelschappen die optraden in de operahuizen van Europa en Amerika. Ook van Isadora Duncan wordt zo'n vroeg filmpje vertoond. Met haar maakt de dans zich los van het theater. Ze danst haar exaltatische wervelingen in een tuin te midden van omstanders, als een pauzenummer op een receptie. Er wordt beleefd naar haar gekeken.

Heel soms moeten de wandelaars van de vroege 20ste eeuw vreemd hebben opgekeken. Op een open plek in de bossen, langs de oevers van een kaarsrecht riviertje of in de tuinen van een kasteel konden ze stuiten op een groepje jongeren, doorgaans gekleed in wijde witte gewaden, maar soms ook in - zeker voor die tijd - weinig verhullende pakjes. Die hupsten en trippelden, hielden elkaars hand vast en zwaaiden die boven hun hoofd, bokten in polonaise om dikke bomen. Hun gedartel zou later in getemde vorm terugkeren in de Körperkultur, die vooral in Duitsland school maakte. Wege zu Kraft und Schönheit, dat was volgens Professor Preiss of Wilhelm Pranger hoe de dans moest worden gezien.

De foto's van die vrije dans laten de onbekommerde naïviteit zien, die pas door de Tweede Wereldoorlog zou worden gebroken. Veel Duitse dansers en choreografen, zoals danstheoreticus Rudolf von Laban maar ook Wigman, zou pas ver in de jaren dertig de ogen worden geopend voor het fascisme.

Drie diepe sporen hebben de inrichters van deze expositie willen trekken: de dans als een persoonlijke vorm van expressie (alles van Duncan tot De Keersmaeker); de dans als abstractie van het lichaam (Fuller, maar ook Bauhausdans en zelfs Maurice Béjart); de dans als performance tenslotte (Yves Klein, Merce Cunningham, Trisha Brown).

Dat klinkt academischer dan het er uitziet. Er is op die indeling, en zeker op de manier waarop die in het Pompidou wordt ingevuld, het nodige af te dingen. Veel dans laat zich niet in dat keurslijf dwingen, of past juist in alle vakjes. Vandaar dat je soms dezelfde namen in verschillende categorieën tegenkomt.

Voor het resultaat maakt dat weinig uit. Danser sa vie is vooral wat de titel al suggereert: een onbekommerd dansfeest met inspirerende dwarsverbanden. Zoals het verband tussen de l'Après-Midi d'un faune van Nijinski (1912) en de dubbele sater die Matthew Barney tachtig jaar later ensceneerde, minder dramatisch misschien, maar zeker zo vilein. Ook vanuit Yves Klein worden dwarsverbanden gelegd: naar het fysieke schilderwerk van Jackson Pollock, naar Jan Fabre, maar ook naar de Japanse butoh-dans, waar dansers vaak elementen als zand of meel gebruiken.

Een wonderlijke vondst is het spektakel van Lavinia Schulz en Walter Holdt; twee Duitse dansers, die in de vroege jaren twintig danspoppen maakten. Waar je in Schlemmers Bauhausdansen verre voorlopers van robots kunt zien, daar doen de poppen van Schulz en Holdt aan gepimpte inboorlingen denken, met bolle ogen, draadhaar en een dolle blik. Schulz doodde in 1924 haar echtgenoot en pleegde daarna zelfmoord. Hun kleine oeuvre werd niet lang geleden herontdekt. Danser sa vie toont twee van hun wonderlijke kostuums, en video's van een reconstructie.

Veel aandacht krijgen ook de Italiaanse futuristen. Zij wilden niet veel minder dan de dans ontvoeren naar het slagveld: Dans van de vliegenier, Dans van de boordschutter, Dans van de handgranaat - dat was wat Filippo Marinetti voor ogen stond in zijn manifest Danse futuriste. Niet alle futuristen waren zo krijgsbelust.

