China's geschiedenis als slapstick Recensie

In zijn bestseller Broers beschrijft Yu Hua een krankzinnig geworden China - droog, laconiek en zonder commentaar. De verteller lijkt net zo waanzinnig als de wereld om hem heen.

MARK LEENHOUTS

Yu Hua: Broers

Uit het Chinees vertaald door Jan De Meyer.

De Geus; 861 pagina's; € 29,95.

In het nawoord bij zijn grote succesroman Broers schrijft Yu Hua, een van China's bekendste auteurs, dat het boek is voortgekomen uit een 'ontmoeting tussen twee tijdperken'. Enerzijds de Culturele Revolutie, een tijdperk van fanatisme en onderdrukking 'dat vergeleken kan worden met de Middeleeuwen in Europa'; anderzijds het heden, een tijdperk van morele ontwrichting en hedonisme, 'en dit nog extremer dan in het Europa van vandaag'. Kortom: een westerling 'zou vier eeuwen moeten leven' om te ervaren wat een Chinees in veertig jaar heeft doorgemaakt.

Die westerling kan ook Yu Hua's bestseller lezen, waarvan in China minstens een miljoen exemplaren zijn verkocht. Broers vertelt hoe twee halfbroers die veertig jaar doorlopen - vanwege hun tegengestelde karakters elk op een andere manier. Ze groeien tijdens de Culturele Revolutie op, net als de in 1960 geboren Yu Hua. In de jaren van de economische opmars vervreemden ze van elkaar en niet alleen omdat ze dezelfde vrouw begeren. Terwijl de brave arbeider Song Gang ten onder gaat in de nieuwe maatschappij, weet het boefje Kaalkop zich handig op te werken tot een van de rijksten van het land - zo rijk dat hij zich zelfs een ruimtereisje kan veroorloven.

Uit dat laatste blijkt al dat Yu, om het contrast van vier eeuwen te schetsen, het in de overdrijving zoekt, zoals ook zijn vakbroeder Mo Yan dat graag doet. De waanzin van Mao's klassenstrijd, in het eerste deel, is niet zo verrassend voor wie Yu's eerdere werk kent. Klinische beschrijvingen van gruwelijk geweld vond je ook in zijn romans Leven! (1992, verfilmd als Lifetimes door Zhang Yimou) en De bloedverkoper (De Geus, 1996). Het argeloze kinderperspectief in het eerste deel van Broers maakt een en ander ook nog wel aannemelijk. Het is de waanzin van de consumptiemaatschappij in het tweede, dubbel zo lange deel, die tot groteske toestanden leidt.

Ten eerste is er de manier waarop Kaalkop zijn geld verdient. Geholpen door gehandicapten uit een kansloze sociale werkplaats, bouwt hij zijn imperium uitgerekend op basis van afvalverwerking. Dan is er wat hij met zijn geld doet, naast het opkopen van zowat het hele stadje waar de roman zich afspeelt. Gluurde hij tijdens de puriteinse Culturele Revolutie nog in stinkende latrines naar vrouwenkonten, als tycoon slaapt hij met ontelbare vrouwen, onder wie de finalisten van een Miss Maagdelijkheidsverkiezing. Dat is een absurd festijn waarbij alle deelneemsters toch al rustig met de jury naar bed gaan, aangezien de handel in kunstmatige maagdenvliezen welig tiert.

Kaalkops sullige broer probeert na zijn ontslag uit de staatsfabriek zijn kostje te verdienen met de verkoop van borstvergrotende crème, waarvoor hij zich chirurgisch, als levende reclame, een paar borsten laat aanmeten.

Yu Hua schrijft dit allemaal droog en laconiek op, in groot detail, zonder commentaar. De roman is mede zo dik, met 850 pagina's misschien wel iets te dik, doordat Yu voor alle scènes ruim de tijd neemt. Hij stapelt telkens weer beeld op beeld en maakt alles alleen maar gekker. Het trieste einde van de sullige broer wordt daardoor wel wat moeilijk invoelbaar, hoeveel tranen Kaalkop ook om hem plengt. Het is alsof Yu ook emoties alleen maar kan presenteren als vet sentiment.

Nu is sentiment geen vies woord in de Chinese literatuur. Ook het laten spreken van de beelden is er gebruikelijker dan een beschouwende, onderzoekende inslag. Toch zul je van Yu Hua niet eens het begin van een antwoord krijgen op de vraag waar alle waanzin in het boek vandaan komt. Zijn personages schijnen zich die vraag ook niet te stellen. Yu duidt ze vaak aan als 'de massa's', met een ironische knipoog naar het maoïsme, of anders wel als 'de smid' of 'de tandentrekker' (een verwijzing naar Yu's eigen verleden: hij werkte vroeger als tandarts).

Het zijn welbewuste karikaturen, grof omlijnde types die, net als in zijn eerdere romans, slechts bezig lijken te zijn met overleven, niet verder kijkend dan het 'gestoomde broodje' van de volgende dag.

Dat politieke beperkingen Yu Hua van zo'n onderzoek afhouden, vooral waar het de Culturele Revolutie betreft, is maar ten dele waar. Hij is een prominent lid van de Schrijversbond - en dus niet echt de doorn in het oog van het regime, zoals de omslagtekst roept - maar in het buitenland wil hij de laatste jaren wel eens zijn mond opendoen.

In zijn essaybundel China in Ten Words (Vintage, 2012), die hij bewust niet in China uitbracht, gaat hij bijvoorbeeld expliciet in op een politiek taboe als het Tiananmen-incident van 1989, dat hij in Broers slechts indirect kan laten voorkomen. Maar ook daar: alleen impressies, geen zucht naar antwoorden.

In Broers is het alsof hij de antwoorden gewoon niet heeft. De verteller ratelt maar door, in een betoog vol herhalingen en stoplappen; bij alle personages parelt het zweet op dezelfde manier en alle smeden en tandentrekkers vloeken op dezelfde manier. De verteller lijkt daardoor net zo waanzinnig als de wereld om hem heen. Sterker nog, hij heeft het telkens over 'ons stadje' - hij zit er dus letterlijk middenin. Hij beschrijft het alsof alles hem ook overkomt, en het nog steeds niet kan geloven.

Dat bedoelde Yu Hua vast in zijn nawoord: misschien moet de westerling die het ambitieuze Broers oppakt zijn ongeduldige vragen maar even wegstoppen en het allemaal eerst maar eens ervaren.

undefined

Meer over