COSY CONSENSUS

W IM KOK in een fitnesscentrum. Jan Pronk als straatveger. Frits Bolkestein op de tennisbaan. Jacques Wallage als vakkenvuller. De afgelopen weken hebben we een hoop dingen op televisie gezien die we liever niet hadden gezien....

De verkiezingscampagne leverde zeker ook wel enige boeiende tv-momenten op. Het levendige lijsttrekkersdebat op bevrijdingsdag bijvoorbeeld en het majestueuze optreden van mevrouw Bolkestein bij Karel van de Graaf. Maar over het geheel genomen was sprake van een irritante over-exposure van lijsttrekkers, die bovendien zo mogelijk een nog levenlozer indruk maakten dan de personages in een VPRO-serie van Jan Blokker.

De bleekheid en braafheid van de campagne waarover al veel geklaagd is, vonden hun oorsprong in de betrekkelijk sterke eensgezindheid tussen de grote partijen. De verkiezingen, zo voorspelde The Economist vorige week, zouden 'the most mild-mannered - don't let's call it dull - parliamentary contest in Europe this decade' worden. De winnaar was eigenlijk al van te voren bekend, namelijk 'cosy consensus'.

Deze genoeglijke consensus irriteert de liefhebbers van politieke bevlogenheid, de gedrevenen die samen met GroenLinks 'voor de verandering' en politiek vuurwerk pleiten. Het, door journalisten aangewakkerde, verlangen naar opwinding in Den Haag is menselijk, maar als we kijken naar de alternatieven die de criticasters bieden, kan dit verlangen wellicht beter onbevredigd blijven.

Niet zo aantrekkelijk bijvoorbeeld klonk het gerijmel van Adriaan van Dis, die in een gênante imitatie van Herman Gorter om een 'nieuw geluid' riep en met zijn versregels over liegende Kamerleden gretig inspeelde op volkse vooroordelen over 'de' politiek. In een debat met onze onverstoorbare premier kreeg de romanticus Van Dis gelukkig geen poot aan de grond.

Ook weinig overtuigend was de harde kritiek op de Nederlandse consensus-democratie die Jos de Beus uitte in een essay over de multiculturele samenleving. De Groningse hoogleraar sociale filosofie wil meer conflicten en strijd, en ziet de multiculurele politiek het liefst als 'een arena van strevende, nerveuze mensen'.

Het accent dient gelegd te worden op 'zenuwachtigheid en snelle ontplofbaarheid op het pathologische en sectarische af'. Misschien ben ik te sceptisch, maar of (etnische) minderheden zullen profiteren van dergelijke zenuwachtigheid, waag ik te betwijfelen.

Iemand die ook gelooft dat het allemaal heel anders moet, is de publicist Jurriaan Kamp. De zweverige hoofdredacteur van het opinietijdschrift Ode heeft net een boek gepubliceerd met de aan een hartekreet van Loesje ontleende titel Het kan wél. Kamp heeft een afkeer van 'oud denken' en is op zoek naar vernieuwing.

Een interessante vernieuwende gedachte is volgens hem bijvoorbeeld de stelling van ene Bob Black dat eigenlijk niemand zou moeten werken. Black wil een eind maken aan het gezeur over productiviteit en werkgelegenheid. Overgeschakeld moet worden op een leven dat draait om spel. Discipline en werklust maken daarbij plaats voor creativiteit, feestelijkheid en gezelligheid.

Helaas niet zo nieuw maar wel door Kamp omhelsd, is de opvatting van de criminoloog Herman Bianchi dat criminaliteitsbeleid vrede moet stichten. Dit zou betekenen dat wij minder (hard) moet straffen. Bij bestrijding van misdaad is zachtmoedigheid de beste instelling. Zei Jezus immers niet dat zachtmoedigen zalig zijn en het aardrijk zullen beërven?

Het gepassioneerde geloof van Kamp in nieuwe vormen en gedachten heeft iets vertederends. De voorstellen die deze wereldverbeteraar doet, zijn echter in de regel zo naïef of ronduit dom dat ze slechts cynisme oproepen. Anders dan Kamp wil doen geloven, is het eigenlijk maar goed dat de Nederlandse kiezer niet wordt lastig gevallen met de visies van Black en Bianchi. Politiek is een serieuze aangelegenheid.

Echt blij met de verkiezingen kan de Nederlandse bevolking nauwelijks zijn. Zij verstoorden namelijk de betrekkelijk harmonieuze samenwerking tussen liberalen en sociaal-democraten waarover de meerderheid van de Nederlanders vrij gunstig oordeelde. Het is onwaarschijnlijk dat, nu de goede verhoudingen door de campagnes aangetast zijn en het machtsevenwicht door de verkiezingsuitslag is verstoord, een tweede paarse kabinet net zo succesvol zal opereren als het eerste.

Wel reden tot vreugde geeft echter het gebrek aan politieke opwinding dat we nu signaleren. Op het moment dat de relletjes van verveelde, verwende jongeren in mei '68 weer eens herdacht worden, tonen Nederlanders nauwelijks interesse voor ingrijpende veranderingen, voor weer een nieuwe periode van de verbeelding aan de macht.

Anders dan Van Dis prefereren wij de saaie Kok boven een nieuw geluid. Wij verheugen ons in een ongekende welvaart en stabiliteit, en tellen vergenoegd en zelfgenoegzaam onze zegeningen. Nederlanders, zo wist The Economist, 'have a lot to smile about'. Nu maar hopen dat de rust van mei '98 langer duurt dan het rumoer van dertig jaar geleden.

Meer over