DAAR BLIJFT DE TIJD

De klokkenmaker zou de tijd weleens stil willen zetten, volgens de dichter blijft de tijd altijd bij ons en de filosofen zijn verdeeld....

Bij Henk Houkes hoor je de tijd verstrijken en vlieden uren, dagen en maanden voor je ogen als een schaduw heen. Je ziet de radertjes draaien, hoe de wijzers zich verplaatsen; je hoort hoe de seconden wegtikken naar de eeuwigheid en hoe elk kwartier wordt afgeroepen. Bij Henk Houkes hoef je nooit te vragen hoe laat het is.

Hij is 55, ruim dertig jaar in het vak. Prachtig vak. Henk Houkes maakt de tijd, staat er op zijn website. Als dat geen goddelijke roeping is.

Houkes is klokkenmaker in Schagen en in zijn atelier aan het Laanplein hangen tientallen klokken. De meeste wachten op reparatie of restauratie, andere op een koper. Henk zelf kijkt door een vergrootglas naar het binnenste van een klok, met het kleinste schroevendraaiertje ter wereld in zijn hand.

In de etalage staat het uurwerk van de Grote Kerk van Schagen. Daar zorgt nu een computer ervoor dat de wijzers de juiste tijd aangeven. Henk heeft het oude binnenwerk gered van de sloop. Degelijk vakwerk van de gebroeders Van Bergen uit Midwolda, 1897.

Ik had Henk Houkes opgebeld om te vragen of hij, als maker van de tijd, misschien ook wist waar die na gebruik bleef. 'Kom morgen maar langs', zei Henk. 'Dan denk ik er vanavond nog even over na.' Henk Houkes had altijd tijd voor een praatje.

Het is de laatste dag van het jaar Onzes Heren 2005.

'Ik heb 2004 nog maar amper verwerkt! Wát zeg ik? Ik moet nog steeds wennen aan het nieuwe millennium.'

'Hou op man. Voor mij is het nog maar net 1980. Eergisteren ging ik naar de kleuterschool, gisteren kreeg ik mijn eerste baan en morgen ga ik met pensioen. Waar blijft de tijd?'

'Ja, waar blijft die eigenlijk?'

De Spaanse dichter Louis de Góngora y Argote (1560-1627):

Wil ik van de sterren leren

waar gij, Tijd, gebleven zijt,

blijkt dat gij met hen verglijdt

zonder met hen terug te keren.

Hoe kan ik uw loop traceren,

niemand houdt u immers bij?

Maar ach, wat verbeeld ik mij

dat gij telkens zijt vervlogen;

gij blijft, Tijd, steeds onbewogen

en slechts ik, ik ga voorbij.

'Dat lijkt me wel toepasselijk, voor je speurtocht', zegt Jean-Pierre Rawie, die het gedicht uit het Spaans vertaalde en opnam in zijn prachtbundel Verzamelde verzen.

Jean-Pierre Rawie, de Groningse romanticus die in zijn verzen met zoveel vuur de vergankelijkheid bestrijdt, die zal toch zeker wel weten wat dat is, tijd? En als hij dát weet, dan zal hij toch ook wel een vermoeden hebben waar de tijd blijft?

'Wat ís tijd, meneer Rawie?'

De dichter zucht diep. 'Da bin ich überfragt', zegt hij eerlijk. 'Ik ben nu eenmaal dichter en geen filosoof.' Bovendien is het pas half elf in de ochtend, feitelijk een absurd tijdstip om dit soort heikele kwesties aan de orde te stellen. Die lenen zich meer voor het late avonduur, onder begeleiding van een door tijd en hout gerijpte versnapering.

Hoe gelukkig was de Hopi-indiaan! Geen woorden voor tijd en ruimte, dus ook geen sores over tijd en ruimte. Geen verleden tijd voor de werkwoorden en ook geen toekomende tijd, dus lekker praten over het hier en nu, en verder geen gedoe over toen en straks.

Bring on the philosophers!

Zeno: Tijd bestaat niet.

Plato: Tijd is een leegte waarin gebeurtenissen worden geplaatst.

Aristoteles: Tijd bestaat niet onafhankelijk van de gebeurtenissen die zich in die tijd afspelen. Wie praat over tijd, praat over gebeurtenissen en relaties tussen gebeurtenissen. Tijd is de maatstaf van verandering.

Descartes: Tijd is een goddelijk proces van herschepping.

Newton: Tijd en ruimte zijn een oneindig grote container voor alle gebeurtenissen.

Leibniz: Tijd heeft gebeurtenissen nodig. Tijd heeft noodzakelijkerwijs een ordening van elk paar niet-simultane gebeurtenissen.

Tijd is orde.

Kant: We hebben geen directe perceptie van tijd, alleen het vermogen zaken en gebeurtenissen in de tijd te ervaren.

