Clinton scoort in tenue van conservatieven

Wie in de Amerikaanse politiek wil slagen, kan beter niet op een duister verleden als 'liberal' worden betrapt, meent Hugo Young....

BEN JE een liberal, of ben je het ooit geweest? Het antwoord op deze vraag bepaalt niet alleen of je als politicus deugt of niet, maar je hele toekomst kan ervan afhangen. Toegeven dat je ooit sympathieën hebt gehad in die richting is in Amerika tegenwoordig net zo dodelijk voor je politieke carrière als het enkele decennia geleden was om te bekennen dat je ooit met het marxisme had geflirt.

Het is niet ondenkbaar dat dit politieke fenomeen - zij het in een iets andere gedaante - binnenkort overslaat naar andere delen van de wereld. De Republikeinse presidentskandidaat Bob Dole moet bijna kokhalzen als hij in zijn toespraken het woord liberalism uitspreekt. Het is voor hem zo'n beetje de wortel van alle kwaad. Volgens een recent onderzoek noemt nog maar zeventien procent van de Amerikanen zich liberal: een historisch laagterecord.

De voorzitter van het Huis van Afgevaardigden, Newt Gingrich, houdt dagelijks klaagzangen over de media en de adviseurs van Clinton. Het scheldwoord dat hij steevast voor hen gebruikt is liberal, een kwalificatie die - zo weet hij - even vernietigend is als 'hoerenloper'. Progressief Amerika staat met de rug tegen de muur, en dat levert weinig verheffende taferelen op.

De hetze bestaat voor een deel uit louter ordinaire schimpscheuten. Liberals zijn elitair, ze zijn blijven steken in de jaren zestig, het zijn East-coast-intellectuelen, softies die denken dat alle heil van de overheid moet komen.

Maar boven alles zijn het degenen die er in het verleden een potje van gemaakt hebben, waardoor het nu zo slecht gaat met de VS. Liberals worden meer aangesproken op hun 'jeugdzonden' dan op hun huidige opvattingen.

Veel progressieve stokpaardjes hebben dan ook in de loop van de tijd het onderspit moeten delven. Twee daarvan kunnen wellicht symbolisch worden genoemd. Het schoolbus-systeem, vroeger beschouwd als het middel bij uitstek om zwarte kinderen de kans te geven te ontsnappen aan het getto, ligt nu aan alle kanten onder vuur. En de doodstraf, vroeger door heel progressief Amerika gezien als de ultieme barbarij, wordt tegenwoordig verdedigbaar geacht door praktisch iedereen met serieuze politieke ambities.

De meeste klassieke programmapunten van de liberals zijn geheel van de agenda verdwenen, omdat geen enkele politicus zijn vingers er nog aan wil branden. De vroegere eensgezindheid van de liberals ten aanzien van de rassenkwestie bij voorbeeld, bestaat niet meer.

Aan basisverworvenheden als de burgerrechten en het stemrecht wordt weliswaar door niemand meer getornd, en Dole en Gingrich weten dat elke als racistisch aan te duiden slip of the tongue hen zwarte stemmen kan kosten, maar geen progressieve politicus durft meer aan te dringen op een voorrangsbeleid voor minderheden als middel om de ongelijkheid te bestrijden. De rassenkwestie is het bindmiddel van progressief Amerika, en tegelijkertijd heeft het zich hiermee hopeloos in de vingers gesneden.

Aan de ene kant vormen integratiekwesties nog steeds een belangrijke pijler van het progressieve gedachtengoed; Jesse Jackson is zo'n beetje de enige prominente politicus die zich er nog altijd sterk voor maakt. De zwarten zijn er tijdens de Liberal Age - dat zijn climax in de jaren zestig beleefde - dan ook ontegenzeglijk op vooruit gegaan.

Aan de andere kant is de wijze waarop het streven naar rassengelijkheid werd uitgedragen een van de oorzaken van de verzwakking van de progressieve beweging, en de schuldigen moeten eerder worden gezocht onder de vurige ijveraars dan onder de rechtse tegenstanders. We hebben het over de terreur van de politieke correctheid op de universiteiten, in de uitgeverswereld en in de media, die veel ingrijpender is dan menigeen denkt en een smet is op het blazoen van het land van de vrije meningsuiting.

Schrijf in een artikel of een boek dat de joden in Hollywood de dienst uitmaken, en je komt in New York nergens meer aan de bak. Verkondig je dat het principe van gelijke behandeling van alle rassen niet mag leiden tot een aantasting van de academische vrijheid, dan kun je je hoogleraarstoga wel aan de wilgen hangen. Deze ellende hebben de liberals over zichzelf afgeroepen.

De hoofdoorzaak van de hetze is echter dat het begrip liberalism langzamerhand synoniem geworden is aan socialisme. De eerste associatie die het woord liberalism in Amerika oproept, is het idee van een krachtige overheid, en degene die daar het felst tegen pleit is niet Bob Dole of Newt Gingrich, maar Bill Clinton. Als leider van de partij die vroeger gedomineerd werd door liberals, weet hij - welbespraakt als hij is - een verbale buffer te leggen tussen zichzelf en dit gewraakte politieke etiket.

Het is overdreven te stellen dat Dole en Clinton één pot nat zijn en dat het dus niets uitmaakt wie in november president wordt, maar op hoofdpunten is de verkiezingsstrijd een schijngevecht. Net als Dole, moet ook Clinton weinig hebben van een sterke federale overheid.

Wanneer het hem uitkomt, wil hij ook wel eens een gebaar maken in de richting van de traditionele linkse pressiegroepen binnen de partij: zwarten, vakbonden, ambtenaren en alleenstaande moeders. Maar deze progressieve noten klinken beduidend minder hard dan zijn neoliberale geluid.

CLINTON werd drie jaar geleden gekozen als exponent van de New Democrats, de nieuwe, anti-socialistische stroming binnen de Democratische Partij. Met zijn plan voor de hervorming van de gezondheidszorg, dat een zevende van de Amerikaanse economie onder overheidstoezicht zou brengen, betoonde hij zich echter weer een Democraat van de oude stempel. Zijn plan haalde het dan ook niet.

De boodschap van zijn laatste State of the Union was dat de overheid verder moest terugtreden. Hij is echt van deze noodzaak overtuigd. Althans, hij wil daar graag van overtuigd zijn. Geen enkele presidentiabele politicus wil geassocieerd worden met het ideaal van een sterke centrale overheid.

De hevige strijd over de Amerikaanse begroting is geëindigd in een politieke overwinning voor Clinton, maar tevens in een ideologische overwinning van het neoliberalisme, dat de Democraten lange tijd verworpen hebben. Er wordt weliswaar minder ingekrompen dan Gingrich cum suis hadden gewenst, maar niettemin is het startsein gegeven voor een ingrijpende bezuinigigingsoperatie, en is besloten tot stopzetting van tweehonderd federale programma's.

Het ziet er niet naar uit dat het politieke klimaat in Amerika binnen afzienbare tijd zal veranderen, en daarom zal er voorlopig geen plaats zijn voor het idee van een krachtige overheid en de overtuiging dat er voor ieder probleem een politieke oplossing is.

Hugo Young is commentator van The Guardian.

The Guardian/de Volkskrant.

Vertaling: Harrie van der Meulen.

Meer over