D'r mag best wat meer gelachen worden

Leuk zijn valt niet mee in de exacte wetenschappen, aldus fysicus en columnist Ad Lagendijk. Daarvoor staat er vaak te veel op het spel....

IK ZIT NU zo'n dertig jaar in het vak, eerst in de scheikunde en later de natuurkunde. Maar humor, die ben ik daar zo goed als nooit tegengekomen.

Pogingen om grappig te zijn, worden overigens wel degelijk ondernomen. Net als overal worden moppen verteld. Ze zijn gewoonlijk te flauw voor woorden.

De leukste grappen komen van buitenstaanders. Van de beroemde cartoonist Sidney Harris bijvoorbeeld. Twee geleerden staan bij een bord. De één heeft een wiskundige uitdrukking opgeschreven die uitloopt op een is-gelijk-teken. Zegt-ie: wat nu komt, dat is altijd het moeilijkste gedeelte.

Of die van de vrouwelijke assistent die een zojuist gemaakte foto van de sterrenhemel aan de professor laat zien. Zegt ze: 'Het is zwart, en het ziet eruit als een gat. Ik zou zeggen: het is een zwart gat.'

Geweldig vind ik zoiets. Maar deze cartoons zijn niet van wetenschappers. Die kunnen niet overweg met humor. Waarom is dat zo?

Leuk zijn in een exacte omgeving valt niet mee. Om te beginnen is er het taalprobleem. In de exacte vakken wordt gecommuniceerd in een soort Engels met een woordenschat van niet meer dan duizend woorden. If you put this into this, you get that. Zo kan iedereen in het Engels een wiskundige formule aan een publiek presenteren. Maar er leuk in zijn, is een ander verhaal.

Amerikanen voeren in de exacte vakken de boventoon en beheersen dat Engels het beste. Dat is geen garantie voor leuk. Neem het tijdschrift The Annals of Improbable Research. De peanut butter-grap.

Vooraf dit. Alles draait in de wetenschap op publiceren: artikelen schrijven in toptijdschriften en dan de citaties tellen. Het aantal auteurs en de volgorde van die auteurs zijn een belangrijk onderdeel van dit proces. In de zogeheten Big Science (grote wetenschap), werken honderden mensen aan een project. Als die iets publiceren, zie je artikelen van vier pagina's, waarvan alleen al de namen van een paar honderd auteurs één volle pagina beslaat.

Dat verschijnsel wilde dit humoristische tijdschrift met humor te lijf gaan. Hoe doen Amerikanen dat? Ze schrijven ook een artikel, getiteld The effects of peanut butter on the rotation of the earth (Het effect van pindakaas op de rotatie van de aarde), met honderden auteurs. Daarna komt de uiteindelijke tekst van het artikel, die uit slechts één zin blijkt te bestaan: zo ver wij hebben kunnen nagaan, heeft pindakaas geen invloed op de rotatie van de aarde.

Leuk? Nauwelijks.

De eerste reden voor het ontbreken van humor in de wetenschap is dat er te weinig gemeenschappelijke culturele ervaringen zijn. Veel natuurwetenschappers hebben moeite met het Engels. Het zijn vaak zeer goede wetenschappers. Maar verbaal hebben ze geen schijn van kans tegen de eerste de beste Amerikaanse prairiepummel.

Mijn dagelijkse praktijk is in elk geval niet erg hilarisch. Wat ik mis in mijn professionele omgeving is het vermogen om het vak en de beoefenaren ervan te relativeren. Natuurlijk, wetenschap is een ernstige zaak, een zeer ernstige zaak. Maar iedereen vat het ook wel erg zwaar op.

Zelfs met vakgenoten onder elkaar wordt humor niet op prijs gesteld. Ik plaag wel eens tegen een collega in de sterrenkunde, als de zoveelste foto in de krant staat van een flonkerende sterrenhemel: het lijkt wel of er op de redactie van die krant weer een inktpot is omgevallen. Kunnen ze niet om lachen.

Het mooie van humor is dat je er meningen mee kunt uitdrukken die, indien honderd procent serieus geformuleerd, averechts zouden werken. Rechtstreekse kritiek is veel agressiever en daarom vaak ook minder effectief. Humor biedt de kans om gevestigde machten veilig aan de kaak te stellen.

