Charmeur met een ruw randje

Filmhelden gaan over het algemeen hoogstens een paar decennia mee. Maar voor Cary Grant ligt dat een stuk genuanceerder. De ouderwetse mannelijkheid van de gentleman-held is juist in het filmjaar 2008 weer actueel....

Natuurlijk gaat de dialoog ook over hemzelf. In de Hitchcock-film North by Northwest, in koor uitgeroepen tot het hoogtepunt van zijn loopbaan als acteur, gaat Cary Grant tijdens een treinrit tegenover een vrouw zitten. Uiteraard is hij in smetteloos pak, uiteraard heeft hij die casual glimlach en de schalkse directheid in zijn ogen, en uiteraard is de vrouw mooi, jong en blond.

Grant is dan al ruim de 50 gepasseerd, grijs, en wordt gedurende de film opgejaagd door een geheimzinnige belager. Maar ook dat is geen probleem voor Cary Grant. Met blakend zelfvertrouwen reageert hij op de uitdagend-onderzoekende blik van de vrouw tegenover hem.

Hij: ‘Ik weet het, ik zie er uit als een vage bekende.’

Zij: ‘Ja.’

Hij: ‘Je hebt het gevoel dat je mij ergens eerder hebt gezien?’

Zij, bevestigend: ‘Mmm.’

Hij: ‘Grappig hoe ik dit effect op mensen heb. Het heeft iets te maken met mijn gezicht.’

Zij, warm: ‘Het is een leuk gezicht; it’s a nice face’.

Het is een openingsdialoog die de acteur Grant moeiteloos uit zijn mouw schudt. Hij was nu eenmaal expert in de rol van gentleman-held, die zonder moeite het mannelijke openingszinnen-cliché (‘Ken ik je niet ergens van?’) kon omdraaien en er toch zijn doel mee wist te bereiken.

Maar hier had ook Grant zelf kunnen spreken – de ‘mens’ Grant, de man die onder de wonderlijke naam Archibald Leach geboren werd in Engeland en op zijn 18de naar Amerika was vertrokken. Hij groeide er uit tot hét mannelijke sekssymbool van het Hollywood na de Tweede Wereldoorlog, die ook nog eens in gelauwerde Hitchcock-klassiekers kon spelen. Mede om dat gezicht, had hij zelf in interviews kunnen zeggen (als hij niet zo’n hekel aan interviews, die hij dan ook nauwelijks gaf).

Want het bleef, het effect van dat gezicht. Ook nadat de acteur Cary Grant in 1966 met filmen was gestopt, omdat hij zelf vond dat hij er te oud voor was geworden; een gerimpelde Grant paste niet bij het imago dat hij zelf in al die jaren zo zorgzaam had opgebouwd. En het bleef ook toen hij in 1986 stierf, na vijf huwelijken, 72 films, slechts één Oscar – in 1970, voor zijn gehele oeuvre – en na tegenspeler te zijn geweest van de meest bejubelde vrouwen uit de filmindustrie van de jaren dertig tot en met zestig; Grace Kelly, Katherine Hepburn, Audrey Hepburn, Sophia Loren, Ingrid Bergman – en ondanks het vermoeden van biseksualiteit dat gedurende Grants hele leven aan hem bleef kleven, omdat hij jarenlang had samengewoond met acteur Randolph Scott.

Hij kon er zelf weinig aan doen, maar met zijn typische filmsterrengezicht boven een strak net pak groeide Grant uit tot een vaste iconische waarde in de filmgeschiedenis. Volgens de feministische kunsthistorica Camille Paglia heeft Grant het gezicht van een ‘magnificent male animal’. En, zou je er aan toe kunnen voegen, tegelijk heeft het ook de rustgevende gladheid van de perfecte piloot. Een fenomeen, altijd direct herkenbaar, zoiets als de witte jurk van Marilyn Monroe.

