Cultureel ondernemerschap is voor de dans pure winst

Het elitaire subsidiebeleid van de overheid in de kunsten moet plaatsmaken voor investeringen, betoogt Jacques Giesbertz. En kunstinstellingen moeten zich realiseren dat zij niet zonder amateurs kunnen....

In de Volkskrant van 23 juni becommentariëren enkele vertegenwoordigers van de gesubsidieerde cultuursector commentaar op het subsidiesysteem. Ze klagen over de wijze waarop deze subsidies iedere vier jaar worden toegekend en vragen zich af of het buitenland de Nederlandse kunst nog wel voor vol aanziet.

Ik begrijp dit commentaar, maar het is geen nieuw geluid. Deze vertegenwoordigers praten vanuit de luxepositie van de zwaar gesubsidieerde kunst. Ze moeten zich realiseren dat kunst niet het eigendom is van de gesubsidieerde sector. De amateurkunst is veel internationaler dan men denkt: op het dansfestival de Parade in Brunssum traden vorig jaar onder meer dertig buitenlandse groepen op die 147.500 bezoekers trokken. In het buitenland neemt de cultuur inderdaad een veel prominentere plaats in, maar daar is de kunst ook meer ingebed in de samenleving door de amateurkunst.

De culturele sector is complex en gevarieerd. Het is een wereld met veel gedrevenheid, intelligentie en creativiteit. Maar aan de beleidskant is het ook een in zichzelf gekeerde wereld die veel tijd besteedt aan subsidies, fondsen, adviezen en plannen. Hierdoor leeft de gesubsidieerde cultuursector in een cocon. Het huidige systeem creëert plannenmakers en slijmschrijvers in plaats van authentieke kunstenaars

en ondernemers. Als ondersteunende instelling voor amateurkunst konden wij tot voor kort prima uit de voeten met het beleid van de Raad van Cultuur. Ondernemerschap werd aangemoedigd. Uit het jongste advies van de Raad blijkt de koers gewijzigd. Hij lijkt blind te zijn voor het ondernemerschap in onze sector en bekijkt marktgerichte, ondernemende activiteiten van ondersteunende instellingen met argusogen. Het moet vraaggericht, maar dan zonder te concurreren.

Wat is het nu? Baseren culturele instellingen zich op subsidiebeleid van de overheid of op de vraag van de markt? Deze tweeslachtige benadering van de Raad creëert hybride organisaties. Dat klinkt chic, maar in de praktijk is het een bepaald onfortuinlijke spagaat.

Waar vraag is, ontstaan aanbieders. En waar aanbieders vraaggericht opereren, ontstaat concurrentie. Maar het Landelijk Centrum voor Amateurdans (LCA) mag nu niet meer concurreren met bijvoorbeeld andere aanbieders van dansopleidingen. Ongevoelig voor deze werkelijkheid houdt de Raad vast aan de vertrouwde stramienen, zoals een gedetailleerd en daarmee rigide vierjarenplan als de maat voor de subsidieverstrekking. Hoe kun je flexibel inspelen op de vraag als de planning zo strikt is? Ieder afwijking wordt afgestraft, al is de visie nog zo helder, de uitvoering nog zo pakkend en zijn de resultaten nog zo overtuigend .

De discussie over de toegevoegde waarde van de ondersteunende instellingen zou een stuk eenvoudiger kunnen door niet te kijken naar input of structuren en systemen, maar vooral aandacht te hebben voor de output. Het kan verhelderend zijn de werking van organisaties in de markt te bekijken. Daar heerst per definitie levendige chaos. Samenwerken gebeurt niet op basis van taken of structuren maar op basis van wederzijds belang en persoonlijke voorkeur.

Subsidies zijn voor een organisatie als de onze nu nog van groot belang. Onze bedrijfsvoering en activiteiten

zijn er op ingericht. Maar liever zouden we handen en voeten geven aan de amateurkunst door te investeren. Op dit moment wordt in de amateurkunst 90 procent door de mensen zelf geïnvesteerd: de overheid speelt een marginale rol in de amateurcultuur. Als wij in ruil voor het verstikkende subsidiebeleid de financiële vrijheid van het cultureel ondernemerschap terugkrijgen, is het voor de dansers en voor de overdracht van het cultureel erfgoed pure winst.

Investeren in de amateurkunst is ook investeren in het erfgoed van onze samenleving. Sociale cohesie, culturele integratie, meer mensen aan het bewegen, et cetera. De overheid zou zich beter kunnen opstellen als partner om maatschappelijke doelen te bereiken.

Uitgangspunt voor de verdeling van subsidiegelden is het onderscheid tussen professionele en amateurkunst. Ik vind dat onderscheid kunstmatig en arbitrair. Men gaat er stilzwijgend vanuit dat het artistieke niveau van professionals hoger is dan van amateurs. Geen enkele logica kan dit onderscheid tussen professionele en amateurkunst rechtvaardigen. Het Nederlandse bestel koestert haar kunsten bij uitstek niet op straat. Daardoor handhaaft de overheid een kunstmatige kolom van gesubsidieerde kunst terwijl de werkelijkheid veel groter is.

Terugkijkend op de dans: van de zes miljoen beoefenaars van amateurkunst zijn er zo'n 850 duizend georganiseerde beoefenaars van dans. Zij besteden ieder ongeveer vijfhonderd euro per jaar aan dans. De niet-georganiseerde dans nog niet meegerekend. Het rijksbudget voor de kunsten bedraagt in totaal zo'n driehonderd miljoen euro. De culturele koopkracht in de amateurdans is daarmee groter dan het totale budget van de rijksoverheid in alle kunsten.

Meer over