Componist in dienst van de schoonheid Dutch Jazz Orchestra haalt Billy Strayhorn uit de schaduw van Duke Ellington

ALS Duke Ellington en Billy Strayhorn over een compositie-in-wording praatten, dan ging dat ongeveer zo (Strayhorn opent het gesprek):..

ERIK VAN DEN BERG

'Waarom draai je dit motiefje niet om? Dah dee dah dah dah, dah dee dah dah dah, boomty boomty boomty, boom.'

'Ja, maar waarom niet dah dee dah dah dah, deedle dee deedle dee dee, boom bah bah bah, boom?'

Strayhorn, koppig: 'Dah dee dah dah dah.'

Ellington, niet minder koppig: 'Deedle dee deedle dee dee.'

Waarna Strayhorn's 'Dah dee dah dah dah' voorlopig het pleit beslechtte.

Zulke muzikale gedachtenwisselingen, zonder referenties aan verminderde septiemen, overmatige kwarten of ander muziektechnisch jargon, zijn overal te vinden in de literatuur over de Amerikaanse bandleider en componist Duke Ellington. Bovenstaand voorbeeld werd opgetekend door Richard O. Boyer in zijn reportage over het Ellington-orkest voor The New Yorker van 24 juni 1944. Boyer noteerde het getouwtrek over boomty boom en deedle dee omdat het hem typerend leek voor de ongewoon hechte samenwerking tussen Ellington en de zestien jaar jongere Strayhorn, die elkaars muzikale alter ego werden genoemd.

Vanaf het moment dat Strayhorn als arrangeur en pianist toetrad tot de Ellington-organisatie (in 1939) valt vaak moeilijk aan te geven welke stukken in het rijke Ellington-oeuvre aan wie toegeschreven moet worden. Hoewel de auteursrechten van menige compositie uitsluitend Strayhorn's naam vermelden (hij schiep zulke classics als Take the 'A' Train, vanaf 1941 de herkenningsmelodie van het Ellington-orkest), werkten beiden in afzonderlijke stukken en in omvangrijker suites vaak zo nauw samen, dat het auteurschap van bepaalde maten zelfs door de muzikanten in het orkest niet met zekerheid kon worden vastgesteld.

Er zou sprake zijn geweest van een telepathische samenwerking, die een kwart eeuw na de dood van beide zielsverwanten (Strayhorn stierf in 1967, Ellington in 1974) nog steeds een legendarische roep heeft.

En het is precies die 'mythe' die de Nederlandse musicoloog Walter van de Leur de wereld uit wil helpen. Van de Leur (1962) verrichtte voor zijn doctoraalscriptie intensief speurwerk in de nalatenschap van Ellington, die is ondergebracht bij de Smithsonian Institution in Washington D.C., en in die van Billy Strayhorn, waarover de erven Strayhorn in Pittsburgh waken.

Zijn bevindingen komen erop neer, dat Strayhorn, een timide, weinig assertieve homoseksuele man die zijn muzikale leven lang aan het Ellington-orkest was verbonden, misschien vrijwillig, maar uiteindelijk ten onrechte in de schaduw van de grootste jazzcomponist is gebleven.

In het orkest kreeg Strayhorn de bijnaam Sweepea, naar de peuter in kruippak uit de Popeye-strip. De zangeres Lena Horne gaf eens een veelzeggende toelichting op de uitzonderlijke band tussen Sweepea en Duke. 'Duke was een vaderfiguur, zonder twijfel (. . .) Hun relatie was ook bijzonder seksueel. Begrijp me niet verkeerd: het was volstrekt niet lichamelijk. Maar wel bijzonder seksueel. Billy hield van Duke en Duke hield van Billy. Het probleem is dat Duke Billy net zo behandelde als hij vrouwen behandelde, met dat ouderwetse chauvinisme. Heel liefdevol en beschermend, but controlling, very destructive.'

Van de Leur gaf zichzelf een opdracht: aantonen dat de kleurrijke verhalen over de twee-eenheid de werkelijkheid versluieren. Strayhorn was een groot toondichter, met een volslagen andere signatuur dan Ellington. Ofschoon zijn voornaamste medium het Ellington-orkest was, meent Van de Leur dat Strayhorn als zelfstandig componist erkenning hoort te krijgen.

Een nobele missie, die een papieren zaak was gebleven als Van de Leur zich niet van de samenwerking met het Dutch Jazz Orchestra van Jerry van Rooyen had kunnen verzekeren. De vrucht van hun gezamenlijke Strayhorn-project is de cd Portrait of a Silk Thread die, zoals de ondertitel aangeeft, een groot aantal nooit eerder ten gehore gebrachte werken van Billy Strayhorn bevat.

Uitvoeren van Ellington-muziek is een hachelijke onderneming. De Ellington-sound bestond uit een naar geheim recept vervaardigde menging van de grote stemmen in het orkest, die ieder voor zich bijdroegen aan de verrukkelijk verzadigde, bronzen klank van het orkest. Zonder de hese tenor van Paul Gonsalves, de fluwelen trombone van Lawrence Brown of de snijdende lyriek van altist Johnny Hodges valt dat in jaren gerijpte amalgaam niet meer te reproduceren - zoals menig geflopt tribute-orkest inmiddels afdoende heeft bewezen.

