Commissie-Ekkart 'zocht zich een ongeluk'

Het kabinet wil een groot vervolgonderzoek naar de herkomst van zogenaamde 'oorlogskunst'. Dat is nodig om de 'waas van onduidelijkheid' weg te nemen rond de vierduizend kunstwerken die in de Tweede Wereldoorlog in Duitse handen vielen en nadien niet terugkeerden bij de (joodse) eigenaren of hun erfgenamen, maar bij de...

Van onze verslaggever

AMSTERDAM

Het kabinet volgt daarmee de maandag gepubliceerde aanbevelingen van de commissie-Ekkart, die de afgelopen maanden een steekproef nam onder 113 werken uit de betreffende collectie. Van liefst 45 werken is over de herkomst thans niets meer te achterhalen. In 38 gevallen konden enkele maar niet alle gegevens worden gedocumenteerd. Bij slechts dertig stukken is de oorlogsgeschiedenis helemaal bekend.

De informatie over de herkomst van gerecupereerde kunstwerken is volgens commissievoorzitter R. Ekkart, directeur van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie 'allerbelabberdst'. Claims of verzoeken om informatie van mogelijke eigenaren kunnen vaak niet goed worden behandeld.

Bij het Instituut Collectie Nederland, dat de betreffende kunst beheert, is maar over een klein deel van de collectie iets bekend. En dan nog: 'Waar dergelijke informatie gegeven wordt, is deze van onvoldoende kwaliteit om er conclusies over de geschiedenis van de betreffende objecten gedurende de oorlogsjaren uit te trekken', schrijft de commissie.

Zij heeft 'zich een ongeluk gezocht', zegt Ekkart, om de gegevens van de objecten en oorspronkelijke eigenaars aan elkaar te koppelen. Oorzaak ligt in de 'enorme papierwinkel' aan dossiers. Vooral de administratie van de Stichting Nederlands Kunstbezit, die in de jaren na de oorlog verantwoordelijk was voor de recuperatie van de kunstwerken, was erg onoverzichtelijk. Bovendien zijn de gegevens van de SNK nooit ingevoerd in het archief van het ICN.

De commissie moest daarom haar informatie voor de steekproef op vijf of zes verschillende plaatsen verzamelen, zoals het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, het RIOD en het Centraal Bureau voor Genealogie. Ook dat maakt nader onderzoek noodzakelijk.

Ekkart: 'In de gegevens van het SNK stond bijvoorbeeld dat een kunsthandelaar in opdracht van de joodse eigenaar een schilderij aan de Duitsers had verkocht. Van die eigenaar stond alleen de naam vermeld. Uit genealogisch onderzoek is gebleken dat hij in 1945 naar Canada is geëmigreerd. Als we willen achterhalen of die verkoop vrijwillig was, zouden we daar verder moeten zoeken.'

In andere gevallen kwam de commissie niet zo ver. Zo las ze over een in de oorlog omgekomen joodse verzamelaar die een zeventiende-eeuws dubbelportret vrijwillig zou hebben verkocht. 'Dat heeft een kennis vlak na de oorlog aan de SNK gemeld', zegt Ekkart. 'Maar wij maken ons zorgen om dat schilderij. Was die verkoop werkelijk vrijwillig?'

Bij het grote onderzoek, dat drie jaar gaat duren, zullen 'honderd tot tweehonderd' van zulke voorbeelden volgen, verwacht Ekkart. Daarnaast denkt de voorzitter dat op nog enkele tientallen kunstwerken 'niet eerder ontdekte rechten van derden' rusten. Vooral onder schilderijen en tekeningen. De herkomst van keramiek, meubels en andere toegepaste kunst is volgens Ekkart nauwelijks te herleiden. 'De herkenbaarheid is vaak gering. Van Chinese kommetjes bestonden honderden exemplaren die allemaal aan dezelfde beschrijving voldeden.'

Tot dusver hebben 36 mensen bij de overheid een kunstwerk geclaimd of om nadere informatie gevraagd, onder wie de erven-Goudstikker en nazaten van de kunstverzamelaar Franz Koenigs. Het aantal claims zal stijgen zodra het onderzoek is afgerond, verwacht directeur R. Naftaniël van het Centrum Informatie en Documentatie Israël. Naftaniël, tevens lid van de commissie-Ekkart, benadrukt wel dat naast het geplande onderzoek ook aandacht moet komen voor de kunst die niet naar Duitsland is gegaan. 'Er zijn ook stukken in Nederland gebleven en naar bijvoorbeeld de VS verhandeld.' Het zou gaan om nog eens enkele honderden kunstwerken.

Meer over