Corsicaans geweld op keerpunt

In de Franse pers gaat het nieuws over Corsica meestal over aanslagen, schietpartijen en intimidatie. Houdt het geweld nooit op?...

Door Ariejan Korteweg

‘Het ergste is dat ze geen enkel respect hadden voor kleine kinderen. Dat ze niet hebben toegestaan dat mijn vrouw met de kinderen naar de zijkamer ging. Niemand kan dat begrijpen. Deze aanslag staat buiten alle erecodes.’

Drie weken geleden drongen vier of vijf gemaskerde mannen het huis van de familie Romer binnen, machinepistolen in de hand. ‘Wij zijn van Corsica Libera. Luister naar ons, dan gebeurt er niets’, zeiden ze. Romer, die dacht aan een grap van een vriend, kreeg een pistoolloop tegen het hoofd. Terwijl een van de mannen hen bewaakte, gingen de anderen weer naar buiten. Een kwartier later volgden drie knallen, kort na elkaar.

Als Patrick Romer zijn verhaal doet, hoor je nog de spanning in zijn stem. We zitten op de veranda van zijn grote houten hut, gebouwd om in te wonen zolang het echte huis niet klaar is. Dat echte huis staat een meter of twintig lager. Ernaast, ook in aanbouw, is het vakantiehuis. Van beide is het dak eraf geblazen, rooksporen zitten op de muren.

‘Vanaf de ereloge konden we toekijken’, zegt Romer. ‘Ze zeiden dat het niets persoonlijks was, dat het hun om speculatie ging. Eerst wist ik niet eens waar ze op doelden. Inmiddels begrijp ik het beter.’

Zijn levensverhaal lijkt op dat van veel mensen op Corsica. Vader en grootvader waren soldaat bij het Vreemdelingenlegioen, Romer werd geboren in Algerije en kwam als kind naar het eiland. Hij spreekt de taal, leert die aan zijn kinderen. ‘Ergens anders kan ik niet leven. Als ik Corsica verlaat, is het alsof een elastiek me terugtrekt. Ik ruik het eiland in m’n kleren.’

Een leven lang was hij bouwvakker. Zeven jaar geleden kocht hij dit terrein in de bergen, even buiten Ocana op 20 kilometer van Ajaccio. Hij wilde er een huis bouwen en een gîte, een olijfboomgaard beginnen en Ierse paardjes fokken. ‘Ik ben 53 nu, de bouw is zwaar. Dit hier moet mijn oudedagsvoorziening zijn en de kinderen – ze zijn 4, 7 en 8 jaar – op weg helpen.’

Om bouwmateriaal te kopen, verkocht hij vorig jaar voor 40 duizend euro een lap grond aan een Parijse galeriehouder, die er nu een huis op laat bouwen. En daar zit het venijn. Want wie een stukje Corsica verkoopt aan iemand van het continent, is een verrader.

‘Geen Corsicaan wilde het terrein kopen’, zegt Romer. ‘Ik weet niet of deze bommen nationalistisch waren of wat anders. Jaloezie is de kanker van Corsica.’

Schietpartij
Geregeld wordt er in de Franse pers over Corsica bericht. De teneur is altijd hetzelfde: auto opgeblazen; vakantiehuis loopt schade op; politiebureau beschoten; hoge ambtenaar krijgt waarschuwingsbrief; schietpartij bij bar in Bastia. Soms ook: massaal protest jongeren tegen geweld in straten van Corte.

Komt er dan nooit een einde aan het geweld? Op een terrasje van de Noord-Corsicaanse havenstad Bastia trekt Edmond Siméoni (76) een lijn op een servet. Die lijn stijgt snel, vlakt af, gaat dan aarzelend omlaag. ‘Dit is de ontwikkeling van het geweld’, zegt hij. ‘We hebben jaren van veel aanslagen gehad. Ik kan me een nacht in 1982 met wel honderd ontploffingen herinneren. Maar nu is het kalmer. Er begint zich eensgezindheid af te tekenen.’

Vraag op Corsica wie je moet spreken over de nationalistische beweging, en iedereen noemt Edmond Siméoni. In 1975 was hij de leider van het commando van vijftien mannen dat gewapenderhand een wijnboerderij bij Aléria bezette. Bij de bevrijdingsactie werden twaalfhonderd agenten ingezet. Siméoni kreeg vijf jaar gevangenisstraf.

‘Al 61 jaar zit ik in het verzet’, zegt hij. ‘Nooit gemaskerd, mijn strijd is een burgerstrijd. En besef goed: niet ik heb de problemen veroorzaakt. Zij, de Fransen, hebben het eiland tot armoede gebracht.’

Siméoni is een zachtaardige stadse heer, een leven lang tegelijk medisch specialist en strijder voor de Corsicaanse zaak. Zijn strijd wordt nu langs politieke weg wordt gevoerd. ‘Vijftig jaar lang hebben we nee gezegd. De staat begint nu geleidelijk ja tegen ons te zeggen. Daarmee verandert ook onze houding.’

Siméoni weegt zijn woorden op een goudschaaltje. Over geweld zegt hij: ‘We zeggen niet dat het een onrechtvaardig middel is. Maar de weg loopt nu via de democratie. De dialoog met de staat is een voorwaarde om een einde aan het geweld te maken.’

Op aandrang van Siméoni hebben de gematigd nationalistische krachten zich verenigd in Chjama Naziunale (nationaal appèl). Hun streven: de status van een autonoom volk in de Europese Unie. Voor Siméoni is dat het pad van geleidelijkheid. ‘Kon ik morgen onafhankelijk worden, dan zou ik weigeren. Pas over twintig jaar zijn we zo ver.’