Een tweede reden waarom ridiculiseren in de wetenschap niet op prijs wordt gesteld, is dat je elkaar zo hard nodig hebt. Voor je carrière. Voor de financiering van je onderzoek. Vanwege de onderlinge beoordelingen. Je artikelen moeten namelijk door je collega's worden goedgekeurd voor publicatie. Dat gebeurt anoniem, dat wel, maar het blijven je collega's. Als je aan een grote tafel zit te eten op een conferentie in Hong Kong weet je bijna zeker dat die anonieme beoordelaar bij je aan tafel zit. Dan laat je je prikkelende grappen toch maar achterwege.

Is het ontbreken van humor in de natuurwetenschappen dan een misstand? Welnee. Vakken als wiskunde, natuurkunde en scheikunde zijn springlevend en heel successvol. Natuurkunde is de meest succesvolle empirische wetenschap. Van echte misstanden is geen sprake.

Wat meer relativeringsvermogen zou echter geen kwaad kunnen. Waarom? Omdat ik denk dat de humorloze natuurwetenschappen zich onaantrekkelijk maken voor talent. Met de ondervertegenwoordiging van vrouwen in de natuurkunde, bijvoorbeeld, en ook met de afnemende belangstelling van de westerse schooljeugd voor de exacte vakken, is het voor mij overduidelijk dat er veel talent verloren gaat. Dat vertraagt de wetenschap en uiteindelijk de vooruitgang.

De exacte wetenschappen zijn hiërarchisch en gesloten, strak en humorloos. Echt mannen onder elkaar, zou ik haast zeggen. Om in dat bolwerk een gat te slaan, zeker als vrouw, is een buitengewoon moeilijke opgave. Niet alleen omdat wetenschap zo moeilijk is, ook omdat we het elkaar moeilijk máken. Wat meer ontspanning zou heel veel helpen.

Kan wetenschap dan zonder hiërarchie? Zolang als die is gebaseerd op kennis en kwaliteit, is daar niets op tegen. Dat is zelfs het ideaal. Neem Edward Witten van Princeton, de goeroe van de snaartheorie. Het gerucht gaat dat zijn prullenbak wordt nageplozen en ook dat de bak van de mislukte fotokopieën naarstig wordt doorzocht. Want dan komen zijn discipelen er misschien achter waar de Meester nu mee bezig is.

Daar lijkt me niks mis mee, zolang er flink om gelachen mag worden.

Maar vaak is de werkelijkheid minder fraai. Er wordt juist veel te veel geluisterd naar wetenschappers die allang over hun hoogtepunt heen zijn. Nobelprijswinnaars worden vereerd als idolen, terwijl ik menig laureaat flauwekul heb horen uitkramen.

Wat mij betreft is de Amerikaan Philip W. Anderson bijvoorbeeld de beste natuurkundige van de laatste dertig, veertig jaar. Een echte Nobelprijswinnaar, en een zeer indrukwekkende persoonlijkheid, bovendien.

Maar toch. Ik hoorde een keer een voordracht van hem in Cincinatti, over supergeleiding. Hij legde een nieuw model uit dat hij verzonnen had. Dat bleek een model waarin de ruimte uit één dimensie bestond: zeg maar alleen de lengte, zonder breedte of hoogte.

Welnu. Als er in de theoretische natuurkunde íets van belang is, dan is het wel de dimensie van een systeem, dat weet iedereen. Tweedimensionale fysica is iets heel anders dan driedimensionale. Dus komt de vraag uit het publiek aan Philip Anderson: uw model is ééndimensionaal, terwijl de wereld om ons heen toch driedimensionaal is.

Ach, zegt Anderson: één dimensie, twee dimensies, drie dimensies, wat is nou helemaal een dimensie?

Dat, nu, is echt grote onzin. Maar stel het aan de kaak en het heet meteen kinnesinne. Ook de angst voor dat verwijt, maakt de wetenschap humorloos.

Terwijl er toch zoveel te lachen valt. Als een Duitse hoogleraar dertig promovendi heeft, dan is dat natuurlijk ronduit lachwekkend. En als een andere hoogleraar altijd zijn naam bij elk artikel van zijn lab schrijft, is dat even belachelijk. Maar probeer daar maar geen grappen over te maken.

Ik heb eens aan iemand gevraagd die honderden artikelen op zijn naam had staan, waar hij überhaupt de tijd vandaan had gehaald om ze alleen al allemaal te hebben gelezen. Hij kon er niet om lachen.

Deze tekst was onderdeel van een voordracht bij het symposium 'De noodzaak tot ridiculiseren', onlangs gehouden aan de Universiteit van Amsterdam.

Meer over