Column Remco Campert

REMCO CAMPERT

Mijn sigaret drukte ik uit op het schoteltje van mijn koffiekop. Ik deed het met enige innerlijke weerstand, want zoiets hoor je niet te doen. Maar op de plek waar het hotel het roken goed vond, stond geen asbak, als wilde het hotel me zijn afkeer van het roken nog eens inwrijven. Was men tegen slapen geweest, dan zou er in mijn bed geen kussen hebben gelegen. Zoiets. Als je erop gaat letten, zijn er altijd kleine obstakels op je weg. Je kunt er natuurlijk geen aandacht aan geven en je, blind voor kleinigheden, een onbelemmerde weg banen naar je doel, maar daarvoor moet je iets van een rouwdouw in je hebben. Ik ledigde het schoteltje in een prullenbak verderop, na me ervan vergewist te hebben dat de peuk goed uit was, opdat het hotel niet afgebrand zou zijn als ik er laat in de avond terugkeerde.

Ik werd opgehaald door een assistent van de organisatie, die me met anderen had uitgenodigd voor een optreden in een programma, aan de humor gewijd. Kortom, een avondje verantwoord literair lachen. Bij het verlaten van het hotel bleef de punthak van de assistent in de ijzeren mat steken die in de entree van het hotel lag. Ik was haar behulpzaam bij het oplossen van deze onverwachte hindernis en mocht, vervuld van kuisheid, haar voet aanraken. Het duurde even voor ik uit mijn geknielde houding overeind kon komen. De hak was afgebroken, maar dat was zeker niet mijn schuld. Verder waren er die avond geen obstakels.

Of het zou moeten zijn dat ik me niet humoristisch voelde. Nog blij in de trein op weg naar het optreden in de Belgische stad, maar eenmaal in het hotel gevangen in een motregenwolk van tobberigheid. Er kon geen lachje meer af. Het televisiescherm in de hotelkamer begroette me met 'Welcome, Mr. Campret'. Deze niet helemaal geslaagde spelling bracht Rudy Kousbroek in mijn herinnering terug, die me soms 'Mister Kampret' noemde. Kampret is het Indonesische woord voor vleermuis. Ik schoof de dikke vitrage opzij en keek naar buiten. Het uitzicht over de stad werd me ontnomen door een blinde muur, waarop een doodskop gesjabloneerd was. In de garderobekast hing eenzaam een zwart knaapje.

'Humor is de jongere broer van de ernst', schreef de Poolse dichteres Wislawa Szymborska in haar prozabundel Onverplichte lectuur (Meulenhoff, 1998). 'Tussen de twee broers zijn voortdurend spanningen. De ernst beziet de humor met de superioriteit van de ouderdom en de humor heeft hierdoor vele complexen en zou diep in zijn hart even bezadigd als de ernst willen zijn, wat hem, gelukkig maar, niet lukt.' In de biografieën van humoristen neemt ze een onvermoeibaar zij het hopeloos streven waar van de auteurs om serieuze werken te schrijven. Het doet haar aan acteurs denken. 'Iedere komiek schijnt er heimelijk van te dromen om een tragische rol te spelen.' Denk bij ons aan Kraaijkamp en Freek. Szymborska heeft nog nooit een acteur horen uitroepen: 'Die imbeciel (de regisseur) laat me alweer Hamlet spelen! Het komt niet in zijn stomme kop op dat ik gewoon geboren ben om de nar te spelen.' De dichteres houdt ernst en humor voor 'gelijkwaardig' en ze 'wacht dan ook met smart het ogenblik af dat de ernst bij wijze van revanche de humor begint te benijden.'

In de hotelkamer voelde ik me vaag treurig, maar of dat nu op bezadigde ernst wees, betwijfel ik. Dan had ik waarschijnlijk uit het raam moeten springen. Naar aanleiding van vage gevoelens kun je dat beter niet doen. Dat zou te dolkomisch zijn geweest. En dan ook nog zonder publiek! Zonder publiek springt geen nar uit het raam. Ik zocht het publiek op die avond en vond al spoedig de lach terug, die me even vergaan was.

undefined

Meer over