Cicero eet sla uit noodzaak met een vork

De mooie Hester zette haar geleerde man Arthur en hun gast Jacob sla voor. Ze werd kregel omdat ze de mannen tot opscheppen moest manen, terwijl die hun gesprek voortzetten over het lot en de vrije wil....

CICERO - Marcus Tullius Cicero, om u te dienen.

JACOB - U komt als geroepen.

CICERO - Anders had ik me toch ook nooit zo plompverloren aan uw gezelschap durven opdringen?

JACOB - U hebt over het lot geschreven in uw De Fato...

CICERO - Een haastwerkje, dat beter had gekund. Al doet het me natuurlijk genoegen dat u het kent.

JACOB - Alleen de titel, vrees ik. Maar u hebt ons gesprek blijkbaar gevolgd en we zijn benieuwd naar uw mening. Is het ons lot dat we zijn wie we zijn en dat we doen wat we doen?

CICERO - Laat me, voor ik daar antwoord op probeer te geven, u eerst eens een vraag stellen. Stel dat het woord lot niet bestond of geen inhoud had, geen werking uitoefende, en dat de meeste gebeurtenissen zomaar plaatsvinden, bij toeval...

HESTER - Mijn idee!

CICERO - Uw opvatting, mevrouw, respecteer ik. Maar als u me toestaat om nu even mijn vraag af te maken: als alles zonder plan ging of op goed geluk, zou alles dan anders lopen dan nu het geval is?

JACOB - Ik denk het niet.

ARTHUR - We zouden het dan nu alleen over wat anders hebben gehad.

JACOB - Misschien wel over het heerlijke eten dat Hester heeft klaargemaakt.

HESTER - Wilt u zich trouwens ook niet wat opscheppen?

CICERO - Ja, je hebt nog eens wat om over te praten onder het eten, dat is het aardige van de filosofie. Als Romein heb ik me trouwens met bevend hart aan dit soort discussies gewaagd, want wij waren daar niet zo goed in als de Grieken. Dat was misschien ons lot. Het ligt nu eenmaal niet in onze macht of we scherpzinnig zijn of bot, maar dat ik nu besluit om wat sla te nemen heb ik wel zelf in mijn macht.

JACOB - Maar waar begint die macht?

CICERO - Alles heeft een oorzaak. Niets komt voort uit niets. Altijd moet er een oorzaak zijn en voor de oorzaak moet dan ook weer een oorzaak zijn en ga zo maar door. De heerlijke sla die ik nu eet, is klaargemaakt door Hester, die hem gekocht heeft bij de groenteman. Hij heeft de sla op zijn beurt weer gekocht van een groothandelaar in de markthallen. De groothandelaar heeft de sla weer gekocht op de veiling. Daar is de sla ingebracht door de kweker die hem verbouwd heeft op het bedrijf dat hij erfde van zijn vader. Over de vork waarmee ik de sla op mijn bord schep, kan ik u op die manier ook een hele aria voorzingen en u, mevrouw, bent ook weer een machtig epos dat culmineert in dit hapje sla. Er is geen eind aan de oorzaken van mijn hapje sla.

HESTER - Waar wilt u nu eigenlijk heen?

CICERO - Het begrip lot is ondenkbaar zonder een eeuwige keten van oorzaken die maakt dat we zijn die we zijn en doen wat we doen. Al die oorzaken vormen samen het lot.

JACOB - Waarin wij gevangen zitten?

CICERO - Ja. Maar in die gevangenis hebben we wel enige bewegingsvrijheid.

HESTER - Dat zou ik ook denken als ik u nu zie toetasten. Maar het is u van harte gegund hoor!

CICERO - Alles heeft onvermijdelijk een oorzaak, iets kan niet voortkomen uit niets.

JACOB - Zoals u zelf, als ik even zo vrij mag zijn.

CICERO - Ik heb in lang niet zulke heerlijke sla gegeten en mijn verlangen naar die sla komt dus voort uit mijn trek in die sla.

ARTHUR - Zal ik u ook wat wijn inschenken?

CICERO - Graag. Maar laten we intussen ons boeiende gesprek voortzetten. Kijk, ik schreef mijn De Fato, jullie hebben het over het lot en daarom zit ik hier nu aan tafel. Je kunt, als je dat wilt, een aaneenschakeling van oorzaken verzinnen voor het feit dat wij nu hier dit gesprek hebben. Maar mensen die zo denken, beroven de mens van zijn vrije wil en knevelen hem met behulp van de onontkoombaarheid van het lot.

HESTER - Dus is er iets mis met die redenatie.

CICERO - Nee, de redenatie is goed.

JACOB - Dan is het lot dus...

