Cultuur zakt weg onder Plasterk

Erwin Angad-Gaur en Hans Kosterman roepen Plasterk op de C van zijn ministerie veel meer aandacht en geld te geven dan hij nu doet....

Erwin Angad-Gaur en Hans Kosterman

Zoals voor de verkiezingen van 2006 bij bestudering van de verschillende partijprogramma’s al opviel: cultuur lijkt qua prioritering op de politieke agenda op een dieptepunt te verkeren. Het feit dat na de val van het kabinet Balkenende II de functie van staatssecretaris van Cultuur werd opgeheven – dat kon de minister van Onderwijs er voorlopig wel bij doen – was al een teken aan de wand.

Helaas lijkt ook de huidige minister van OCW, Ronald Plasterk, cultuur er vooral bij te doen, voornamelijk omdat hij het klaarblijkelijk wel leuk vindt zijn gezicht bij culturele evenementen te laten zien. De in 2000 nog vrijwel Kamerbreed gedragen motie-Melkert die pleitte voor geleidelijke verhoging van het kunstbudget tot 1 procent van de rijksuitgaven lijkt intussen – ook door deze PvdA-minister – allang vergeten te zijn. Afweziger is het departement Cultuur zelden geweest bij voor het culturele veld belangrijke discussies; afwijzender, zelfs over adviezen van de Raad voor Cultuur om het budget te verhogen omdat de beleidsvoornemens anders niet uitvoerbaar zijn, was een bewindspersoon ook zelden.

Toch wordt de nood steeds hoger. Door toenemende mediaconcentratie verkeren exploitanten van entertainmentproducties bijvoorbeeld steeds vaker in een machtspositie tegenover auteurs, artiesten en acteurs. Onderzoek van het Instituut voor Informatierecht (IVIR) van de Universiteit van Amsterdam stelde al in 2004 de juistheid van deze constatering vast en deed aanbevelingen voor wetswijzigingen. Tot op heden bleef het daarna angstwekkend stil. Dat het hier om een wel zeer hete aardappel gaat, bleek uit de Kamerbehandeling van de beleidsvoornemens van het kabinet met betrekking tot auteursrecht op 9 april. Verschillende fracties vroegen de minister waarom de wetswijzigingen naar aanleiding van het IVIR-rapport, die al voor 90 procent geschreven zijn, niet in de Kamer komen. Het antwoord van de minister van Justitie was dat, door personele problemen en drukte, het voorstel voor onbepaalde tijd wordt doorgeschoven.

Van de minister van Cultuur werd al helemaal niets vernomen.

Dezelfde pijnlijke stilte was tot op heden te bemerken binnen de diverse discussies over auteursrechten en met name die rond de Thuiskopieregeling. Bij besprekingen onder leiding van het ministerie van Justitie, eind vorig jaar, met vertegenwoordigers uit het veld, waarbij ook ondergetekenden namens auteurs en uitvoerend kunstenaars aanwezig waren, was het ministerie van Plasterk, hoewel telkenmale expliciet door Justitie uitgenodigd, consequent afwezig. (het ministerie van Economische Zaken liet zich consequent wel vertegenwoordigen). Plasterk beperkte zich ertoe in een openbare redevoering voor Europese harmonisatie te pleiten, maar enige richting gaf hij daarbij uiteraard niet aan.

Onderzoek door bureau Research voor Beleid toonde inmiddels opnieuw aan dat het basissalaris en zeker het salarisperspectief van orkestmusici in Nederland veel te laag is om het huidige niveau (en het daarmee samenhangende internationale aanzien) te handhaven.

Het gesubsidieerde kunstonderwijs valt intussen uit elkaar. Bijna maandelijks verdwijnen bijvoorbeeld gemeentelijke muziekscholen. Voor een aantal grotere podia dat voorheen in de Cultuurnota was opgenomen valt voor de nabije toekomst hetzelfde te vrezen nu ook hier de rijkssubsidie niet geoormerkt aan de gemeenten zal worden overgedragen.

Allemaal voorbeelden waar de rechten en beloning van kunstenaars onder druk staan. Gebieden die vragen om visie, beleid, wetgeving, verruiming van budget of ten minste de bereidheid expliciet pijnlijke keuzes te maken.

Met ingang van 2009 kunnen bovendien alleen nog de instellingen die tot de ‘basisinfrastructuur’ van de podiumkunsten worden gerekend (onder meer musea die een rijkscollectie beheren, enkele toneelgezelschappen, de symfonieorkesten en de Nederlandse Opera) terecht bij het ministerie van Plasterk. Alleen die instellingen kortom waarover al vele jaren geen discussie bestaat. Daarmee stoot de minister – vrijwel ongemerkt – een belangrijke functie af, te weten de organisatie van het subsidieverdeelproces, en heeft hij zodoende in feite een mini-ministerie zonder directe ministeriële verantwoordelijkheid in het leven geroepen (het Nederlandse Fonds voor Podiumkunsten).

Plasterk blijft kortom afwezig. Hij stoot verantwoordelijkheden af in plaats van verantwoordelijkheid te nemen. Hij lijkt niet bereid een verhoging van zijn budget te bepleiten of de belangen van de culturele sector in interdepartementaal verkeer te behartigen. Cultuur en cultuureducatie verworden tot noodlijdende sectoren terwijl de minister met charmante hoed en jeugdige oogopslag glimlachend vanaf de tribune toekijkt.

Meer over