Dan verkoop je toch een paar Van Goghs? De koopmansgeest van staatssecretaris Van der Ploeg

Nederlandse musea puilen zó uit van de schatten, dat er makkelijk 'slapende' stukken uit de depots geruild of verkocht kunnen worden....

CAREL BLOTKAMP

BIJ DE presentatie van Mondriaans Victory Boogie Woogie op 31 augustus verdedigde staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen Rick van der Ploeg de aankoop. Voor elke televisiecamera die op hem werd gericht citeerde hij Oscar Wildes aforisme dat veel mensen de prijs weten van alles, maar de waarde van niets. Van dat onderscheid is weinig terug te vinden in het betoog dat hij vorige week hield voor de Nederlandse Museumvereniging, in bekorte vorm afgedrukt op de opiniepagina van de Volkskrant van 25 november. Het is een bonte collage van onzinnige en zinnige opmerkingen over museumbeleid, het geheel gevat in een gevaarlijk suggestief financieel verhaal.

De kunsten kosten de gemeenschap geld; het is vanzelfsprekend dat die bijdrage open staat voor discussie en kritiek. Het lijkt me echter onjuist om zoals de staatssecretaris doet over musea te spreken alsof het multinationals zijn, met vermogen, rentekosten en koerswinsten. Zo spreek je ook niet over orkesten of toneel- en dansgezelschappen. Het gevaarlijke van zijn betoog is dat de vergelijking metaforisch bedoeld lijkt maar heel reëel wordt als hij bijvoorbeeld leasen en verkopen van museumbezit aanbeveelt. De kunstmusea zijn immers rijk - alleen al de geldwaarde van de Rijksmusea wordt 'afhankelijk van de dagkoers van Van Goghs' geschat op 40 à 45 miljard gulden, een veelvoud van de Nederlandse goudvoorraad.

Kennelijk is de Hollandse koopmansgeest over Van der Ploeg vaardig geworden door de recente recordopbrengst van het zelfportret van Van Gogh. In zijn toespraak kondigt hij de stichting aan van een museaal aankoopfonds, maar even later vraagt hij zich hardop af: 'Wie gaat er nu een aankoopfonds in het leven roepen als de museumdepots uitpuilen van kwalitatief zeer goede museumvoorwerpen?' Menig lezer zal dat ook denken en wellicht uit Van der Ploegs presentatie van gegevens concluderen dat de musea voor jaren uit de problemen zijn als ze gewoon een paar Van Goghs verkopen.

De overheid investeert veel geld in de exploitatie van musea, maar relatief heel weinig in de collectievorming. Het is goed te beseffen dat het zogenaamde vermogen van de kunstmusea (dat geldt trouwens ook voor de niet-kunstmusea) voor een groot deel is ontstaan door schenkingen van particulieren en particuliere fondsen. Om een paar saillante voorbeelden te noemen: ongeveer een kwart van Van Goghs oeuvre bevindt zich in Nederlandse musea; minstens 95 procent ervan is geschonken of door de eigenaars voor een symbolisch bedrag verkocht. Voor de ongeveer 300 schilderijen en tekeningen van Mondriaan geldt hetzelfde. Van de zeven Vermeers in Amsterdam en Den Haag zijn er twee geschonken door particulieren, de derde door de Vereniging Rembrandt, de vierde is gekocht met steun van die vereniging. Ik moet er een slag naar slaan, maar ik denk dat in aantal 30 tot 50 procent, in geldwaarde meer dan 75 procent van het bezit van de kunstmusea op deze wijze is verkregen.

Het zijn overigens lang niet altijd de meest kapitaalkrachtige landgenoten geweest, zoals een mevrouw Kröller-Müller, die hun kunstbezit aan musea cadeau deden.

MONDRIAANS schitterende ovale Compositie uit 1914 in het Stedelijk Museum bijvoorbeeld werd in 1951 geschonken door Peter Alma, schilder, Sal Slijper, makelaar en Jo Steijling, gewezen kinderverzorgster en eigenares van een galanteriewinkeltje, die het ooit hadden gekocht om de schilder te steunen. Nu is het zeker 20 miljoen gulden waard, maar ook in 1951 waren de prijzen voor Mondriaans werk al aardig gestegen. Niettemin stelden zij het belang van de gemeenschap boven dat van hun eigen portemonnee. En zoals zij zijn er duizenden geweest. Tegenover hen, hun erven en potentiële toekomstige schenkers mag wel wat meer bescheidenheid en bedachtzaamheid inzake de omgang met museumbezit worden verwacht dan de staatssecretaris in zijn toespraak tentoonspreidt.

Dat het kabinet 100 miljoen gulden beschikbaar stelt 'voor de uitvoering van de Wet tot behoud van cultuurbezit en voor aankopen in het kader van de Collectie Nederland' klinkt als een royaal gebaar, maar het is een fonds waarvan alleen de rente besteedbaar is. Het gaat in feite om circa 5 miljoen gulden per jaar. Dat is een schijntje als daarvan én de Wet moet worden uitgevoerd, én de gezamenlijke Nederlandse musea extra moeten worden ondersteund. Het landschap van Cézanne dat onder de genoemde Wet viel, en dat na jaren geharrewar met Van der Ploegs voorganger Nuis door een particuliere stichting werd gekocht en in bruikleen gegeven aan Museum Boijmans Van Beuningen, kostte 15 miljoen gulden. Dat zou drie jaar sparen vergen van de rente van het fonds - en al die tijd geen cent extra voor andere aankopen.