Nietzsche: De beweging van ontstaan en vergaan noemen we tijd.

McTaggart: Tijd bestaat niet. Het verschijnsel van temporele orde is verbeelding, een illusie.

Tijd is de verzameling momenten.

Tijd is de dimensie van causaliteit. Gebeurtenis A vindt plaats vóór gebeurtenis B, als A B kan hebben veroorzaakt maar B niet A.

Tijd is wat voorkomt dat alles tegelijk gebeurt. Mooie chaos zou het worden, zonder tijd.

Nuttig vak, de filosofie. Maar het geeft je niet altijd het gevoel dichter bij de waarheid te komen.

Dat wist Aurelius Augustinus van Hippo (354-430) ook. En hij deed nog wel zo zijn best de waarheid te betrappen. Weinig filosofen braken zich zo magistraal het hoofd over het verschijnsel tijd als hij. In Boek XI van de Belijdenissen maakt Augustinus zich tot woordvoerder van alle zoekers naar het geheim van de tijd. En van iedereen die daarvan wel eens schele hoofdpijn krijgt. Zestien eeuwen later is het geworstel van de bisschop nog navoelbaar.

Tijd, wát is tijd?

De verleden tijd, het heden, de toekomende tijd, korte tijd en lange tijd, tijd en de beweging der dingen, tijd en het heelal, het begin van de tijd en het einde, tijd en eeuwigheid, Augustinus laat geen aspect van de tijd onbesproken.

Het lijkt er soms op dat hij aan de enorme geestelijke inspanningen ten onder zal gaan. 'Houd moed, mijn geest', jut hij zichzelf op. 'En ga krachtig door.'

Maar uiteindelijk moet ook hij, de briljante denker, zich gewonnen geven.

Wat is tijd? Wát, mijn God, Schepper van de Tijd, ís tijd?

Augustinus: 'Als niemand het mij vraagt, weet ik het; maar als men het mij vraagt en ik wil het uitleggen, weet ik het niet meer.'

Ja, hallo. Met die smoes ben ik nog een paar keer lelijk gestraald bij mondelinge examens.

'Het is tijd, u bent gezakt. U wist niks.'

Eén vraag stelt Augustinus zichzelf overigens niet.

Waar blíjft de tijd?

In 1983 werd Peter Winnen derde in de Tour de France, op 4 minuten en 9 seconden van de winnaar, Laurent Fignon. Waar bleef die tijd? Waar waren die 249 seconden gebleven? Cruciale vraag. De wielrenner moet weten wat tijd is, tijd is zijn raison d'être. Hij mag zich heroïsch van berghellingen storten of rustig voortpeddelen in de wandeletappe, uiteindelijk gaat het om de tijd tussen start en finish, gerelateerd aan die van anderen.

Peter Winnen is nu schrijver, maar zijn oude stiel was de snelheid. En snelheid, ontdekten we in de achttiende eeuw, is het kind van tijd en ruimte. Toen werd de wedloop van de menselijke beweging opeens een stuk leuker. We gingen hem meten, in tijd. We gingen op zoek naar het record.

'Peter Winnen, wát is tijd? Zeg het maar hoor.'

'Tijd beschouw ik als mijn grote vijand', zegt Peter Winnen. 'Omdat ie altijd te kort is.'

'En waar blíjft de tijd?'

'Die sleep je mee. Neem bijvoorbeeld de opvoeding die je hebt gehad. Die blijft bij je, als een blok aan je been. Het verleden is steeds aanwezig. De tijd verdwijnt niet, hij blijft.'

En soms verdwijnt hij overigens ook weer wel. Winnen had het wel eens, bijvoorbeeld aan het eind van een lange duurtraining. Dat zich een ongekende werkelijkheid openbaarde, waarin de wielrenner zich opeens terugvond in een grote oneindigheid van tijd en ruimte. Dan beschouwde hij zichzelf, niet gehinderd door tijdsbesef of de ellendige klok of wat dan ook. 'Dat waren momenten die gelukkig maakten', zegt Peter Winnen.

De tijdjager in de oneindige tijdloosheid, een bijzondere combinatie. En typerend voor de subjectiviteit van het begrip tijd. 'En dan had je natuurlijk ook nog de bonificaties. Kreeg je zomaar tijd terug. Dat was toch ook wel bijzonder.'

In 1905 veranderde de tijd. Of althans onze visie op tijd. Albert Einstein presenteerde zijn relativiteitstheorie. Tijd bleek niet absoluut. Tijd kon oprekken en inkrimpen. Snelheid vertraagde de tijd - iets waarmee ze in de sport nooit rekening hadden gehouden. Tijd had een begin; de oerknal baarde ook de tijd. Tijd was een bouwsteen van de ruimtetijd, de vierde dimensie. Einstein: 'Men verstaat onder de tijd van een gebeuren de aanduiding van het horloge in de onmiddellijke nabijheid van de gebeurtenis.'

