Conflict Dennendal lag minder zwart-wit dan verondersteld

De affaire-Dennendal leeft voort als een keerpunt in de zwakzinnigenzorg. Toch waren de ideeën van Carel Muller bepaald niet nieuw, stellen Joost Dankers en Jos van der Linden....

IN 1971 en 1974 deden zich in de zwakzinnigeninrichting Dennendal in Den Dolder heftige conflicten voor die, zoals uit de recente publicaties en de discussie daarover blijkt, nog steeds de gemoederen bezighouden.

Dennendal was onderdeel van de Willem Arntsz Stichting en viel onder de verantwoordelijkheid van het bestuur van de stichting. Tegenover het bestuur stond de hervormingsgezinde directeur van Dennendal, Carel Muller, die betrekkelijk nieuwe ideeën had over de wijze waarop met zwakzinnigen moest worden omgegaan.

Het bestuur bezag de ontwikkelingen in Dennendal met achterdocht, onder meer omdat het door Muller aangetrokken personeel in Dennendal vooral leek te bestaan uit langharige aanhangers van de tegencultuur die openlijk over vrije seks spraken en mogelijk zelfs marihuana gebruikten.

Het wederzijdse wantrouwen zorgde er tenslotte voor dat Muller meende zijn ideeën alleen te kunnen verwezenlijken als Dennendal zelfstandig werd. Het bestuur wilde niet toegeven en in 1974 bezetten boze personeelsleden van Dennendal de paviljoens waar de zwakzinnigen verbleven om op deze wijze een oplossing te forceren.

De politie moest er uiteindelijk in juli 1974 aan te pas komen om de bezetters te verwijderen.

Dennendal was gedurende enkele maanden voorpaginanieuws. Het leek of Nederland in twee kampen was verdeeld. De pers trok openlijk partij en zelfs binnen het toenmalige kabinet-Den Uyl bestond grote verdeeldheid.

De conflicten in Dennendal fungeerden als een breekijzer waardoor de overigens niet alleen bij Muller en zijn aanhangers levende opvattingen over de omgang met zwakzinnigen in veel inrichtingen in de praktijk werden gebracht, zij het in sterk aangepaste vorm.

Bij het vijfentwintigjarig bestaan van Dennendal in 1994 bleken de conflicten nog altijd een heikele kwestie te zijn. Ook tijdens een discussiebijeenkomst over ons in 1994 gepubliceerde boek (Om het geluk van de zwakzinnige. De geschiedenis van Dennendal 1969-1994) bleek de affaire bij het toegestroomde publiek gevoelig te liggen.

Onze studie en de discussie daarover waren voor Evelien Tonkens aanleiding een nieuw onderzoek te beginnen naar de conflicten in Dennendal. Het resultaat van haar inspanningen is het onlangs verschenen boek Het zelfontplooiingsregime.

Een van de meest waardevolle onderdelen van Tonkens' studie is dat hierin de gevolgen van het conflict voor de zwakzinnigenzorg worden bestudeerd. De essentie van Mullers ideeën was om de bewoners liefde en vooral aandacht te geven. Voor die tijd beperkte de verpleging zich veelal tot huishoudelijke taken, hoewel hierin, zoals straks zal worden toegelicht, al voor het aantreden van Muller verandering kwam.

Sociaal contact met de bewoners is, zoals wij in onze studie beschreven, nog altijd de basis van de benadering in Dennendal. In tegenstelling tot Muller vond men in het Dennendal van na 1974 liefde en aandacht alleen echter niet voldoende. Terwijl Muller het inschakelen van deskundigen afwees, begon men in het Dennendal van na 1974 juist meer deskundigen aan te trekken.

Orthopedagogen en psychologen deden hun intrede. Ze hadden tot taak hulp te bieden bij zwakzinnigen die psychiatrische aandoeningen hadden of kampten met ernstige gedragsstoornissen. Dat is overigens niet zonder slag of stoot gegaan. In de jaren zeventig en tachtig hebben zich hierover nog geruime tijd ernstige meningsverschillen voorgedaan in Dennendal.

Tonkens bevestigt door haar onderzoek naar andere inrichtingen impliciet onze suggestie dat het Dennendal van na 1974 grosso modo representatief was voor de zwakzinnigenzorg. Het is wel merkwaardig dat Tonkens de ontwikkelingen in Dennendal na 1974 vrijwel geheel negeert, zonder daar een reden voor op te geven. Juist in Dennendal worstelde men meer dan 25 jaar met de erfenis van het conflict.

Een ander nuttig onderdeel van Tonkens studie is dat daarin uitvoerig aandacht wordt besteed aan de oorsprong van de nieuwe opvattingen over de wijze waarop met zwakzinnigen moest worden omgegaan. Muller en zijn aanhangers lieten zich inspireren door onder meer de progressieve Amerikaanse psychologen Maslow en Rogers. Ook de hippe jongerencultuur, met haar nadruk op democratisering en humanisering, had invloed.

