'Daar stond ik, met mijn plastic kip'

Sylvia Witteman

Het was zaterdagavond en ik reisde met de trein naar Amersfoort, vergezeld van een zwarte plastic kip, zowat op ware grootte, in een fleurig bestrikte cadeauverpakking. Die kip was voor vrienden die, om redenen die mij maar niet te binnen willen schieten, in Amersfoort zijn gaan wonen.

Vlak voor Utrecht stond de trein plotseling stil. En blééf stilstaan. Lang. 'Zeker weer iemand voor de trein gesprongen', opperde een gezelschap naast me in Limburgs dialect. Ik huiverde. 'Een aanrijding met een persoon', noemen de Spoorwegen zo'n zelfmoord (want dat is het vrijwel altijd) eufemistisch. Het gebeurt meer dan tweehonderd keer per jaar, ik heb het eens opgezocht - het vaakst op het traject Haarlem-Alkmaar. Terwijl ik daarover nadacht, reed de trein eindelijk weer verder, met daverende vaart Utrecht voorbij, waar ik had moeten overstappen, om pas stil te houden in het verderop gelegen Houten.

Wat nu? Eruit maar. En daar stond ik, met mijn plastic kip, op het duistere, uitgestorven station van Houten. Ik moest wateren, maar de wc's bleken op slot. Doelloos staarde ik een tijdje naar een makelaarsetalage waar huizen te koop stonden met adressen als 'Turfkorst 31','Veenbrand 17' en 'Terugval 8B'. Daarna moest ik nog steeds wateren. Zo gaan die dingen.

Dichte wc's

Na enig rondzeulen met die kip stak ik een klein kanaal over, een smal Styxje, en vond een vaal verlicht hok met daarin veerman Charon, in de gedaante van een uitgebluste Arabier.

'De wc's zijn altijd op slot na zeven uur', verklaarde hij desgevraagd. Waarom? Hij haalde zijn schouders op. Ik keek hem geruime tijd aan, zo perplex mogelijk, en verklaarde: 'Maar ik moet naar de wc...', waarop hij argwanend vroeg: 'Moet je écht?'

'Onze dialoog was niet van Shaw', zou Carmiggelt geschreven hebben, maar ik kreeg een sleutel, stak andermaal de Styx over en vond verlichting in de damestoiletten. Terwijl ik de sleutel terugbracht, hoorde ik Cerberus blaffen. Nee, ik moest hier nu écht weg. Maar de stationspoortjes verklaarden mijn kaartje ongeldig en lieten me niet meer binnen. Daar stond ik, in dat donkere schimmenrijk, helemaal alleen, mijn zoontjes in een andere stad, mijn dochter zelfs in een heel ander land, en huisgenoot P. God weet waar.

Juist toen ik overwoog die kip dan maar uit te pakken en een beetje tegen haar te praten ('Het komt nooit meer goed, kip') ging mijn telefoon. Het was huisgenoot P, die min of meer in de buurt bleek. Hij kwam me halen!

Daar was hij al, mijn Orpheus, in zijn vuilwitte Prius. En voort snelden wij, vóórt, naar Amersfoort, waar onze vrienden dolblij waren met de plastic kip.

Meer over