CICERO - Maar niemand gelooft werkelijk in het lot! Want dan zouden we helemaal niets meer doen. Als je ziek wordt en je gelooft in het lot, dan zeg je: of ik een dokter laat komen of niet maakt niets uit, want of ik genees of dat die ziekte mijn dood wordt ligt besloten in het lot. Maar je laat wel een dokter komen, je berust niet in je lot, welnee, je wilt leven.

HESTER - Dat is dus een keuze.

CICERO - Dat je een dokter laat komen is je wilsbesluit en daar komt het lot niet aan te pas.

ARTHUR - Nee, ik dacht al, als ik u zo zie eten...

CICERO - Als we het over lot hebben bedoelen we doorgaans een aan elk van onze daden voorafgaande natuurlijke oorzaak die buiten ons ligt. Maar de oorzaken van ons willen liggen niet buiten ons. Onze geest heeft de eigenschap dat zij in onze macht ligt en zich naar ons voegt.

JACOB - Maar wat is daar dan de oorzaak van?

CICERO - De oorzaak van de zelfstandigheid van onze wil is nu juist gelegen in die zelfstandigheid.

HESTER - Pardon?

CICERO - Ons gewone taalgebruik is niet precies genoeg als we zeggen dat iemand iets al dan niet doet of wil zonder dat daar een oorzaak voor is. U gaat, als u me toestaat, een keer dood.

ARTHUR - Dat valt niet te ontkennen.

CICERO - Net zoals ik destijds, in het jaar 43 voor Christus. Leven draagt als natuurlijk gevolg in zich dat je een keer doodgaat. Maar er is een groot verschil tussen oorzaken die een natuurlijk gevolg in zich hebben en toevallige oorzaken.

JACOB - Toevallige oorzaken?

CICERO - Ja, toevallige oorzaken.

JACOB - Daar zit een tegenspraak in. Toeval en oorzaak kun je niet zomaar met elkaar verbinden. Iets komt noodzakelijk voort uit een oorzaak...

CICERO - Dan heb je het over noodzakelijke oorzaken.

JACOB - Dat u een vork in uw hand heeft om een hap sla naar uw mond te brengen is dus, als ik het goed heb begrepen, een noodzakelijke oorzaak van die hap?

CICERO - Ja. Dat ik nu een hap sla neem heeft zo zijn noodzakelijke oorzaken, maar ik zou het ook kunnen laten.

HESTER - Wie zou me dwingen?

ARTHUR - Maar u eet anders wel van de sla.

JACOB - Die hap sla ging dus door een toevallige oorzaak uw mond in?

CICERO - Zo zou je het kunnen zeggen. Wie, zeg drieduizend jaar geleden, zei dat Cicero in 43 voor Christus zou sterven sprak de waarheid. Toch waren er geen aan de lotsbeschikking ontleende oorzaken waardoor het zo is gegaan, maar omdat het nu eenmaal zo gebeurde moest het dus blijkbaar gaan zoals het ging en zou je kunnen zeggen: dat was mijn lot. Maar zo strak ligt de toekomst nooit vast. De toekomst is onvoorspelbaar en dat geeft ons vrijheid.

JACOB - Er dus een verschil tussen, zeg maar, het grote lot...

CICERO - Heel lekkere sla, trouwens.

JACOB - ...en het kleine, waar je zelf de baas over bent?

CICERO - Niet alles vindt plaats volgens lotsbeschikking. Als je van alles zegt dat het lag besloten in het lot, dan verdient niemand lof of straf voor zijn daden.

JACOB - Ja, dan is het eind zoek.

CICERO - Maar het eind is niet zoek en het begin ook niet. Jij, Jacob, vindt Hester vast aantrekkelijk en misschien voel je soms de impuls om haar te bespringen, maar je geeft jezelf geen toestemming om aan die impuls toe te geven. Die macht heb je over zo'n impuls, zoals over alle oorzaken die niet buiten je maar in je zijn gelegen.

JACOB - Toch wringt er iets in uw redenatie.

CICERO - Ik zei al dat mijn De Fato de sporen draagt van haast. Het was een eerste aanzet, een jaar voor mijn dood geschreven. Na mijn dood is het thema verder uitgewerkt en in de tweede en derde eeuw na Christus werd het zelfs mode om de menselijke vrijheid te verdedigen tegen, ja, de oude noodlotsgedachte van de Grieken en tegen de astrologen die dachten dat alles al in de sterren stond, tot de christenen daar hun draai weer aan gaven.

ARTHUR - Uw getergde toon is veelzeggend.

CICERO - En uw sla was heerlijk.

Met die woorden verdween de oude Romein weer in het niets. Maar wij zouden het op prijs stellen, waarde lezer, als u volgende week woensdag weer mee komt eten.

Meer over