COUR NAPOLÉON

De zomeravond stond stil, het licht bleef maar aarzelen tussen blijven en verdwijnen. De stad wilde de vitaliteit die de warmte vanuit zuidelijke landen meebrengt, niet opgeven en hield de avond tegen....

KEES FENS

Dat klinkt te eenvoudig, want te vertrouwd. Ik ben een paar uur geleden in Parijs aangekomen. Ik had het zeker achttien jaar laten liggen, altijd maar uitwijkend naar Londen of naar Rome, in de ene stad vormen weer terugvindend, in de andere pogend die weer te verliezen, altijd in de herfst, als een stad zich rond vijf, zes uur dichtvouwt, het licht aansteekt en mij het geluk van de anonimiteit gunt.

Ik heb heel lang graag schaduw willen zijn en daartoe gaf Londen wel de meeste kans, overdag zelfs, want de Engelsen leiden graag voor elkaar een schaduwbestaan en als ze spreken, doen sommigen alle moeite de woorden binnen te houden. Zij schrijven alles op en daardoor is hun cultuur zo rijk.

In Rome was ik in de schaduw van de geschiedenis, een kleine erfgenaam, wat verloren, maar er zijn overal moederkerken waar het veilig is, tussen heiligen die allang niet meer in zichzelf geloven. En overal om je heen is er taal - dat de Italianen nog iets voor de literatuur hebben overgehouden, is een raadsel. Er is geen stad waar ik met zo veel jaloezie naar mensen kijk en het verlangen naar een gelijke loszinnigheid ken, in taal en in gebaren. Nergens wordt zo bij het moment geleefd als in de eeuwige stad.

Ik sta daar in de Rue Rivoli, en het verkeer lijkt zich geen raad te weten van geluk, zo hard gaat het. De auto's suggereren een weelde van vrije tijd, ramen open, daken open. Zelfs het geluid heeft iets zomers. De vitaliteit van de stad lijkt niet op te kunnen. Tegenover ons ligt een vleugel van het Louvre. We steken over, gaan een poort door en dan wordt het stil. Ineens weet ik wat geluk is: dit hier en nu. We staan aan de rand van de Cour Napoléon, die vroeger de Cour Carrousel heette. Er is niemand op het plein. Ik kijk met een gulzigheid als ik lang niet heb gekeken. Schuin voor ons staat de glazen piramide. Ik ken die alleen van foto's. Hij is veel mooier, veel tederder ook - op het breekbare af - dan ik me hem had voorgesteld.

Een der oudste momumenten ter wereld in glas - het is een geniale vondst. De beslotenheid van de eeuwigheid doorzichtig gemaakt, het zware licht. En als de strenge vaders uit Egypte kan hij de eenzaamheid aan. Hij heeft genoeg aan zelfbespiegeling en die is zichtbaar! Zijn roerloosheid maakt het plein nog stiller, zijn doorzichtigheid maakt het lichter.

Ik kijk diagonaal over het plein in de verte; daar staat in alle witheid van de zomeravond, maar ook nieuw alsof hij net is gebouwd, de Carrousel, de kleine triomfboog, onder Napoleon gebouwd tussen 1808 en 1810. Het is of triomfboog en piramide elkaar verhelderen; de schemer krijgt geen kans. Waarom die naamsverandering van Cour du Carrousel in Cour Napoléon? Parijs houdt van grote namen. En het plein ligt niet ver van zijn triomfboog. Maar ik denk dat de piramide er alles mee te maken heeft. Niet een naam maakt groot, maar de tijd.

'Besef, soldaten, van de top van deze piramiden kijken veertig eeuwen op u neer.' Dat was in 1798 in Egypte, vlak voor de Slag bij de Piramiden. Vanaf de Louvregebouwen kijken eeuwen op ons neer en kunst van duizenden jaren wordt erin bewaard. En de glazen piramide speelt er met het verste verleden. De Franse cultuur blijft er een van glorie, grootheid en klein houden.

Het was een waagstuk die stilte op te gaan. De vleugel van het Louvre tegenover ons sluit zich hoogmoedig voor ons af; overzelfbewustzijn is het gebouw niet vreemd. De vleugel is genoemd naar Richelieu, de enige die in zijn lange gestalte, vergroot nog door de overdaad van het kardinaalsrood, dat zich zelfs majestueus achter hem voortsleepte, hier midden op dit plein een passende figuur zou zijn. Hij was niet klein te krijgen. Ik kijk naar de gevel; erachter ligt onze halve cultuur aan schilderkunst. En het is hier buiten even stil als het binnen moet zijn. Het licht begint tenslotte te minderen. Ook het plein begint zich in zichzelf terug te trekken. Als er stil geluk bestaat, dan heeft dat nu van mij bezit genomen. Ik ben volmaakt thuis en dat betekent ook: niet meer half.

Wij lopen door, richting Carrousel, waar het plein zich opent op de stad. Opzij van ons horen we het ingehouden geluid van vele stemmen; er branden zwakke lampen op wat een balkon lijkt en ook is: het is het terras van een café-restaurant dat Mali heet. Wij gaan even op dat terraas zitten; de mensen om ons heen praten alsof ze achter in een kerk zitten. De Cour Napoléon dwingt eerbied af. We eten die avond in een restaurant dat Voltaire heet. Ik had de grote meester graag een gemeenheid gegund. Ik kan er geen enkele verzinnen. Mijn hoofd staat naar geluk.

Misschien was het het allermooist geweest als de Cour Napoléon was overgegaan in het rozenpark dat La Bagatelle heet. Ik was er een paar dagen later, in de middag, en de rozen kregen de hitte die bij hun oosterse karakter past. Mooier park had ik nooit gezien. Wij luisterden in de bijna ondraaglijke hitte van een licht-gebouwd paviljoen naar een pianoconcert. Mooiere muziek heb ik noot gehoord, stillere ook niet.

Plein en tuin: ze hebben me Parijs laten ontdekken. Ik ben sindsdien nog maar enkele keren in Londen geweest. Het is op zijn beste plaatsen zeer voornaam, maar zelfs de mooiste straten zijn toch wat stijf en spreken binnensmonds. De stad is voor mij afstandelijk geworden, te eenzijdig mannelijk ook misschien. Een paar jaar geleden vond ik wat ik had ervaren verwoord door de Engelse romanschrijver Arnold Bennett. Van hem is de uitspraak: 'Niemand die niet intiem met en in Parijs heeft geleefd, kan de unieke smaak van het woord femme waarderen.' Hij leefde er zelf tien jaar, trouwde een Franse vrouw, keerde terug naar Engeland, waar zij zich na enkele jaren van hem liet scheiden. Ik begrijp dat.

Al die grote namen, van Napoleon tot De Gaulle - ze beheersen de stad, maar dat is schijn. Het zijn slechts de namen van de minnaars van de enige femme, de vrouwelijke stad Parijs.

Meer over