analyse

CPB waarschuwt voor de rekening ná Rutte IV

Minister Wopke Hoekstra draagt maandag zijn ministerie over aan Sigrid Kaag tijdens de ceremoniële overdracht op het ministerie van Financiën. Beeld ANP
Minister Wopke Hoekstra draagt maandag zijn ministerie over aan Sigrid Kaag tijdens de ceremoniële overdracht op het ministerie van Financiën.Beeld ANP

Het kabinet-Rutte IV slaat op het gebied van de staatsschuld een sterk stijgend pad in, berekende het Centraal Planbureau. Daarmee neemt het een risico voor volgende generaties en voor een volgende crisis.

Yvonne Hofs

Het regeerakkoord van het nieuwe kabinet legt een hoge hypotheek op de financiële draagkracht van toekomstige generaties. Als de kabinetten na Rutte IV de uitgaven niet beteugelen, zal de Nederlandse staatsschuld in 2060 ruim boven de 90 procent van het bbp uitkomen.

Dat concludeert het Centraal Planbureau (CPB) na doorrekening van het coalitieakkoord. Als de net aangetreden regeringsploeg de plannen van het vorige kabinet ongewijzigd zou overnemen, zou de staatsschuld over veertig jaar op circa 28 procent van het bbp uitkomen. Het regeerakkoord veroorzaakt in vergelijking met de Prinsjesdag-plannen dus een zeer forse toename (met 64 procentpunt) van de staatsschuld.

Als de rente op Nederlandse staatsleningen de komende jaren stijgt, zal dit verschil nog groter zijn. Ter illustratie: een rentestijging met 1,5 procentpunt zou volgens het CPB-rekenmodel resulteren in een staatsschuld van 125 procent bbp in 2060.

Het CPB benadrukt wel dat de schuldraming van 91,9 procent voor 2060 niet al te letterlijk genomen moet worden. Het is onmogelijk om op zo’n lange termijn de staatsschuld accuraat te voorspellen. Waar het om gaat, is dat dit kabinet een duidelijk dalend traject voor de staatsschuld omzet in een sterk stijgend pad.

Rob Jetten. De voormalige fractievoorzitter van D66, sinds maandag minister voor Klimaat en Energie, heeft van alle bewindspersonen het meeste geld te verdelen meegekregen. Hij mag een klimaatfonds van 35 miljard euro stukslaan om de Nederlandse klimaatdoelen te halen. Beeld
Rob Jetten. De voormalige fractievoorzitter van D66, sinds maandag minister voor Klimaat en Energie, heeft van alle bewindspersonen het meeste geld te verdelen meegekregen. Hij mag een klimaatfonds van 35 miljard euro stukslaan om de Nederlandse klimaatdoelen te halen.

Daarmee neemt het kabinet een risico, stelt het CPB. Nederland heeft de coronacrisis financieel goed kunnen opvangen, omdat de staatsschuld bij aanvang van de pandemie relatief laag was. Oud-minister Wopke Hoekstra van Financiën heeft de afgelopen twee jaar meermaals gezegd dat Nederland zich dure economische steunpakketten kon veroorloven, omdat het kabinet in de jaren daarvoor zo goed op de centen had gelet. Als het nieuwe kabinet het – zoals aangekondigd – breed laat hangen, is die schokbestendigheid verleden tijd. Bij de onvermijdelijke volgende crisis zijn er dan geen financiële buffers om op terug te vallen.

null Beeld -
Beeld -

‘Scherp aan de wind’

De Tweede Kamer reageerde dinsdagmiddag lichtelijk onthutst op de potverteerachtige uitkomst van de rekenexercitie. CPB-directeur Pieter Hasekamp gaf tijdens een drukbezochte commissievergadering voor Kamerleden een technische toelichting op de doorrekening. Denk-Kamerlid Farid Azarkan vroeg hem: ‘Is dit nou verantwoord begrotingsbeleid, volgens u?’ De CPB-econoom ontweek een waardeoordeel (‘dat is aan u, de Kamer’), maar zei wel dat het nieuwe kabinet op begrotingsgebied ‘scherp aan de wind gaat zeilen’.