Dat hij dat wellicht niet meer meemaakt, mag niet deren. Er zijn genoeg Siméoni’s om het stokje over te nemen. Broer Max is europarlementariër, zoon Gilles is in Bastia partijleider, zoon Marc werd vorige week nog tot drie jaar voorwaardelijk veroordeeld, omdat hij Yvan Colonna zou hebben geholpen bij diens vlucht – een familie van strijders voor autonomie.

Zelfbeschikking
‘Met de komst van Chjama naast Corsica Libera is de situatie duidelijker dan ooit,’ beaamt Pierre Poggioli, een stevige, gedrongen man. Hij is de geschiedschrijver van het gewapende verzet op Corsica, heeft acht boeken op zijn naam en werkt nu aan een studie waarin de Ierse en Baskische vrijheidsstrijd met die op Corsica wordt vergeleken. Zijn partij, Corsica Libera, verenigt de radicale nationalisten die geweld niet per se afkeuren. Het koffiehuis in Ajaccio waar we afspreken, staat niet ver van de plek waar in 1997 de prefect Claude Érignac door nationalisten werd doodgeschoten.

‘Geweld is een gevolg van de situatie’, theoretiseert hij. ‘Verander de situatie, en het geweld houdt op. De staat weigert te onderkennen dat er een probleem bestaat. De weg naar geweldloosheid loopt langs zelfbeschikking.’

‘Frankrijk zegt me helemaal niets’, zegt hij. ‘Wij zijn geen Galliërs.’ Ook hij ziet een toekomst in Europees verband. Met Corsica als zelfstandige natie. Dat het militantisme van zijn generatie bij de jeugd veel minder weerklank vindt, baart hem geen zorgen. ‘Onze ideeën zijn in de samenleving doorgedrongen’, zegt hij. ‘Dankzij de nationalisten is Corsica geen Costa Brava, met hoge flats langs de kusten. Dankzij ons wordt de taal onderwezen, is er een universiteit op het eiland.’

Op het bureau van Jean René Laplayne ligt een foto van een groep gemaskerde mannen. Ze dragen puntmutsen waarin ruimte voor de ogen is uitgespaard. FLNC, staat er op een banier dat aan de tafel hangt waarachter ze zitten. Rechts van hen, schrijfblok in de hand, staat Laplayne.

‘Dan kreeg je een telefoontje: kom nu naar het stadion van Ajaccio. Je werd geblinddoekt in een auto meegenomen naar ergens diep in het binnenland. Daar las de FLNC een verklaring voor, over een wapenstilstand of opgeëiste aanslagen. Vragen stellen was er niet bij.’ Zo gebeurt het niet meer, vertelt hij: te gevaarlijk, ook vanwege dna-onderzoek.

Met zijn 88 jaar is Laplayne de nestor van de Corsicaanse journalistiek. Wat hem niet verhindert om elke dag naar kantoor te komen. Voor dagblad Corse-Matin maakt hij de bijlage La Corse, zijn redactionale commentaar staat op pagina 2.

Grootmoeder
‘Corsica is in de 21ste eeuw gekomen, maar heeft de Middeleeuwen nooit verlaten’, zo typeert Laplayne het eiland. ‘Mijn grootmoeder is in een dorp op 20 kilometer van Ajaccio geboren, maar stierf zonder ooit de zee te hebben gezien. De gemeenschappen bleven lang geïsoleerd; de mensen zijn gul, opstandig, recht door zee, verteerd door onderlinge conflicten.’

Bij alle conflicten is er ook een grote solidariteit, zegt hij. Hij vertelt hoe op een avond André Spada, laatste der grote Corsicaanse bandieten, bij zijn grootmoeder aanklopte voor onderdak en een kop soep. Ze heeft hem gastvrijheid verleend, en mondvoorraad meegegeven voor onderweg. Inderdaad, precies zoals zangeres Patrizia Gattaceca dat een eeuw later deed voor Yvan Colonna, de man die Érignac zou hebben vermoord.

‘De gewapende nationalisten zijn niet heel professioneel’, oordeelt Laplayne. ‘Het is niet te vergelijken met de ETA. Hier vallen zo goed als nooit doden. En sommige bomaanslagen zijn eigenlijk burenruzies of verzekeringsaffaires.’

De familie Romer organiseert intussen in Ocana een ‘kleine manifestatie voor de vrede’ op hun terrein. ‘We willen laten zien wie we zijn’, legt Patrick Romer uit. ‘Hardwerkende mensen die geloven in de toekomst van het eiland. Over wat er is gebeurd, willen we het dan liever niet meer hebben.’

Toeristen nooit mikpunt
Île de beauté, eiland van schoonheid, zo noemen de Fransen Corsica. Die schoonheid is onlosmakelijk verbonden met geweld. Er zijn maffia-achtige bendes actief op het eiland. Maar het meeste geweld komt van de nationalisten. Toeristen zijn nooit het mikpunt.

In 1769 kon de republiek Genua zijn schulden niet meer betalen en schonk het Corsica aan Frankrijk. Van 1755 tot 1769 was het eiland een zelfstandige staat. De geest van onafhankelijkheid heeft Corsica nooit meer verlaten. Sinds eind jaren zestig is er een openlijke gewapende strijd tegen ‘de Fransen van het continent’, die als uitbuiters en onderdrukkers worden gezien. Bevrijdingsfront FLNC was lange tijd de dominante partij, maar is sterk verzwakt door onderlinge twisten. De gematigde autonomen van Chjama boekten bij de laatste verkiezingen flinke winst.

Meer over