En nu is dit gezicht op uitnodiging van het Filmmuseum in Amsterdam terecht gekomen, voor een retrospectief van 25 films met Cary Grant, dat vandaag van start gaat. Een grote flyer, met daarop het zwart-wit gezicht op een rode achtergrond, met een stippellijn eromheen en een schaar-icoontje erop. De opzet: knip dit gezicht uit, maak er een masker van, en zet het op je eigen hoofd.

Becoming Cary Grant heet het programma toepasselijk. ‘Cary Grant worden’, waarmee gerefereerd wordt aan de bekende uitspraak van Grant ‘dat iedereen wel Cary Grant wilde zijn’; inclusief hijzelf. ‘Cary Grant worden’ was immers ook voor Archibald Leach het hoogste doel, de arme jongeling uit het Engelse Bristol, die het ondanks alle successen altijd moeilijk bleef vinden voor miljoenen kijkers Cary Grant te spelen, de Amerikaanse filmster met het perfecte droomprinselijk leven.

Het is echter verleidelijk om in de uitspraak ook een verwijzing naar de actualiteit te zien. De invloed van het type Cary Grant is immers nooit echt opgehouden – Sean Connery zou uitgekozen zijn als eerste James Bond omdat hij aan Grant deed denken. In de vele commentaren die het succes van George Clooney willen verklaren, is de naam van Grant de eerste die steeds hardnekkig opduikt. En nu kunnen we ook zelf nog een masker opdoen en ‘Grant worden’.

De vraag is daarom vooral wat die actualiteit van Grant anno 2008 dan kan zijn. Filmhelden gaan immers over het algemeen hoogstens een paar decennia mee. Telkens is er een nieuwe generatie die opgroeit, en die omarmt steeds een nieuw type. Cary Grant en – nog ouder – Clark Gable horen bij het oude Hollywood. Metromannen als Brad Pitt, Leonardo DiCaprio en Johnny Depp sieren de meisjeskamers vanaf de jaren negentig. Dergelijke types zijn niet inwisselbaar. Het vrouwelijke hoofd van Depp in de jaren vijftig? Onmogelijk. Het snorretje van Clark Gable in de 21ste eeuw? Natuurlijk niet.

Bij Grant ligt het echter genuanceerder. Hij is aan de ene kant onmiskenbaar een type ‘uit een andere tijd’. Hij haalde zijn charme uit een opvatting van mannelijkheid die past bij de Amerikaanse samenleving van de eerste helft van de 20ste eeuw: gezond en brede lach, gentlemanlike en gewone jongen tegelijk.

Aan de andere kant is de aantrekkingskracht van Grant nog prima te begrijpen, blijkt in de films op het retrospectief. Alsof zijn type een stuk minder ver weg staat, alsof de ‘ouderwetse mannelijkheid’ ook nu nog een functie heeft in de filmindustrie.

Met ‘mooie jongens’ als Pitt of Depp is de vergelijking echter niet te maken, om nog maar te zwijgen van fanatieke heldentypes als Tom Cruise. Niet voor niets is het daarom Clooney die keer op keer met Grant in verband wordt gebracht. Hoe uitgekauwd de vergelijking ook is – Clooney schijnt er zelf doodmoe van te worden – hij is wel betekenisvol. Een kopie kan je Clooney niet noemen – daar is hij te modern en ironisch voor – maar zijn verschijning refereert duidelijk aan een ouderwetser, romantischer type mannelijkheid.

Net als Grant werd Clooney pas echt populair toen hij grijs werd. Hij speelt graag artistieke rollen (inclusief bierbuikje, in Syriana), maar zijn imago als hedendaags sekssymbool heeft hij vooral te danken aan zijn verschijning in stijlvol pak en het vermoeden van galante grapjes bij kaarslicht.