Het is des te opmerkelijker dat Tonkens in haar speurtocht naar de context niet de archieven van de Willem Arntsz Stichting heeft geraadpleegd. Het bestuur van deze stichting was de voornaamste tegenspeler van Muller. Indien Tonkens de archieven had bestudeerd, zou ze bovendien tot de conclusie zijn gekomen dat de ideeën van Muller binnen de stichting bepaald niet nieuw waren.

Tonkens spreekt over een 'dwarse vernieuwing' die vanaf 1970 onder leiding van Muller op Dennendal zou hebben plaatsgevonden. Zo dwars was die vernieuwing niet.

Sinds het begin van de jaren zestig voerde A. Poslavsky, de geneesheer-directeur van de Willem Arntsz Hoeve en de daarbij behorende zwakzinnigenafdeling (waar later Dennendal uit zou voortkomen) hervormingen door.

Poslavsky kwam al eind jaren vijftig tot de conclusie dat het meest werkzame geneesmiddel voor patiënten het persoonlijk contact met medemensen was. Het personeel op de Willem Arnstz Hoeve kreeg dan ook steeds meer de taak die contacten te onderhouden en te stimuleren en zich minder te richten op de fysieke verzorging, die tot dusverre de hoofdmoot van hun taak was geweest.

Het personeel kreeg dan ook een zekere mate van inspraak bij de behandeling, zij het dat dat niet moet worden overdreven.

Poslavsky had niet de reputatie een democratische nieuwlichter te zijn. Toch werden onder zijn bewind vernieuwingen doorgevoerd. Juist omdat Poslavsky inzag dat een nieuwe benadering van zwakzinnigen noodzakelijk was, nam hij ook de psycholoog Carel Muller in dienst. Een psycholoog zou meer aandacht kunnen besteden aan de specifieke problemen van zwakzinnigen.

Tonkens negeert deze voorgeschiedenis, die door ons beschreven wordt in het in 1996 gepubliceerde Van regenten en patiënten, een geschiedenis van de Willem Arntsz Stichting. Tonkens heeft deze studie om raadselachtige redenen niet bestudeerd.

In haar boek ontstaat dan ook een zwart-wit beeld wat betreft de situatie in Dennendal: de hervormer Muller tegenover een hopeloos achterlopende leiding van de Willem Arntsz Stichting.

Tonkens verliest daarmee de nuances uit het oog. De opvattingen van Muller over de benadering van zwakzinnigen vonden ook binnen de stichting brede waardering. En dat is iets dat kennelijk beslist niet in het straatje van Tonkens past.

Het conflict in 1974 spitste zich veel meer toe op de vraag of Dennendal onafhankelijk moest worden van de Willem Arntsz Stichting. Volgens Muller was dat de enige mogelijkheid om zijn ideeën in de praktijk te brengen. Het feit dat het bestuur niet aan deze eis wilde toegeven en Muller ontsloeg, was een van de voornaamste redenen voor de bezetting van Dennendal door Muller en zijn aanhangers.

Tonkens merkt terecht op dat de oorzaken van deze problemen moeten worden gezocht in een ingewikkeld samenspel tussen de betrokken partijen. Het bestuur trad onhandig op en wilde nauwelijks concessies doen, hetzelfde gold voor Muller en zijn aanhangers.

Die onverzoenlijke houding van beide partijen paste in het gepolariseerde politieke klimaat van die tijd. De alomtegenwoordige pers gooide olie op het vuur en ook het optreden van het kabinet Den Uyl komt niet voor een schoonheidsprijs in aanmerking.

Merkwaardig is dat Tonkens veronderstelt dat wij in onze studie de schuld eenzijdig bij Muller en zijn aanhangers zouden leggen. Concessies van Mullerianen zouden in onze opvatting 'schijnconcessies' zijn geweest. (p. 152).

In ons boek over Dennendal valt inderdaad het woord 'schijnconcessies', maar hiermee wordt niet ónze opvatting verwoord. De volledige zin luidt: (Muller) 'versterkte aldus de reeds bij de loyale stafleden bestaande overtuiging slechts tot schijnconcessies bereid te zijn. . .' (p. 70) We geven in dit citaat dus niet onze opvatting weer, maar de mening van de zogeheten 'loyale stafleden', dat wil zeggen tegenstanders van Muller.

Tonkens heeft zich wel vaker laten verleiden tot dit soort uit de context gerukte citaten. Ze geeft op deze wijze een karikatuur van onze opvattingen. Kennelijk heeft zij de behoefte een vijandbeeld te scheppen, waar ze zich vervolgens tegen kan afzetten, uiteraard met de bedoeling haar eigen conclusies des te origineler uit de verf te laten komen.

Ook tijdens het conflict in Dennendal heerste een soort collectieve dislexie bij het begrijpen en verwoorden van de standpunten van anderen. Het is jammer dat zich in Tonkens studie over dit conflict dezelfde kwaal openbaart. De eenzijdige benadering van Tonkens staat een beter begrip van het conflict in de weg en vertroebelt de werkelijke meningsverschillen.

Meer over