Het CPB gaat niet mee in het coalitieverhaal dat het grootste deel van de ingeplande uitgaven eenmalig is en daarom géén langdurige aanslag op de rijksbegroting zou plegen. Het kabinet beweert de structurele uitgaven met ruim 13 miljard euro te verhogen. Dat is volgens het CPB een grove onderschatting. Het planbureau komt uit op meer dan 24 miljard euro structureel (uitgaven die elk jaar opnieuw gedaan moeten worden).

De rekenmeesters aan de Haagse Bezuidenhoutseweg classificeren onder andere de 35 miljard euro die dit kabinet reserveert voor klimaatbeleid als ‘structureel’, omdat het oplossen van dit probleem meerdere decennia vergt. Met de 35 miljard euro hoopt het kabinet het nationale klimaatdoel voor 2030 (60 procent CO2-reductie ten opzichte van 1990) te bereiken. Maar om het nog ambitieuzere doel van netto nul CO2-uitstoot in 2050 te halen zullen ook na 2030 nog flinke overheidsinvesteringen nodig zijn, aldus het CPB. Deze beleidsopgave zal dus ook toekomstige kabinetten tot grote financiële inspanningen dwingen.

Christianne van der Wal. De oud-partijvoorzitter van de VVD krijgt de ­beschikking over een stikstoffonds van 25 miljard euro om veehouders uit te kopen en andere stikstofmaatregelen te treffen. Als minister voor Natuur en Stikstof heeft ze veel smeermiddel ­nodig om de stikstofcrisis op te lossen. Beeld
Christianne van der Wal. De oud-partijvoorzitter van de VVD krijgt de ­beschikking over een stikstoffonds van 25 miljard euro om veehouders uit te kopen en andere stikstofmaatregelen te treffen. Als minister voor Natuur en Stikstof heeft ze veel smeermiddel ­nodig om de stikstofcrisis op te lossen.

Kerncentrale

Een voorbeeld is de voorgenomen bouw van een nieuwe kerncentrale. Het kabinet doet daarvoor een startinvestering van 5 miljard euro, terwijl volgende kabinetten waarschijnlijk nog 10 à 15 miljard euro extra moeten uitgeven om die reactor(s) ook daadwerkelijk neer te zetten. Eventuele exploitatietekorten van de kerncentrale – die waarschijnlijk voor rekening van de overheid zullen komen – kunnen de rijksbegroting na 2030 nog decennialang belasten. Het planbureau heeft het klimaatfonds en een deel van de onderwijsuitgaven daarom als structurele uitgavenposten in de berekening meegenomen.

Ook de vergelijking van de uitgaven- en lastenontwikkelingen tot 2025 laat zien dat dit regeerakkoord veel financiële pijn op het bordje van volgende kabinetten legt. De rijksuitgaven stijgen in de aanstaande kabinetsperiode met 26 miljard euro, maar de lasten voor burgers en bedrijven veranderen per saldo niet. Burgers gaan in vergelijking met Prinsjesdag iets minder betalen en bedrijven iets meer, maar het totaal aan lasten blijft volgens het CPB gelijk. Dat betekent dat het kabinet wel meer geld uitgeeft, maar die rekening voorlopig onbetaald laat.

Zo wil het kabinet boeren, burgers en bedrijven vooral met hoge subsidies verleiden tot het nemen van duurzaamheidsmaatregelen. Het kiest in het regeerakkoord amper voor het principe ‘de vervuiler betaalt’ of het simpel stellen van wettelijke normen om de gewenste vergroening af te dwingen. De beleidsinstrumenten beprijzing en normering leggen de verantwoordelijkheid en de kosten meer bij de vervuilers en zijn daardoor minder belastend voor de schatkist. Subsidies zijn voor politici altijd de populaire makkelijke weg, omdat kiezers dan op korte termijn minder pijn hoeven te lijden. De Nederlanders die later de rekening gepresenteerd krijgen zijn deels nog niet geboren en komen over drie jaar nog niet naar het stembureau.

