Column

Columnisten zijn nooit ziek

Het is al meer dan twintig jaar geleden dat ik mij eens aan Jan Blokker heb opgedrongen om van de oude meester zelf te horen wat er bij columnschrijven allemaal kwam kijken. 'Je maakt altijd eerst je stuk', zei hij. 'Wat er ook gebeurt. Het eerste wat ik doe als mijn huis in brand staat, is naar buiten rennen om mijn column af te maken.'

Peter Middendorp
Columnist Jan Blokker, in 2007. Beeld anp
Columnist Jan Blokker, in 2007.Beeld anp

Ik zat aan het raam van zijn werkverdieping en stelde mij zijn vluchtroute voor. Hij zou met zijn typemachine eerst twee smalle trappen af naar beneden moeten en, als hij dat zonder kleerscheuren had volbracht, een halletje en portaaltje met tochtdeur moeten passeren om bij de voordeur te komen, waar hij de straat kon oversteken naar een bankje bij de gracht om rustig verder te kunnen typen.

Het was een stoere, romantische taakopvatting, mijn eerste kennismaking met de dappere arbeidsethiek die een columnist erop na diende te houden. Erg indrukwekkend, al kon je ook redeneren dat een brandend pand met bibliotheek en huisgenoten eerder voor je aandacht in aanmerking mochten komen dan een column, hoe puntig ook.

De vraag die zich dan ook onmiddellijk aan me opdrong, was: wat zou Jan Blokker doen als hij vlak voor de deadline zelf in brand stond? Hij kon dezelfde vluchtroute nemen, dacht ik, en hoefde daarna alleen maar het bankje te passeren om in de gracht te kunnen springen. Ik stelde de vraag niet, het antwoord lag al in zijn ogen: de enige manier om hem het publiceren te beletten, was om de column zelf in brand te steken.

Een halfuur later liep ik naar het station met het idee dat hij misschien wel de beste columnist van het moment was, maar ook, die dingen konden kennelijk samengaan, op een bepaalde manier niet elke seconde helder van geest, maar in de jaren die volgden, zag ik eigenlijk alleen maar soortgenoten met precies dezelfde arbeidsethiek.

Alleen De Dikke Man was weleens ziek, Ischa Meijer, die dagelijks in Het Parool had moeten schrijven, en dat meestal ook wel deed. Voor de rest zijn columnisten, hoe ziek ook, nooit ziek. Ze schrijven tot ze erbij neervallen, letterlijk, en zelfs dan schrijven ze door, al kunnen zij alleen nog, vermoedelijk door medicatie opgewekte, maar lastig te begrijpen zinnen voortbrengen.

Enkele weken na mijn bezoekje aan Jan Blokker mocht ik Jan Vrijman bellen, de journalist en filmmaker, die onder het pseudoniem Journaille dagelijks op de voorpagina van Het Parool schreef. Lang kon het gesprek niet duren; Vrijman lag op zijn sterfbed. Toen ik had neergelegd, had ik de indruk dat hij het erger vond dat die dag geen Journaille verscheen dan dat hij aan zijn laatste ademtochten was begonnen.

Het is een alledaagse, grieperige vrijdagochtend, ik heb de thermometer uit de mond gehaald en mij, alle leermeesters indachtig, even heldhaftig in het schrijfpak gehesen. Zo heb ik een wit vakje bestreden, mijn eigen afwezigheid. Ik zie het nu nog even niet, maar het moet beslist zijn waarde hebben, anders deden we zulke dingen niet.

Meer over