De astronoom Hevelius kwam in 1690, na langdurige berekeningen en bestudering van de heilige boeken, in zijn Prodomus Astronomiae tot de conclusie dat de aarde was geschapen op 24 oktober in het jaar 3963 voor Christus, en wel om zes uur 's avonds. Dit, bleek later, klopte niet. De aarde was ouder.

Het heelal ontstond 13,6 miljard jaar geleden. Aan geen seconde is zoveel gerekend als aan de eerste seconde van het ontstaan van het heelal, de seconde na de oerknal waarin tijd en ruimte ontstonden. Het was een seconde waarin het heelal van een onzichtbaar iets uitdijde tot iets onmetelijks. Het was een onvergetelijke seconde, veruit de meest opwindende van de vele miljoenen miljarden seconden die nog zouden volgen. Het was de tel waarin een bal energie materie werd.

Toen die machtige seconde begon, het ogenblik dat in de natuurkunde met t>0 wordt aangegeven, kon je nog antwoord geven op de vraag 'Waar blijft de tijd?'. Er was geen tijd, dus hij bleef ook nergens. Maar daarna werd het ingewikkelder.

'Alle kunst gaat over het voorbijgaan van de tijd', zegt Jean-Pierre Rawie. 'Kunst probeert de tijd stil te zetten, denk maar aan stillevens. Of kunst probeert een voorbije tijd weer op te roepen. En soms lukt dat. Zo lang een gedicht duurt, lukt het.' Zo lang je Prousts A la recherche du temps perdu leest misschien ook wel. Maar dat kost veel tijd.

Wanneer Jean-Pierre Rawie ergens voorleest, vragen de mensen hem vaak: waarom zijn uw gedichten toch zo somber? En dan antwoordt hij: 'Ze zijn niet somber, maar wel ernstig. Omdat ik mij als denkend mens bewust ben van de eindigheid.' En dat is nu eenmaal niet iets om de slappe lach van te krijgen, dat is een tamelijk verschrikkelijke affaire. Al moet je er, adviseert Rawie, ook weer niet 24 uur per etmaal bij stilstaan, want dan word je gek.

'Maar waar blijft de tijd, meneer Rawie?' Waar blijven toch de jaren die de afstand tussen ons en het einde van onze tijd alsmaar verkleinen?

Ditmaal is de dichter niet overvraagd. In de kunsten, zegt Rawie, is die vraag namelijk goed te beantwoorden. Als je tenminste bereid bent altijd naar kunst te kijken alsof het zojuist gemaakt is. Dan luidt het antwoord namelijk: de tijd is gewoon bij ons. Dan lees je de sonnetten van Petrarca alsof de dichter nog altijd op de Mont Ventoux verkeert en de gedichten van Catullus alsof je hem elk moment kunt tegenkomen in de hoerenbuurt.

Rawie maakte het een tijdje geleden mee met zijn vriend, de schilder Matthijs Röling. Die bekeek een Egyptische grottekening, toen hij uitriep: 'Maar die man kan niet tekenen!' Dat bedoelt Jean-Pierre Rawie. 'De kunstenaarsgemeenschap zit met elkaar aan tafel.' Aan die tafel bestaat de verloren tijd niet.

Prettig idee, voor de kunstenaars.

Ook in Groningen woont Peter Barthel, hoogleraar in de astrofysica van actieve sterrenstelsels.

'Professor Barthel, waar blijft de tijd?'

Of ik de film Contact met Jodie Foster heb gezien, vraagt Barthel. Goede film, zegt hij. Een astronome vangt in het heelal de beelden van een tv-uitzending met een toespraak van Hitler bij de opening van de Olympische Spelen van 1936. Die zijn in dat jaar het heelal ingereist, opgevangen door een beschaving rond de ster Vega (op 25 lichtjaren) en weer doorgestuurd.

Dat gebeurt er dus met de gebeurtenissen die de tijd vormen, zegt Barthel. Als wij ons op 31 december 2005 op een lichtjaar en vijf lichtdagen van de aarde zouden bevinden, en een krachtige telescoop op Azië zouden richten, zouden we de tsunami zien, alsof die zich op dat moment voor onze ogen afspeelde.

Zoals wij in het heelal terug kunnen kijken in de tijd - nu al naar een diffuse gloed die ons op slechts 300duizend jaar van de oerknal brengt - zo zouden we in principe ook kunnen kijken naar ons eigen verleden - mits voorzien van de benodigde technologie en afstand. 'Alles wat op aarde gebeurt reist het heelal in', zegt Peter Barthel. De aarde ontstond 4,5 miljard jaar geleden: op 4,5 miljard lichtjaren afstand zouden we dat proces als het ware live kunnen meemaken.

