Concert McBride mist geduchtere solisten

Er kon zaterdag in het Amsterdamse Bimhuis geen twijfel over bestaan wie de leider van de groep was. Tenorsaxofonist Tim Warfield, pianist Anthony Wonsey en drummer Carl Allen bouwden met een bluesy swingend riffje de spanning op, en daar kwam hij met energieke tred het podium op gesneld: bassist Christian...

BERT VUIJSJE

Christian McBride-kwartet in het Bimhuis, Amsterdam.

De stevig gebouwde 23-jarige sprak een paar zelfverzekerde woorden tot het publiek en trok vervolgens van leer. In het openingsstuk speelde hij het thema en de eerste solo, het daarop volgende Cherokee begon hij met een walking bass-chorus, en het derde nummer was zijn gestreken vertolking van de ballad Stars Fell On Alabama.

Tegen die tijd was iedereen in het volgepakte Bimhuis er definitief van overtuigd dat Christian McBride het grote bastalent van de nieuwe Amerikaanse jazzgeneratie is. Zijn toon, power en timing zijn van hoge klasse, hij begeleidt net zo glashelder als hij soleert, en hij speelt met nonchalant gemak de moeilijkste frasen.

Maar voor een geslaagd jazzconcert is meer nodig dan superieur basspel, en daar begonnen zaterdag de problemen. Op zijn eerste cd Gettin' To It werd McBride omringd door prominente generatiegenoten zoals trompettist Roy Hargrove, saxofonist Joshua Redman en pianist Cyrus Chestnut. Zo'n bezetting is voor een Europese tournee buiten het festivalseizoen onbetaalbaar - zelfs als de concerten, zoals hier, worden gesponsord door een whisky-merk.

McBride had wel een drummer van buitengewone allure bij zich. Carl Allen mist nog de vedette-status, maar hij geniet in New York onder muzikanten een grote reputatie. Die faam maakte Allen in het Bimhuis ruimschoots waar. Hij legde, in ontspannen samenspraak met McBride, een schitterend gevarieerd ritmisch tapijt onder de vertolkingen. De wisselingen in dynamiek waren perfect gedoseerd, van nauwelijks hoorbare tikjes tot uitbundige explosies. Zijn jongleer-trucs met het bop-metrum herinnerden aan de grootmeesters Philly Joe Jones en Roy Haynes.

Zo'n uitdagend fundament vraagt om geduchter solisten dan Tim Warfield en Anthony Wonsey. Beiden zijn vaardige doorsnee-muzikanten die correct hun solo's afwerken, maar er weinig glans aan weten te geven. Wonsey had net niet het juiste piano-toucher voor de effecten die hij nastreefde, merendeels ontleend aan de oeuvres van Wynton Kelly, Phineas Newborn en Oscar Peterson.

Warfield speelde grotendeels voor de hand liggende noten en manifesteerde zich als een veel te brave leerling uit de school van de harde tenoren. Zelfs zijn honks - het favoriete recept van saxofonisten die hun publiek tot opwinding willen brengen - klonken bedacht.

Toen Christian McBride na de pauze aan het repertoire van zijn cd begon, met de eigen composities In A Hurry en The Shade of the Cedar Tree, werd het contrast pijnlijk: de motor van een Rolls-Royce in de carrosserie van een Volkswagen Golf.

Bert Vuijsje

Meer over