Cosa Nostra werkt in heel Europa

ITALIAANSE MAFFIA Onderzoeksrechter Falcone werd twintig jaar geleden vermoord door de Siciliaanse maffia. Hij waarschuwde al voor de verbrei-ding van de maffia in de EU.

In 1992 haalde de Siciliaanse maffia op een ongenadige manier uit naar de onderzoeksrechters die haar sinds de jaren tachtig krachtig en met succes hadden bestreden. Op 23 mei 1992 werd Giovanni Falcone vlakbij Palermo opgeblazen. Enkele weken later - op 19 juli 1992 - volgde een even moorddadige aanslag op zijn collega Paolo Borsellino. Deze aanslagen bewezen ten overvloede dat de maffia op Sicilië een macht vormt die in staat en bereid is zich met geweld te keren tegen een overheid die probeert haar machtspositie te breken.

Zij hadden evenwel een averechts effect. De bestrijding van de maffia werd over de hele linie getransformeerd tot een krachtdadig offensief. Zo wordt sindsdien niet alleen op veel grotere schaal dan vroeger gebruik gemaakt van pentiti (maffia-spijtoptanten) om maffiosi te kunnen vervolgen, maar ook van bestuurlijke en fiscale middelen om hun economisch potentieel aan te tasten.

De moorden op Falcone en Borsellino hadden niet alleen een grote impact op het beleid van Italië. Zij waren in september 1992 voor de Europese Raad ook de aanleiding een Europees beleid omtrent de bestrijding van georganiseerde misdaad op poten te zetten. Het duurde echter nog tot 1997 voor een omvangrijk beleidsplan werd gepubliceerd.

Deze vertraging had onder meer te maken met het feit dat de lidstaten erg verdeeld waren over de ernst van het probleem van de georganiseerde misdaad, en in het bijzonder dat van de Italiaanse maffia, op het grondgebied van de Europese Unie. Er was in elk geval een nieuwe aanslag nodig - die op de journaliste Veronica Guerin in november 1996 in Dublin - voordat er op de Dublin Summit van 13-14 December 1996 werd beslist de werkgroep in te stellen die het zojuist genoemde beleidsplan formuleerde. Die moord liet zien dat georganiseerde misdaad kennelijk niet alleen een probleem in en voor Italië was.

Falcone was al in de loop van de jaren tachtig tot de vaststelling gekomen dat de Italiaanse maffia een uitdaging vormde voor heel Europa. Hij verkondigde deze opvatting in november 1990 voor het eerst op een internationaal symposium bij het Bundeskriminalamt in Wiesbaden. Die kwam er ten eerste op neer dat de maffia in de voorbije decennia met de Italiaanse emigranten was meegereisd naar landen als België, Duitsland en Frankrijk en zich zodoende hier had kunnen nestelen. Ten tweede wees hij erop dat de afschaffing van de controles aan de binnengrenzen van de lidstaten van de Europese Unie onvermijdelijk de verspreiding van maffieuze praktijken in deze en andere Europese landen zou bevorderen.

Ten derde onderstreepte hij dat een Europese Cosa Nostra natuurlijk niet ten volle zou gelijken op het Italiaanse origineel omdat zij in een andere culturele en politieke omgeving moest opereren, maar hierom niet minder gevaarlijk zou zijn. Bovendien waarschuwde hij dat men er rekening mee moest houden dat autochtone criminele groepen in de andere lidstaten zich door deze ontwikkelingen in de toekomst meer en meer zouden spiegelen aan de praktijken van de Italiaanse maffia.

In het spoor van Falcone beweren Italiaanse deskundigen sinds jaar en dag dat de maffia tegenwoordig zo'n groot gevaar voor Europa vormt dat het slechts met vereende krachten kan worden bedwongen, bijvoorbeeld door de vorming van een internationale taskforce. Het spreekt voor zich dat een moordpartij als die in Duisburg op 15 augustus 2007, waarbij zes mensen door maffia-leden van de Ndrangheta-clan werden omgebracht, de geloofwaardigheid van hun standpunt sterkt. Onlangs nog publiceerde de Nederlandse KLPD een rapport over grootschalige drugsimport en -doorvoer van Ndrangheta-leden in Nederland. Toch is het minder eenvoudig dan het lijkt om die Italiaanse experts voetstoots bij te treden. Waarom?

Niemand betwijfelt dat maffiosi zich voor kortere of langere tijd in landen als Duitsland, Frankrijk, België en Nederland schuilhouden voor de Italiaanse politie en justitie. Ook staat vast dat zij in deze landen al vele jaren betrokken zijn bij illegale praktijken zoals de handel in verboden verdovende middelen en het witwassen van zwart en crimineel geld. Tevens is duidelijk dat zij hier gebruikmaken van legale middelen als restaurants en vervoersbedrijven om die illegale praktijken te faciliteren en camoufleren.

Hier staat tegenover dat veel mensen in deze landen het idee hebben dat de Italiaanse experts een paar belangrijke verschillen tussen Italië en andere (West-) Europese landen uit het oog verliezen.

Het eerste verschil is dat er elders in de Europese Unie tot nu toe nooit is gebleken dat de Italiaanse maffia een machtspositie, laat staan een monopolie, in bepaalde sectoren van de economie heeft opgebouwd.

Het tweede verschil is dat de Italiaanse maffia buiten Italië geen politieke partijen, vakbonden of openbare besturen controleert. Met andere woorden: de maffia is zo verweven met de politieke, economische en culturele geschiedenis van (het zuiden van) Italië dat zij buiten de grenzen van dit land niet kan gedijen.

Natuurlijk is het mogelijk om deze verschillen ter discussie te stellen. Zo kan - met Falcone - worden betoogd dat de maffia, of in elk geval maffiosi, het vermogen heeft zich aan te passen aan de politieke, economische en culturele omstandigheden die elders heersen en dat men zich dus niet in slaap moet laten sussen door dat argument. Is de opbloei van La Cosa Nostra in de Verenigde Staten hiervan niet het beste voorbeeld?

Het voeren van discussies over de verbreiding van de Italiaanse maffia in Europa is nuttig als de betrokken gesprekspartners over en weer goed op de hoogte zijn van de situatie in de betrokken landen. Deze strategische voorwaarde is op dit ogenblik niet vervuld. Vanwege de politieke gevoeligheid van dit vraagstuk zou die het best kunnen worden gerealiseerd door een multinationale wetenschappelijke onderzoeksgroep. Het geld voor een dergelijk onderzoek zou moeten worden gefourneerd door de Europese Commissie in samenspraak met de Europese Raad. Het Europese Parlement zou - in de geest van het Verdrag van Lissabon - in samenwerking met de nationale parlementen moeten zorgen voor de nodige politieke steun voor een dergelijk initiatief.

CYRILLE FIJNAUT

is criminoloog.

undefined

Meer over