Het fonds biedt enig soelaas, maar er is weinig reden tot juichen. De Nederlandse musea klagen terecht al jaren dat de aankoopbudgetten beschamend laag zijn, op zichzelf beschouwd en vergeleken met buitenlandse instellingen van dezelfde statuur. Sinds hun verzelfstandiging hebben alle rijksmusea tezamen (waaronder dus het Amsterdamse Rijksmuseum met al zijn afdelingen, het Mauritshuis en het Museum Kröller-Müller) per jaar 2,2 miljoen gulden te besteden. Ter vergelijking: de National Gallery in Londen, die alleen schilderkunst tot 1900 verzamelt, ontvangt in haar eentje 3 à 4 miljoen pond, de National Gallery of Scotland in Edinburg 2 miljoen pond. In Nederland is de jaarlijkse steun van de particuliere Vereniging Rembrandt al hoger dan het reguliere aankoopbudget van de gezamenlijke Rijksmusea.

'Waarom streven musea eigenlijk naar steeds grotere collecties', vraagt Van der Ploeg zich af, en dat is natuurlijk wel een zinnige vraag. Ik geloof echter niet dat in de musea in kwantitatieve termen wordt gedacht. Het zijn geen postzegelverzamelingen, waarbij compleetheid voorop staat. Het gaat om de verbetering van het bestaande collectiebeeld, om het opvullen van evidente hiaten en wat de hedendaagse kunst betreft om het selectief verwerven van wat nu gemaakt wordt, zodat niet alleen wij maar ook toekomstige generaties daarvan kennis kunnen nemen. Dat is waar musea voor zijn en waar de bezoekers uit binnen- en buitenland voor komen.

Genoeg over geld en getallen. De staatssecretaris wil met zijn toespraak de discussie stimuleren over cultuuroverdracht en de rol daarin van musea, hun collecties en hun activiteiten. Die discussie wordt bij vlagen al gevoerd maar ze kan wel wat actiever, coherenter en principiëler worden - daar ligt een taak voor de Nederlandse Museumvereniging. Elke stimulans of bijdrage daaraan is welkom.

V AN DER PLOEG geeft een voorzet: 'We moeten een debat voeren over de status van onze kelders. Enerzijds moeten we ons afvragen hoe we onze collecties kunnen mobiliseren, en anderzijds hoe we met behulp van moderne middelen het erfgoed toegankelijk en zichtbaar kunnen maken.' Wat dat laatste betreft zal hij weinig tegenspraak ontmoeten. De bijdrage die hij toezegt voor digitale ontsluiting van museale collecties is een druppel op de gloeiende plaat, maar de musea zouden binnen hun eigen exploitatiebudget een hoge prioriteit moeten geven aan dit reeds in ontwikkeling gezette proces.

Een moeilijker punt is het toegankelijk en zichtbaar maken van de reële objecten uit de depots, die door Van der Ploeg trouwens al te zeer worden voorgesteld als gesloten en vol slapend bezit. Veel musea putten er regelmatig uit voor wisselende opstellingen, werken worden uitgeleend voor tentoonstellingen elders, provinciale musea hebben langdurige bruiklenen van hun grote broers, en in sommige musea is een groot deel van het depot opengesteld voor het publiek in de vorm van een studiecollectie.

Maar Van der Ploeg gaat verder en noemt uitlenen of leasen aan luchthavens, postkantoren, scholen, ziekenhuizen of commerciële bedrijven als optie. Ook dat is geen nieuwe gedachte. Kunst uit de collectie van het Rijk en van de grote steden is over tal van instellingen verdeeld, maar dat heeft op grote schaal tot beschadiging en ontvreemding geleid. Deze vorm van collectiemobiliteit is in feite afschrijven van de werken op termijn. En nog iets voor een econoom om over na te denken: leasen van museumbezit betekent marktbederf voor kunstenaars en kunsthandel.

Twee andere opties worden genoemd: 'Waarom ruilen of verkopen musea niet een deel van hun collecties - ''ontzamelen'' - om zo meer middelen te verkrijgen voor verbetering en aanscherping van hun collecties (''minder is soms meer'')?' Dat is een onderwerp dat in museumkringen regelmatig ter sprake komt. Over ruil, zeker op tijdelijke basis, is men het wel eens, over verkoop veel minder, mede omdat men beter dan de staatssecretaris beseft hoeveel van het museumbezit door particulieren is geschonken.

Bovendien zou alleen verkoop van substantiële werken zoden aan de dijk zetten. Sommige Amerikaanse musea doen dat, in Europa is men er terecht nogal huiverig voor om de collectie op te vatten als potentiële handelswaar. 'Ontzamelen' lijkt me hooguit te verdedigen bij evidente doublures of bij objecten van onvoldoende belang om de zorg tot in der eeuwigheid te rechtvaardigen.

Aan de omgang met museale verzamelingen zitten veel haken en ogen. Als we willen dat nog vele generaties na ons er iets aan hebben, dan is zorgvuldigheid geboden. Veel van wat Van der Ploeg heeft gezegd, verdraagt zich daar moeilijk mee. Maar als de kern van zijn betoog is dat er meer accent moet worden gelegd op cultuuroverdracht, dan ben ik het wel met hem eens.

In het algemeen gesproken zouden de musea inventiever kunnen zijn in het tonen van hun collecties, en meer gespitst op het vinden van nieuwe wegen om een zo breed mogelijk publiek, inclusief jongeren, in het bestaan en voortbestaan ervan te interesseren.

Meer over