Communist bleef geloven in heilstaat

Santiago Carrillo was een van de belangrijkste figuren uit de Spaanse politieke geschiedenis.

IÑAKI OÑORBE GENOVESI

Honderden Spaanse politici, artiesten en burgers hebben woensdag in Madrid afscheid genomen van de op 97-jarige leeftijd overleden Santiago Carrillo, de historische leider van de Communistische Partij van Spanje (PCE). Bij de open kist waakten zijn echtgenote Carmen Menéndez en hun drie zonen Santiago, Jorge en José. Met de dood van Carrillo is een van de belangrijkste figuren uit de Spaanse politieke geschiedenis van de twintigste eeuw heengegaan.

Carrillo, die in de Spaanse stad Gijón werd geboren als zoon van de vooraanstaande socialistische leider Wenceslao Carrillo, begon al als tiener aan zijn carrière als linkse activist. Eerst berichtte hij als verslaggever van de krant El Socialista over de vlucht van de Spaanse koning Alfonso XIII. Vervolgens was Carrillo als leider van de socialistische jongerenbeweging betrokken bij een mislukte staatsgreep tegen de Republikeinse regering. Het leidde ertoe dat Carrillo van oktober 1934 tot februari 1936 in de gevangenis zat.

Eenmaal vrij zocht Carrillo steeds meer zijn heil bij de communistische ideologie. Tijdens de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) vocht Carrillo aan de kant van de Republiek en leidde hij de verdediging van de hoofdstad Madrid tegen de troepen van de latere dictator Francisco Franco.

Uit deze periode dateert wellicht de duisterste - maar nooit volledig opgehelderde - episode uit Carrillo's leven: het bloedbad van Paracuellos del Jarama (Madrid) in november 1936. Volgens diverse historici zou Carrillo betrokken zijn geweest bij de grootste moordpartij uit de Spaanse Burgeroorlog. Zelf heeft Carrillo in zijn talrijke memoires altijd ontkend iets te maken te hebben gehad met de moord op zeker 2.500 gevangen burgers en militairen die sympathiseerden met Franco.

Na Franco's overwinning in april 1939 vluchtte Carrillo naar Frankrijk. Vanuit zijn ballingschap zou Carrillo politiek verzet tegen Franco coördineren en de diverse oppositiegroepen tegen de Spaanse dictator nader tot elkaar weten te brengen. In 1960 werd Carrillo gekozen tot de opvolger van de legendarische koningin van het Spaanse communisme, Dolores Ibárruri, bijgenaamd La Pasionaria.

Enkele maanden na de dood van Franco in november 1975, keerde Carrillo terug naar Spanje. Hij groeide uit tot een van de hoofdrolspelers van de Transición, de overgangsperiode van dictatuur naar democratie waarin alle Spaanse partijen afspraken het verleden te laten rusten.

Eurocommunisme

Daarnaast was Carrillo met de Italiaan Enrico Berlinguer een van de prominente figuren van het eurocommunisme. De communistische partijen in Italië, Frankrijk en Spanje namen afstand van de 'dictatuur van het proletariaat' en streefden om op een democratische manier aan de macht te komen.

Carrillo's moment van glorie zou op 23 februari 1981 komen, bij de mislukte staatsgreep van luitenant-kolonel Antonio Tejero, die met tientallen agenten van de Guardia Civil het parlement had bestormd en de democratie onder schot hield. Carrillo, premier Adolfo Suárez en vicepremier Gutiérrez Mellado waren de enigen die weigerden dekking te zoeken toen in het lagerhuis werd geschoten. Carrillo's heldhaftige optreden leidde niet tot electoraal succes. Carrillo's PCE legde het af tegen de socialistische PSOE van de latere premier Felipe González.

Carrillo's verkiezingsnederlaag zou het einde betekenen van zijn partijleiderschap. Maar het vormde ook de aanzet tot een reeks ruzies die ertoe leidden dat Carrillo de PCE verliet. Een nieuw politiek avontuur als leider van de Partij van de Arbeiders-Communistische Eenheid liep uit op een fiasco. Begin jaren negentig liet hij de partij opgaan in de socialistische PSOE. Carrillo legde zich daarna steeds meer toe op het houden van lezingen en het schrijven van opiniestukken en boeken. Veelvuldig zou hij voor zijn politieke carrière worden onderscheiden met eredoctoraten en andere eerbetuigingen.

undefined

Meer over