Van Rooyen's orkest, met solisten als de pianist Rob van Bavel, tenorist Toon Roos, trompettist Ruud Breuls, altist Albert Beltman en bugelspeler Ack van Rooyen, heeft gelukkig geen Ellington-imitatie nagestreefd. Dat was in dit geval ook niet ter zake, gezien de doelstelling van de cd: het eigene van Strayhorn benadrukken. Het resultaat is een big band die als zichzelf klinkt, en tegelijk Strayhorn's klankwereld tot haar recht laat komen.

Het eerste stuk op de cd, de wereldpremière van Blue Star, geschreven in 1940-1942, is meteen de meesterproef: een delicate fata morgana, vol bezonken kleurschakeringen, in een moeilijk te realiseren maar door Van Rooyen met autoriteit neergezet tempo, waar een vorstelijke rust van uitgaat.

Strayhorn hield van schoonheid. Zijn palet is het verfijndste dat in de jazzgeschiedenis te vinden is. Ietwat weke titels als het op de cd opgenomen Lament for an Orchid typeren hem, maar zijn muziek biedt meer dan een wereld van zijden kussens en parfums waarin van spleen vervulde zielen een vermoeid rookwolkje naar de zoldering blazen.

In zijn toelichting op de afzonderlijke stukken (waaronder acht wereldpremières) somt Van de Leur Strayhorn's kwaliteiten op: ongewone harmonische complexiteit, lyrische verfijning, de volmaakte integratie van technieken uit de klassieke muziek in het jazzidioom, en een lineaire, in vloeiende lijnen gedachte schrijfwijze, die essentieel verschilt van Ellington's voorkeur voor de harde montage. (Juist dat laatste aspect maakte dat Strayhorn zelf niets begreep van 'whodunnit'-spelletjes over zijn en Ellington's bijdragen: 'Ik vind mijn compositie-stijl volslagen anders dan die van Ellington', meldde hij al in 1952 in Down Beat).

Gemeen hard swingen kon Strayhorn ook, zoals de première van zijn Bagatelle bewijst, waarin sierlijke begeleidingen de voorwaartse kracht van de soli niets in de weg leggen. Zo ook de speelse bokkesprongen in Tonk, dat hij schreef als piano-feature voor Ellington. Maar het zijn toch vooral die statige, lyrische stukken die Portrait of a Silk Thread bijzonder maken. Het titelstuk is misschien het hoogtepunt: een smachtende ballad, waarin de loepzuivere lead van altist Albert Beltman gracieuze patronen door geacheveerde orkestpartijen vlecht.

Portrait of a Silk Thread staat niet op zichzelf. Ook elders dienen zich tekenen aan die wijzen op een serieuze herwaardering van de verhouding Strayhorn/Ellington. In de Verenigde Staten legde de pianist Fred Hersch bijvoorbeeld een cd vast met louter Strayhorn-composities. Belangrijker nieuws is nog dat de grote Strayhorn-biografie van David Hajdu, die in het cd-boekje Van de Leur's 'boggingly exhaustive research' prijst, op afzienbare termijn bij Farrar, Strauss, Giroux zal verschijnen.

Zou het toeval zijn dat op de recente cd-heruitgave van The Far East Suite niet meer het getekende Ellington-portret van de oude lp-hoes prijkt, maar een foto van een eendrachtig samenwerkende Ellington en Strayhorn? De op RCA Bluebird verschenen cd, geluidstechnisch (nauwelijks hoorbaar) opgepoetst en uitgebreid met vier alternate takes, behoort tot de mijlpalen in de Ellington-catalogus.

De Far East Suite is een herinnering aan de Azië-reizen van het Ellington-orkest in 1963 en 1964. De heruitgave ontleent haar belang vooral aan de combinatie van wervelende 'oosterse' thema's met een grandioos klankenspectrum. Is de opruiende agressie in stukken als Blue Pepper en Amad die van de 'aardse' Ellington, of mogen we er ook Sweepea van verdenken? (Amad is een ingekorte omkering van 'Damascus' - een favoriet spelletje van Strayhorn, die een zekere Robins vereeuwigde in Snibor en zo ver ging Lana Turner als Anal Renrut te portretteren - een omkering die in de versie op Portrait of a Silk Thread weer discreet ongedaan is gemaakt).

Vooral aan het Columbia-label danken we een vrijwel onophoudelijke stroom heruitgaven van klassieke Ellington-lp's. Vrijwel alle hoesteksten maken melding van 'beslissende' bijdragen van Strayhorn, maar zonder inzicht in de oorspronkelijke partituren blijft het hoe en wat giswerk - zijn al die piano-partijen wel van Ellington, of horen we net zo vaak Strayhorn?

En neem nu Anatomy of a Murder (Columbia), Ellington's muziek voor de gelijknamige film van Otto Preminger uit 1959. De bezetting biedt tenminste een concreet aankopingspunt: Strayhorn's tinkelende celesta-partij in Midnight Indigo. Maar is deze muisstille middernachtsmuziek, met zijn ragfijne lijntjes voor basklarinet en trompet, niet helemáál des Strayhorns?

Van de Leur opende een polemiek die stof voor jaren biedt.

The Dutch Jazz Orchestra, Jerry van Rooyen: Portrait of a Silk Thread. Newly Discovered Works of Billy Strayhorn. NPS Radio Netherlands International/ Dutch Jazz 95001.

The Dutch Jazz Orchestra speelt Strayhorn: vanavond in Amsterdam (Bimhuis), zaterdag Eindhoven (Philipszaal), zondag Voorburg (de Tobbe), maandag Rotterdam (Conservatorium), tournee tot eind november.

Maandagavond houdt Walter van de Leur een lezing over Strayhorn in het Rotterdams Conservatorium.

Meer over