Nieuws

Coronaschade op school: vmbo’ers lopen een jaar achter met lezen

Leerlingen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs hebben tijdens de coronacrisis gemiddeld 27 schoolweken vertraging opgelopen in Nederlandse leesvaardigheid. De vertraging is het minst in het vwo en het grootst in het vmbo: daar is zelfs een heel schooljaar achterstand.

 Leerlingen van het Teylingen College Leeuwenhorst tijdens de pauze in september 2021. Beeld ANP
Leerlingen van het Teylingen College Leeuwenhorst tijdens de pauze in september 2021.Beeld ANP

Ook het rekenonderwijs liep vertragingen van vele weken op. De Engelse woordenschat groeide juist, volgens leraren doordat thuis vaker naar Engelstalige series werd gekeken.

Dat blijkt uit een voortgangsreportage over achterstanden na corona van het ministerie van Onderwijs, die donderdag naar de Tweede Kamer is gestuurd. Op verzoek van het departement hebben scholen geïnventariseerd waar leerlingen de grootste vertragingen opliepen. Ook zijn doorstroom- en toetsresultaten geanalyseerd. Van de 8,5 miljard euro die in februari in het Nationaal Programma Onderwijs in het vooruitzicht werd gesteld, is 5,8 miljard euro bestemd voor het basis- en voortgezet onderwijs.

Extra geld

Middelbare scholen waren negentien weken geheel gesloten en gaven daarna nog eens negentien weken hybride onderwijs. Scholen in het primair onderwijs waren dertien weken dicht en vier weken gedeeltelijk. Op basisscholen is de leervertraging bij rekenen het grootst, gemiddeld tien weken. Uit de inventarisatie blijkt dat schoolleiders over de hele linie bezorgd zijn over het ‘welbevinden’ van leerlingen en over de ontwikkeling van ‘executieve vaardigheden’ als motivatie, werkhouding en volgehouden aandacht.

Leerlingen van wie de ouders een laag opleidingsniveau hebben, kampen vaker met leervertragingen. Andere factoren die daartoe kunnen leiden, zijn een niet-westerse migratieachtergrond, het opgroeien in een eenoudergezin of in een gezin met meer dan drie kinderen. Het ministerie heeft extra geld uitgetrokken voor scholen met veel kwetsbare leerlingen. Ook kan het onderwijspersoneel op achterstandsscholen een toeslag van 8 procent op het salaris tegemoet zien.

Waarschuwingen

De aankondiging van het Nationaal Programma Onderwijs leverde begin dit jaar gemengde reacties op. Het was voor velen een aangename verrassing dat het demissionaire kabinet eenmalig 8,5 miljard euro extra voor het onderwijs uittrok, maar er klonken ook waarschuwingen. De PO Raad, de vereniging van schoolbesturen in het basisonderwijs, en de Onderwijsraad spraken de vrees uit dat het geld de concurrentie tussen scholen rond het lerarentekort zou vergroten, omdat zij met salarissen tegen elkaar kunnen gaan opbieden.

In de Tweede Kamer werd de periode van twee jaar waarin het geld moet worden besteed te kort gevonden. Volgens de Kamer moet na het schooljaar 2022-2023 de mogelijkheid bestaan om het programma met één of twee schooljaren te verlengen. De Algemene Rekenkamer schreef eind maart aan de nieuw aangetreden volksvertegenwoordiging dat het zaak was de extra geldstroom goed te volgen, omdat anders later nooit zou komen vast te staan of het megabedrag effectief is besteed.

Menukaart

Demissionair minister Arie Slob (basis- en voortgezet onderwijs, ChristenUnie) zei donderdag in een toelichting geen behoefte te voelen de ‘bijzondere waarschuwing’ van de Rekenkamer met terugwerkende kracht te recenseren. Hij benadrukte dat het nooit de bedoeling is geweest ongeclausuleerd geld over te maken en wees op de ‘menukaart’ die door zijn ministerie is opgesteld. Daarop staan ‘bewezen effectieve interventies’ waaruit scholen een keuze kunnen maken, zoals instructie (direct onderwijs) in kleine groepen. ‘Ons doel is dat leerlingen opgelopen vertragingen niet nog eens jaren meeslepen’, aldus Slob.

Voor een andere vrees van de Kamer, dat het geld zou opgaan aan allerlei commerciële bureaus die tijdelijk personeel leveren voor bijvoorbeeld huiswerkbegeleiding, lijkt wel enige grond. Een voorlopige ‘belronde’ daarover onder twintig schoolleiders wijst in die richting, al zeggen zij het geld ook te gebruiken voor onderwijsassistenten en externe medewerkers voor sport- en cultuuronderwijs. Definitieve conclusies volgen over een half jaar, als ook jaarverslagen beschikbaar zijn.

Meer over