Châteauroux (2)

In het centrum van Châteauroux regende het net zo hard als op de parkeerterreinen van de supermarkten aan de uitvalswegen en ik had op het lege marktplein de keus tussen twee uitspanningen: een oude bar met oude mannen die naar voetbalflitsen van de vorige zondag zaten of stonden te kijken,...

Nóg meer zuipen waarschijnlijk.

Na twee keer heen en weer te zijn gelopen tussen beide etablissementen, koos ik uiteindelijk voor de oude mannen en hun oude kroeg, niet in de laatste plaats omdat bij het tafeltje onder de televisie een stopcontact zat, zodat ik mijn onopgeladen computerbatterij van wat prik kon voorzien. Verderop zag ik al twee restaurants voorzichtig aanstalten maken om open te gaan. Het liep dus tegen twaalf uur. Maar voor ik de inwendige mens kon gaan versterken, moest ik zorgen dat de inwendige mens dit droeve oord veilig kon verlaten, dus ik belde vanaf het toilet het thuisfront. Mijn boodschap werd met daverend gelach ontvangen.

‘Zoek dat nou maar eens mooi zelf uit’, besloot mevrouw Bril haar portie humor voor die dag. ‘Jij wilt hard rijden, dan ga je ook maar op de blaren zitten.’

Ze zweeg even. ‘Eikel’, zei ze toen.

De volgende klant die ik kon bellen, was mijn vriend Dick in Antwerpen, altijd te porren voor een uitje. Maar deze keer was Dicks uitje al in volle gang en het leidde precies de verkeerde kant op – Dick ging namelijk met zijn vrouw een bezoek brengen aan de Dom in Keulen, daar speelde zich een grootse postzegelbeurs af. ‘Je weet hoeveel ik van postzegels hou’, wreef hij het mij nog maar eens fijn in.

Ik belde de krant. Of ze mij konden doorverbinden met de correspondent in Parijs. Die was daar nog niet zo lang geleden geïnstalleerd; grote kans dat hij Châteauroux en omstreken nog niet in kaart had gebracht, ik bedoel: hij kon er een zakenreis van maken. En verdomd: hij was niet alleen thuis, hij nam ook nog eens de telefoon op en hoefde maar een fractie van een seconde na te denken: hij kwam. Ik hoorde zijn vingers al over het toetsenbord van zijn computer gaan. Er ging een expres naar Orléans en daarvandaan was het anderhalf uur boemelen, best te doen op een regenachtige dag.

Tot straks!

Daarmee had ik mezelf en de auto in Parijs, maar nog niet veilig in Nederland. Ik belde een jonge neef die mij wel vaker rijdt. Of hij zin had om even naar Parijs te sporen met de Thalys.

Had hij best.

Welnu: ik zou daar om een uur of acht bij Brasserie Terminus arriveren, we zouden copieus oesters eten en daarna naar Amsterdam knallen. Het klonk de neef als muziek in de oren, vooral dat knallen.

Ik verliet het toilet en ging onder de televisie naar mijn laptop zitten kijken. De oude mannen keken naar mij en ik gaf een rondje om het succes van de onderneming kracht bij te zetten. Daarna pakte ik mijn spullen in en begaf me in de regen om ergens een hapje te eten. Ik ben het exacte adres vergeten, maar het was in een achterafstraatje met glibberige keitjes. De tafeltjes waren gedekt met rood-wit geruite kleedjes en bij wijze van plat du jour kwam een kalfsragout ter tafel waar ik een moord voor zou doen, werkelijk: mijn geluk kon niet op.

(Wordt vervolgd)

Meer over