Dus daar blijft de tijd. In het heelal. 'Het is er dus gewoon allemaal nog', zegt Jean-Pierre Rawie verheugd. 'Ik zie daarin toch een ontmoeting tussen de denkbeelden van kunst en wetenschap.' Hij schreef er trouwens al een gedicht over ook, herinnert de dichter zich opeens.

Sterrenwacht

Wij staarden duizend eeuwen naar de

gesternten en het sterrenstof,

alsof zij een geheim bewaarden

dat ons onmetelijk betrof,

en legden lichtjaar achter lichtjaar,

oneindig verre verten in,

maar allengs helderder wordt zichtbaar:

wij staan nog maar aan het begin.

Met steeds verfijnder apparaten

ontginnen wij de eeuwigheid,

steeds ongeduldiger naarmate

de einders blijken uitgedijd,

en blijven hopen eenmaal in de

gebieden achter zon en maan

achter de sterren te hervinden

wat ons op aarde was ontgaan.

We zitten met z'n allen aan een grote tafel in het heelal. Gezellige en troostrijke gedachte.

Wat doet Peter Barthel met zíjn tijd, nu hij dit weet? 'Ik vind dat ik mijn tijd heel goed moet gebruiken. En bijvoorbeeld niet te veel televisie moet kijken.'

Peter Winnen stuurt een mail. Hij is in zijn boekenkast een boek tegengekomen waarin de Bhagavad Gita wordt uitgelegd. Een van de hoofdstukken gaat over Time the Destroyer: de onmeetbare zonder eind of midden of begin is hij in wie alle dingen beginnen en bestaan en eindigen. Toen hij het jaren geleden voor de eerste keer las, mailt Winnen, was het alsof god hem een oorvijg gaf.

God? 'Ik geloof niet dat de schepping doelloos is', zegt Peter Barthel. 'Dat er alleen maar sprake is van puur rationele natuurwetten, en verder niets: ik kan het mij niet voorstellen.' Barthel gelooft in de god van Spinoza en Einstein, de schepper die zich manifesteert in de gecompliceerde maar o zo mooie wetten van het heelal, en misschien nog wel in meer. Hij zegt: 'Kennis verdiept het mysterie.'

Ook het mysterie van de tijd. Misschien was er voor ons heelal begon een ander - met een andere tijd. Misschien zijn er meer universums - en meer tijden.

Misschien blijkt tijd uiteindelijk toch een illusie. De zogenoemde snaartheorie probeert de relativiteitstheorie en de quantummechanica bij elkaar te brengen: het allergrootste en het allerkleinste, in een theorie van alles. De snaartheorie werkt met elf dimensies.

Robbert Dijkgraaf van de Universiteit van Amsterdam is een van 's werelds toonaangevende snaartheorie-onderzoekers. Bij de uitreiking van de NWO-Spinozapremie in 2004 zei hij: 'Op die allerkleinste afstanden komt alles in de ban van onzekerheden. Zelfs de ruimte en tijd gaan meedansen. Deeltjes weten letterlijk niet meer wat onder of boven is, of wat vroeger of later is. Ruimte en tijd verliezen hun betekenis en worden een illusie.' Zeno, 2500 jaar geleden.

'Waar blijft de tijd?'

'Tijd? Waar hébt u het over?'

In het atelier van Henk Houkes staat een mooie klok van Samuel Hill, rond 1800 gemaakt in Sheffield. Henk Houkes kan zomaar tien minuten naar die klok staan te kijken en wat mijmeren over de geschiedenis ervan. Waar heeft dat ding gestaan? Wie hebben er naar de wijzerplaat gekeken om te weten hoe laat het was? Alles is gekleurd door de tijd.

Henk wil de klok van Hill niet meer verkopen. Hij is eraan gehecht geraakt. De klok is een deel van zijn verleden tijd geworden.

Door al die klokken om hem heen, staat Henk Houkes vaak stil bij het verstrijken van de tijd. 'Ik zie de hele dag maar dat het verder gaat. Ik kijk naar de wijzers, en denk: nu ben je alwéér een stukje ouder.'

De tijd, zegt Henk Houkes, ontglipt je. Hij zou hem weleens stil willen zetten. Maar dat kan natuurlijk niet, als klokkenmaker. Klokkenmakers, kleine klokkenmakers evengoed als de grote, moeten ervoor zorgen dat de tijd voortgaat. 'Ik noem mezelf graag tijdmeester. Maar je bent de tijd natuurlijk niet meester. Never. Nooit.'

De tijd, hij glijdt uit je hand en vliegt bij je vandaan, zegt hij.

Meer over