Veel overheidsuitgaven die het kabinet nu inplant, worden pas ná deze kabinetsperiode gedaan. Daardoor valt de financiële schade aan het eind van deze rit, in 2025, nog wel mee. De staatsschuld zal in het laatste jaar van dit kabinet nog ruim onder de Europese norm van 60 procent liggen, voorspelt het CPB. Dat komt deels doordat het kabinet er volgens het CPB niet in zal slagen alle voor de korte termijn ingeplande uitgaven ook echt te doen. Dat geldt vooral voor de uitgaven aan defensie, woningbouw en infrastructuur. Die vergen volgens het planbureau een langere aanlooptijd dan waarop het kabinet rekent. Zo zal de woningbouw en de wegen- en spooraanleg waarschijnlijk vertraagd worden door een gebrek aan bouwvakkers en lange vergunningstrajecten.

Robert Dijkgraaf. De nieuwe D66-minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap krijgt 5 miljard euro voor een Fonds wetenschap en onderzoek. Dat geld mag hij besteden aan ‘het inhalen van achtergebleven investeringen in onderzoek en verdere versterking van de onderzoeksinfrastructuur’. Beeld RVD
Robert Dijkgraaf. De nieuwe D66-minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap krijgt 5 miljard euro voor een Fonds wetenschap en onderzoek. Dat geld mag hij besteden aan ‘het inhalen van achtergebleven investeringen in onderzoek en verdere versterking van de onderzoeksinfrastructuur’.Beeld RVD

De geraamde schuldexplosie komt pas nadat Rutte IV is afgetreden. Ook hier omarmt het kabinet dus de lusten, terwijl het de lasten aan zijn opvolgers laat. Het CPB nuanceert de constatering dat de financiële lasten voor volgende generaties fors zullen stijgen wel enigszins. Het planbureau wijst erop dat diezelfde generaties ook vruchten zullen plukken van de uitgaven van het huidige kabinet. Als het kabinetsbeleid werkt, leven zij straks met minder klimaatverandering en krijgen ze beter onderwijs.

Zorguitgaven

Het planbureau is ook sceptisch over de besparingen die het nieuwe kabinet na deze kabinetsperiode heeft ingeboekt op de zorguitgaven. Die besparingen zijn weliswaar niet onhaalbaar, zo oordeelt het CPB, maar zullen meer actie vergen dan de maatregelen die het kabinet in het coalitieakkoord noemt. Met andere woorden: de raming van het kabinet over de zorgkosten is te optimistisch. Extra bezuinigingen en besparingen zullen noodzakelijk zijn om de ingecalculeerde budgetbeperking waar te maken.

Op de korte termijn heeft het voorgenomen kabinetsbeleid vooral positieve effecten. De tientallen miljarden extra overheidsuitgaven stimuleren de komende drie jaar de economische groei en de werkgelegenheid. Het coalitieakkoord creëert ruim honderdduizend banen extra bij de overheid en 18 duizend banen extra in de zorgsector.

Ook de koopkracht valt hoger uit dan zij zonder het regeerakkoord geweest zou zijn. Het CPB gaat in deze doorrekening uit van een hogere inflatie (rond de 3 procent in 2022 en 2023) dan in de berekening voor Prinsjesdag. Met inachtneming van dat hogere inflatiecijfer blijft de koopkracht deze kabinetsperiode ongeveer gelijk, terwijl zij bij ongewijzigd beleid gedaald zou zijn.

De laagste inkomens (en dan vooral de werkenden) hebben het meest baat bij het regeerakkoord. Zij profiteren van de verhoging van het minimumloon. Gepensioneerden gaan er gemiddeld het meest op achteruit. De meeste pensioenen gaan in 2022 niet omhoog, terwijl de gestegen inflatie de koopkracht van ouderen aanvreet.

Meer over