Claude Chabrol gelooft nog steeds in de klassenstrijd Vriendinnen moorden rijk gezin uit

In Claude Chabrols psychologische thriller La cérémonie staat het standsbesef centraal. 'De maatschappij is nog steeds opgebouwd uit klassen waarvan het absurd is ze te verenigen.' Thematisch lijkt zijn film op La haine van Kasovich....

PETER VAN BUEREN

CLAUDE CHABROL is in vorm. Ondanks zijn aanzienlijke embonpoint zit de 65-jarige regisseur goed in zijn vel en over zijn nieuwe film La cérémonie mag hij tevreden zijn. In Venetië winnen zijn twee hoofdrolspeelsters Isabelle Huppert en Sandrine Bonnaire samen de prijs voor de beste actrice en papa Claude is trots.

Chabrol houdt van zijn actrices. In 1978 gaf hij Isabelle Huppert de kans de actriceprijs in Cannes te winnen voor Violette Noziëere, hoewel hij twintig jaar pertinent geweigerd had zijn films voor dat festival beschikbaar te stellen, nadat in 1958 de Franse minister van Cultuur er persoonlijk voor had gezorgd dat zijn debuut Le beau Serge uit het programma werd geschrapt.

La cérémonie is weer is zo'n effectieve psychologische thriller met een gemene ondertoon. Chabrol noemt het zelf 'de laatste marxistische film' en begint daar gelijk om te bulderen. 'Dat is natuurlijk een grap, maar wel een met een ernstige ondertoon. Ik wil het begrip klassenstrijd weer invoeren, want het klassebesef is belangrijk. De maatschappij is nog steeds opgebouwd uit klassen waarvan het absurd is ze te verenigen. La céeréemonie toont de meest elementaire klassen: de baas en de bediende in een huis.'

De baas (Jean-Pierre Cassel) is directeur van een sardientjesfabriek. Zijn vrouw (Jacqueline Bisset) heeft een galerie, hun dochter (Virginie Ledoyen) studeert en zoonlief (Valentin Merlet) is het verwende rijkeluiskindje. Het gezin heeft een nieuw dienstmeisje nodig, een bonne. Mevrouw neemt er een aan en wijst het meisje (Sandrine Bonnaire) er op dat het huis nogal geïsoleerd gelegen is, tien kilometer buiten de stad. Voor deze Sophie is dat geen probleem.

In de dagen voor de komst van het nieuwe meisje praat het gezin tijdens de maaltijd over haar. De dochter des huizes, die haar vader wel eens uitscheldt en recalcitrante neigingen vertoont, vindt bonne een denigrerend woord. Pa is een fascist.

Sophie blijkt in elk geval prima te kunnen koken, hoewel haar wijze van bedienen nog niet perfect kan worden genoemd, maar dat kan geleerd worden. Sophie heeft haar trekjes en papa begint zich al snel aan kleine dingen te ergeren, zij het minder dan aan Jeanne, het meisje van het postkantoor (Isabelle Huppert) dat altijd zijn brieven openscheurt, hoewel dat niet te bewijzen valt. Pa heeft in de krant trouwens haar foto gezien bij een artikel over een jonge vrouw die haar kind zo had verwaarloosd dat het stierf. Ze werd vrijgesproken, want haar schuld viel niet te bewijzen.

Ook bij Sophie is ooit iets niet bewezen geacht, namelijk haar rol bij een brand waarbij haar vader omkwam. De twee jongedames vinden elkaar en worden gezworen vriendinnen, die het uitschateren wanneer zij achter elkaars verleden komen.

Sophie heeft een groot probleem: zij is analfabeet. Met allerlei trucjes weet zij deze handicap nog een tijdje te verbergen, tot de dochter des huizes er achter komt en haar verraadt bij haar ouders, hoewel Sophie op haar beurt dreigt te verraden dat de dochter zwanger is. De directeur heeft zijn alibi om van de bonne af te komen. Hij wil niet al te hard zijn, want het is niet Sophies schuld dat zij niet kan lezen, maar ja, ze had het wel moeten zeggen. Nog een week mag ze haar kamer aanhouden en hij wil geen telefoontjes over referenties.

Zo is de situatie wanneer op een avond het gezin voor de televisie een uitvoering van Don Giovanni bekijkt, als vanuit een schouwburgloge. Op het moment dat de tweede akte begint, komen de onderhuidse spanningen tot een uitbarsting. De geweren die vader had schoongemaakt voor een gezellige jachtpartij worden door de meisjes gebruikt om het gezin neer te knallen. Dat Jeanne bij haar aftocht eveneens het loodje moet leggen - zij wordt aangereden door de pastoor - is een tragische bijkomstigheid. Elke revolutie heeft zijn slachtoffers.