Danser sa vie heeft een nadeel: het is te veel. De dansfilms zijn verslavend, de verleiding is groot steeds tot het einde te blijven kijken. Voor wie alles wil zien, zit er niets anders op dan je te verstoppen achter zo'n glijbaanman van Lavinia Schulz en te wachten tot de lichten doven en alle suppoosten weg zijn.

Danser sa vie

. Centre Pompidou Parijs. Tot 2 april 2012. Dagelijks m.u.v dinsdag van 11 - 21 uur.

centrepompidou.fr

In Quando l'uomo principale è una donna (2004) van Jan Fabre ontdoet danseres Lisbeth Gruwez zich van haar herenkostuum en werpt zich op een vloer van olie.

Wie geluk heeft, treft op Danser sa vie echte dansers. In een hoek van de eerste zaal, waar een tableau van Matisse de bezoekers welkom heet, voeren choreograaf Tino Seghal en zijn dansers dagelijks improvisaties uit. Aan het slot van de expositie danst, in een extreem strak zilverkleurig broekje, een paar maal per dag een gogodanser op een met lichtbollen omgeven plateau.

Tot 5 december is de befaamde roltrap aan de gevel van het Centre Pompidou veranderd in een regenboog van preservatieven die een tunnel voor de bezoekers vormen. Op de trappen klinkt het geluid van een hartslag. Het begint met die van een foetus, totdat op de zesde verdieping de klop van het hart van de 39-jarige kunstenaar himself klinkt. Preservation is life is de titel van deze installatie van de Ierse kunstenaar Bryan McCormack, een ode aan het voorbehoeden.

Emil Nolde: Kerzentänzerinnen uit 1912.

Adolphe de Meyer: Nijinsky à mi corps, tenant une grappe de raisins, 1914. Rechts: Costume la sorcière van Brancusi, 1922.

De beste video's

bWeinig danseressen lieten zoveel schildersharten sneller kloppen als Josephine Baker. Alexander Calder maakte haar van ijzer, Kees van Dongen zette haar in warme gloed. Op de expositie danst ze op hedendaagse techno, gefabriceerd door Jeff Mills. Als om te onderstrepen hoe tijdloos haar dans is. 'Ik zou buiten adem willen sterven, uitgeput, aan het einde van een dans.'

b Hij draaft om het doek heen, buigt, rekt zich, slingert er spetters verf op. Een schilderende Jackson Pollock is als een choreografie. De schilderijen van Jack the Dripper zijn gestolde dans. 'Als ik schilder, geef ik me geen rekenschap van wat ik doe', zei de action-painter.

bGeen hedendaagse kunstenaar balanceert zo vastberaden op het snijvlak van beeldende kunst en dans als de Belg Jan Fabre. In Quando l'uomo principale è una donna (2004) ontdoet danseres Lisbeth Gruwez zich van haar herenkostuum en werpt zich op een vloer van olie. Inderdaad, als een verre echo van Yves Klein. 'Dit is ook een onderzoek naar de lichaamssappen en die van de aarde', zegt Fabre.

bDe Hexentanz (1926) van Mary Wigman is een evergreen van de moderne dans. Het masker maakt de danseres tijdloos, de dans van Wigman opende nieuwe wegen voor alle choreografen die na haar kwamen.' De spiegel weerkaatste het beeld van een bezetene, wild en geil, vrouw en beest op hetzelfde moment.'

bVan William Forsythe worden op groot scherm twee dansen getoond: Solo (1997) en Lectures from Improvisation Technologies (2011). Wie wil weten hoe een denkende danser eruitziet, heeft aan deze twee korte films genoeg. 'We onderzoeken lichaamsbewegingen als een deel van het geheugen.'

bIn Le ballet mécanique (1924) van Fernand Léger komt geen danser voor. Wat hij in ademend zwart wit monteerde is het pulserende ritme van zuigerstangen, grijparmen, assen, tandraderen en straatbeelden. Waarmee hij de grenzen van de dans aanzienlijk oprekte. 'Alles kan bewegen. De mens wordt een mechanisme net als al het andere.'

undefined

Meer over