China rolt zijn spierballen

Paul Brill

De naam klinkt als een exotische planeet uit de Star Wars-films van George Lucas (in a galaxy far far away): Chimerica. Maar het gaat om een zeer aardse term, een kleine vier jaar geleden bedacht door de historicus Niall Ferguson en de econoom Moritz Schularick, die daarmee de gemeenschappelijke economische slagkracht en de symbiotische relatie van China en de Verenigde Staten tot uitdrukking wilden brengen.

Neologisme
Voor het construeren van dit neologisme gaven – en geven – de cijfers alle aanleiding. Tezamen zijn het zwaargewicht Amerika en het steeds-zwaardere-gewicht China goed voor eenderde van de wereldeconomie. Ze herbergen een kwart van de mondiale bevolking, ze bestrijken 13 procent van het aardoppervlak, en tot het uitbreken van de financiële crisis namen ze de helft van alle economische groei voor hun rekening. Tel de defensiebegrotingen van de twee landen bij elkaar op, en je zit op bijna 50 procent van alle militaire uitgaven in de wereld.

Ferguson ging begin 2009 zelfs zo ver dat hij Chimerica afschilderde als de ware spil in de internationale besluitvorming. Niet de te beperkt samengestelde G8, noch de juist weer te zwaar beladen G20, maar de (officieuze) G2 van de VS en China zou, vooral op economisch terrein, het feitelijke directoraat van de wereld gaan vormen. Hoewel er nooit in die termen over zou worden gepraat, zouden Washington en Peking zich allebei ook wel kunnen vinden in zo’n stille understanding.

Forse kloof
Het kan verkeren: een jaar later gaapt er een forse kloof tussen de kapitein en de eerste stuurman van Chimerica. Niet dat de symbiotische relatie in vergaande staat van ontbinding verkeert. Financieel-economisch blijven de twee landen in sterke mate aan elkaar verklonken. China is nog steeds de grootste financier van de gigantische Amerikaanse staatsschuld (al heeft het de laatste maanden wel 30 miljard dollar aan staatsobligaties verkocht aan andere Aziatische landen), terwijl de VS een cruciale afzetmarkt blijven voor de Chinese export. Maar verder is onmin troef in de Amerikaans-Chinese betrekkingen.

Een kort resumé van de kwesties die de laatste maanden hebben gespeeld en deels nog spelen: de controverse rond Google en de Chinese cyberspionage; de Amerikaanse wapenleverantie aan Taiwan ter waarde van 6,4 miljard dollar; de handelsgeschillen over diverse producten; de onverkwikkelijke aanvaring tussen de Amerikaanse en de Chinese delegatie tijdens de klimaattop in Kopenhagen; de sterk verschillende visies op de aanpak van regimes die op grote schaal mensenrechten schenden en/of VN-resoluties aan hun laars lappen, met name Iran, Birma en Soedan.

Steen des aanstoots
Afgelopen week kwam er nog een steen des aanstoots bij: het bezoek van de dalai lama aan het Witte Huis. Op voorhand had Peking uiting gegeven aan zijn ‘diepe ongenoegen’ over de ontmoeting van Tibets geestelijk leider met president Obama. Na afloop werd er nog een schepje bovenop gedaan: door de ontvangst van de dalai lama zijn de Amerikaans-Chinese betrekkingen ‘ernstig ondermijnd’, een schade die door de VS met ‘effectieve stappen’ dient te worden gerepareerd.

Nu maakt China altijd misbaar wanneer de dalai lama ergens zijn opwachting maakt, maar dit keer is de toon van het protest duidelijk luider en barser dan in het verleden. Om twee redenen is dat opmerkelijk, om niet te zeggen vreemd.

Ten eerste: hoeveel heeft China eigenlijk te duchten van de dalai lama? Onafhankelijkheid voor Tibet staat al lang niet meer op de internationale agenda, ook de dalai lama zelf ijvert er niet voor, maar komt op voor godsdienstvrijheid en voor een betekenisvolle invulling van de autonomie die het gebied op papier heeft. Ongetwijfeld zijn er Tibetanen die nog wel dromen van de onafhankelijkheid, maar juist dat zou ervoor pleiten om de veel gematigder dalai lama niet te vuur en te zwaard te bestrijden en tot een gentlemen’s agreement met hem te komen.

Hardere lijn
Er is evenwel veeleer sprake van een hardere lijn. Hoe valt dit te verklaren? Zijn de leiders in Peking toch minder zeker van hun interne legitimiteit dan je zou denken, en zijn ze daarom bang dat flexibiliteit wordt gezien als een teken van zwakte? Of fungeert de dalai lama als een pion in een weloverwogen exercitie om de wereld te doordringen van de groeiende Chinese macht?

Dit laatste lijkt me eigenlijk de meest plausibele uitleg, temeer daar – en dit is het tweede opmerkelijke punt – de algehele verslechtering van de Amerikaans-Chinese betrekkingen zich voltrekt op een moment dat in het Witte Huis een president zetelt die duidelijk meer waarde hecht aan diplomatie dan zijn voorganger(s) en staat voor een bescheidener projectie van de Amerikaanse macht.

Tijdens hun staatbezoeken aan China spraken Clinton en Bush jr. beslist robuustere taal over democratie en mensenrechten dan Obama vorig jaar deed. Bovendien ging hij voorafgaand aan zijn Chinareis een ontmoeting met de dalai lama uit de weg, omdat hij zijn gesprekken in Peking niet wilde belasten. Maar al die behoedzaamheid heeft eigenlijk niets opgeleverd. In tegendeel. Zo is het in de voor de regering-Obama zeer precaire kwestie-Iran nu veeleer Peking dan Moskou dat zich opwerpt als beschermengel van de ayatollahs tegen verdere VN-strafmaatregelen.

Verhoudingen
Voor een deel kan de grotere Chinese macht natuurlijk niet anders dan als een feit worden aanvaard. Alleen al het betrekkelijke gemak waarmee het land, anders dan het Westen, de recessie het hoofd heeft geboden, geeft aan dat de verhoudingen in de wereld zijn verschoven.

Maar zolang Peking niet de indruk wekt dat groeiende macht gepaard gaat met een groter besef van verantwoordelijkheid voor elementaire menselijke waarden, blijft stevig tegenwicht geboden. Dus ook al zal het gesprek weinig om het lijf hebben gehad: het is goed dat de dalai lama in het Witte Huis is ontvangen. Hopelijk is hij op termijn ook weer welkom in Berlijn, Parijs en Den Haag.

Meer over