La cérémonie is gebaseerd op A Judgement in Stone van Ruth Rendell uit 1977. Chabrol heeft dat boek naar zich toegetrokken, of zoals hij zelf zegt: 'de structuur gehandhaafd, maar erbij gedacht hoe Rendell het nu geschreven zou hebben. In het boek was de postvrouw veel ouder en getrouwd met een man die haar terroriseerde. Dat is een aanvullende frustratie die ik heb weggelaten. Ik heb haar ook een stuk jonger gemaakt om haar geheime verbond met het dienstmeisje beter tot zijn recht te laten komen.

'De directeur heb ik trouwens ook een frustratie gegeven: hij heeft een passie voor muziek en zou veel liever musicus zijn geworden dan directeur van een fabriek waar ze sardientjes in een blikje stoppen, haha. Verder was het dienstmeisje in het boek oud en lelijk, een monster met een snor. Dat zou de film een freaks-effect geven, dat leek mij niets. Nee, twee jonge vrouwen die een verborgen frustratie hebben en opeens losbarsten als ze in een positie komen die je vernederend kunt noemen.'

'La cérémonie' lijkt thematisch op 'La haine', waar ook amok wordt gemaakt als gevolg van opgekropte woede.

Chabrol: 'Ik heb die film gezien tijdens de montage van La céeréemonie. Een heel ander milieu, maar inderdaad een zelfde diagnose. Kasovich, de regisseur van La haine, zegt hetzelfde als ik, met dat verschil dat hij een actueel beeld gebruikt, de banlieue van Parijs nu, terwijl ik een breder, zeg eeuwiger decor neerzet. De voornaamste reden is dat ik de bourgeoisie in een dorp beter ken dan de allochtonen in de voorsteden.'

Claude Chabrol heeft zijn burgerlijke afkomst nooit verhuld. Het is het milieu dat hij in veel films te grazen neemt, zij het niet altijd rechtlijnig. Steeds weer stelt hij de hypocrisie van het burgerlijke gezin aan de kaak, maar even vaak laat hij merken dat het buiten dat gezin soms nog erger is. En de man die inhaligheid bespot in talloze copieuze maaltijdscènes, heeft het uiterlijk van een gourmand.

U hekelt de burgerij, maar behoort er zelf toe. Het is ook daarom een farce om 'La cèerèemonie' een marxistische film te noemen.

'Ik zou niet weten wat dat uitmaakt. En het is ook niet een echt marxistische film, maar een film vanuit het idee dat Marx nog bestaat. Vanaf het moment dat Oost-Europa overleed met de val van de Muur hoor je alleen maar stomme dingen over Marx. Terwijl hij toch heel veel waars over de maatschappij heeft gezegd dat nog steeds van toepassing is.'

Noemt de dochter des huizes haar vader daarom een fascist?

'Dat is ook een grap. Je hoeft geen marxist te zijn om iemand een fascist te noemen. Het is typisch de kreet van een studerend rijk meisje. Elke student roept fascist tegen elke politieagent, het houdt niet meer in dan 'klootzak'. Het gezin in mijn film is heel normaal, minder karikaturaal dan bij Buñuel.'

'La cérémonie' is uw zoveelste film over vrouwen. Is er wat met die vrouwen veranderd sinds 1958, toen u met 'Le beau Serge' de aanzet gaf tot de Nouvelle Vague?

'Er is enige vooruitgang. Ik wil het woord bevrijding niet gebruiken, maar vrouwen hebben steeds meer de mogelijkheid te doen wat ze willen, hun verlangens waar te maken. Westeuropese vrouwen zijn een stuk verder dan moslim-vrouwen, zal ik maar zeggen. Aan de andere kant vind ik dat je na de val van de Muur weer een terugslag ziet. In steeds meer landen zie je elementen van een reactie en dat is heel gevaarlijk. Het oude sentiment van de superieure man is aan het terugkomen. Daar moet je vreselijk voor oppassen.'

Vindt u zichzelf in die dertig jaar veranderd?

'Een beetje, zeker, ik ben wat stabieler. Het rare is dat ik tegenwoordig meer een jaren-zestig-mentaliteit heb dan in de jaren zestig zelf. Ik was nooit zo door die periode geobsedeerd, in tegenstelling tot Godard, die zich inmiddels uit de maatschappij heeft teruggetrokken en in een aparte wereld leeft, op een eigen planeet. Daar zou ik me toch een beetje eenzaam voelen. In dat opzicht ben ik toch meer dan Jean-Luc maatschappelijk betrokken.

'Ooit heb ik, met Nana, een echt politieke film gemaakt, over terroristen. Toen werd ik van alle kanten afgeschoten. Het establishment riep dat ik een anarchist was, de anarchisten vonden dat ik die terroristen te zeer als gangsters had geschetst. Dat was in 1973. Misschien heb ik nu beter door hoe het allemaal in elkaar steekt. Ik vergis me minder.

'Ik moet zeggen dat dat me niet vrolijker maakt. Als je diep in mijn hart kijkt, door alle grappen heen, kan ik maar één ding zeggen: ik ben bang dat de maatschappij compleet uit elkaar valt. En wel in een razend tempo.'

Meer over