Controle maakt blind

De surveillancestaat sloopt het vertrouwen van burgers in de overheid. Rechts moet zich dat aantrekken maar links al helemáál, schrijft Barry Smit.

BARRY SMIT

De Nederlandse politiek moet zowel de amorele krachten van de markt als de controlewoede van de staat in toom houden. Dat ze in het eerste grandioos heeft gefaald, bewijst de huidige crisis, die het gevolg is van een volledig losgeslagen financiële en bancaire sector. Maar dat er niet eens een poging lijkt te worden gedaan om ook de staat te beteugelen, wanneer die overduidelijk alle grenzen te buiten gaat in zijn controlezucht, is minstens zo verwijtbaar.

De dreigende opmars van de surveillancestaat wordt vooral gezien als een privacy-issue: wie krijgt toegang tot welke informatie, wordt verzamelde informatie goed beschermd, wat hebben we te vrezen van een alwetende overheid en mogen we eigenlijk nog wel geheimen hebben? De bezwaren tegen de aantasting van de privacy zijn meestal klassiek liberaal van aard: de rechten van het individu staan centraal. Maar de discussie zou breder moeten worden gevoerd. De surveillancestaat leidt namelijk ook tot een spiraal van wantrouwen die uiteindelijk alles bedreigt wat we via de overheid hebben opgebouwd. Door te miskennen hoe fundamenteel de privacykwestie op termijn ingrijpt in de vertrouwensrelatie tussen overheid en burger, zijn passieve politici van links tot rechts verantwoordelijk voor de ondermijning van de samenleving.

De website Sargasso inventariseerde eerder dit jaar het aantal camera's dat de Nederlandse bevolking in de publieke ruimte in de gaten houdt, en kwam tot 204.441. Het topje van de ijsberg, vermoed ik. Op het kaartje bij het artikel telde ik 22 camera's in de binnenstad van Alkmaar, waar ik woon. In een wandeling van een half uur zag ik er al 20 die nog niet waren geregistreerd.

Hoewel we dus al omsingeld zijn door alziende ogen, stelde minister Opstelten van Veiligheid deze zomer voor de bevolking ook vanuit de lucht in de gaten te houden, met drones. Met op afstand uitleesbare 'RFID-chips' in onze ov-chipkaart, mobiele telefoon en identificatiepapieren kunnen onze reisbewegingen worden gemonitord. De nieuwsgierigheid van de overheid beperkt zich niet tot de straat: voor zover bekend luistert in geen enkel vrij land de overheid zo veel telefoongesprekken van haar burgers af als in Nederland. Vermoedelijk wordt ook ons mail- en internetverkeer op grote schaal afgetapt, opgeslagen en geanalyseerd, getuige de omfloerste en vage antwoorden die de regering geeft op recente Kamervragen over het aftappen van internetknooppunt AMS-IX.

Er is de laatste maanden wel ophef ontstaan over afluisterpraktijken, maar het ging meestal over wat de Amerikanen hier deden en het heeft nog geen enkele consequentie gehad. De weerstand wordt nergens vertaald in wat meer terughoudendheid, laat staan dat we van een trendbreuk kunnen spreken. De bevoegdheden van de politie worden zelfs sterk verruimd: binnenkort mag men van verdachten op afstand de computer hacken, camera's en microfoons bedienen en in bestanden neuzen. De bezwaren die zijn geuit door 44 burgerrechtenorganisaties worden vooralsnog weggewuifd.

Losse flodders

Er is geen aanwijsbaar moment geweest waarop democratisch werd besloten iedere Nederlander de facto als verdachte te behandelen en onder permanent toezicht te stellen. Als ik in gedachten twintig jaar terug ga en de politici van toen vraag of het een goed idee is in elke straat camera's te plaatsen en de bevolking tot in de achtertuinen en op de balkons met vliegende camera's in de gaten te houden, laat het antwoord zich raden. De politici uit de jaren tachtig zouden het waarschijnlijk een volstrekt absurd voorstel noemen - van links tot rechts. Toch zijn we in die realiteit beland.

Nu wordt over de meeste voorstellen afzonderlijk gediscussieerd, zoals deze week nog over het plan van minister Opstelten om alle reisgegevens op te slaan om 'potentiële terroristen' in de gaten te kunnen houden. Maar zelden is de vraag gesteld wat de optelsom van al die maatregelen doet met de relatie tussen overheid en burger. De politiek beperkt zich tot Kamervragen en losse flodders in reactie op onthullingen over Amerikaanse programma's als Prism of geruchten over de AIVD, maar geen politicus neemt een stap terug om de vraag te stellen in wat voor samenleving we eigenlijk willen leven, hoe de staat zich tot de individu moet verhouden.

Privacy is nu even wat mediagenieker dan de afgelopen jaren, en daarom hoor je er af en toe een onbekend Kamerlid over, maar doorgaans krijgt het weinig prioriteit in Den Haag. De verklaring daarvoor is even eenvoudig als banaal: het heeft volgens peilingen weinig prioriteit bij de kiezer, en daarom zien politici er weinig heil in om er veel aandacht aan te besteden. Privacy wordt door politici vooral gezien als onderwerp voor een handvol nerdy doemdenkers en mensen met te weinig echte problemen. Partijen zijn ervan overtuigd dat veel mensen desgevraagd misschien wel een mening hebben over privacy, maar ze uiteindelijk toch op sociaal-economische gronden hun stem uitbrengen. Daarom gaat alle aandacht uit naar voorstellen die daarop van invloed zijn.

Omslag

Dit kortetermijndenken en peilingvolgend gedrag hebben ons in een werkelijkheid gebracht waar we helemaal nooit voor hebben gekozen. Het lijkt simpelweg te ontbreken aan politici die voorbij het enkele voorstel kijken, die nadenken over het totaal van maatregelen en de uiteindelijke consequenties van sluipende trends willen bespreken.

Niemand lijkt te verwachten dat de emmer eens zal overlopen en er een drastische omslag zal plaatsvinden in de houding van het publiek. Die foute inschatting maakte de politiek in de VS ook - tot deze zomer uit groot onderzoek bleek dat het Amerikaanse volk zich meer zorgen maakt over de bedreiging van burgerrechten door de eigen regering dan over terreurdreiging.

Dat rechtse politici het groeiende wantrouwen tussen burger en overheid geen probleem vinden, zou je nog kunnen verklaren: zo'n trend leidt tot meer steun om taken weg te halen bij de overheid en ze te vermarkten. Toch doen zij er goed aan te beseffen dat het morele gezag van de overheid en daarmee zaken als het respect voor de wetshandhaving en de belastingmoraal ondermijnd worden.

Dat linkse politici blind zijn voor de consequenties van het toenemende wantrouwen, is al helemaal onbegrijpelijk en historisch onvergefelijk. De ideologie van links is gebaseerd op het idee dat de overheid een instrument ten goede kan zijn. Vertrouwen van de burger in de overheid is een eerste voorwaarde voor een geloofwaardig verhaal over het gezamenlijk organiseren van zorg, onderwijs, sociale voorzieningen en al het andere dat we beter niet aan de amorele markt kunnen overlaten. Waarom zouden kiezers deze zaken nog toevertrouwen aan een overheid als die onze bondgenoot niet is, maar een vijandige instantie die ons als verdachte behandelt? Linkse politici die privacy-issues blijven zien als een hobby voor juristen en alarmistische activisten, staan te snurken terwijl onder hun neus het graf voor hun ideologie wordt gegraven.

BARRY SMIT IS SCHRIJVER EN ZELFSTANDIG CAMPAGNE-ADVISEUR.

undefined

Meer over