Daarin zit de kern van de vergelijking tussen de twee. In Mr. Lucky (1943) krijgt Cary Grant het voor elkaar het hart van een vrouw te veroveren door te gaan breien voor de oorlogsliefdadigheid; strak in het pak zit hij tussen de oudere dames, te stuntelen met de naalden. Om een ‘vrouwelijk’ klusje als breien te doen en er tóch mee te verleiden, moet je, zo straalt Grant uit, een ‘echte man’ zijn. Van de nieuwe generatie sterren zou alleen Clooney een dergelijke brei-scène-met-erotisch-doel kunnen doen. Bij Leonardo DiCaprio of Brad Pitt zou zijn tegenspeelster er alleen om moeten lachen.

Ze kunnen ‘heer’ en kwajongen tegelijk zijn. Mannelijk, een beetje gevaarlijk, maar toch ontwapenend en met humor. De eer gaat naar Grant het archetype te zijn van deze ‘beminnelijke losbol’, zoals hij in de documentaire Een klasse apart wordt genoemd, die het Filmmuseum toont.

Het is een stijl die Grant overigens niet direct over zich had. Hij maakte het zich eigen over de jaren heen. Hij werd pas ‘Cary Grant’ toen hij zijn rollen als ‘knappe man in pak’ iets markants begon te geven. In de zogeheten screwball comedies, de sprankelende voorlopers van de hedendaagse romantische komedie, speelt Grant al met verve de rol van de vrijbuiter met een goed hart, een sympathieke charmeur met een ruw randje. De dialogen zijn snel en gevat, Grant gebruikt een gebarentaal die een pantomime achtergrond verraadt. In het verrassende Holiday (1938) bijvoorbeeld maakt hij salto’s en rolt met Katherine Hepburn de kamer door, terwijl hij ondertussen het materialisme van de Amerikaanse financiële sector bekritiseert.

Vanaf daar groeit hij door naar films als His Girl Friday, An Affair to Remember, Notorious en To Catch a Thief. Zijn type groeit met hem mee, hij voegt diepte toe, en zelfs een vleugje duister mysterie dankzij drie films met Hitchcock. Hij is geen actieheld, geen grapjas, geen thrilleracteur; hij combineert dat alles.

Zo groeit hij uit tot het icoon, dat een paar decennia lang Hollywood beheerste. In menig meisjesfantasie hield hij de deur open, schenkt een glas rode wijn in, en licht haar sigaret al bij voordat ze in haar eigen handtas naar een aansteker heeft kunnen zoeken.

Het is charmant, natuurlijk, maar ook ongeëmancipeerd. Het is niet voor niets dat Grant in 1966 met zijn werk als acteur ophield, twee jaar voor het revolutiejaar 1968. Er kwam een nieuwe moraal op, nieuwe acteurtypes ontstonden. Al door de opkomst van Marlon Brando en James Dean moet hij hebben ingezien dat hij een acteur uit een ander tijdperk was.

De nieuwe mannelijke helden werden rebellen met of zonder reden, wier getroebleerde emoties moesten worden uitgedrukt – terwijl voor Grant acteren een ambacht was; hard werken om het publiek optimaal te vermaken. Haren moesten niet meer strak in een scheiding, androgyne types deden hun intrede, gelijkheid tussen man en vrouw maakte een oude charmeur tot een reliek uit een ongeëmancipeerde tijd.

Grant wilde niet mee groeien. Hij hield vast aan zijn pakken, zijn scheiding, zijn glimlach. Jazeker, hij gebruikte graag LSD om zijn geest te verruimen, en hij verwekte op zijn 62ste nog zijn eerste kind – het vaderschap werd zijn nieuwe fulltime bezigheid – maar hij wilde geen vaderrollen gaan spelen. Hij wilde de romantische held uit de jaren dertig en veertig blijven.

Het is daarom des te opvallender dat Grant desondanks een iconische waarde heeft behouden. Ook in 2008. Of beter: juist in 2008.

Het zal immers niet geheel toevallig zijn dat de laatste jaren een ster als Clooney op is gekomen – hoeveel relativerende knipogen hij ook heeft ingebouwd naar het ‘klassieke type’. Het past bij de zoektocht van de hedendaagse filmindustrie naar nieuwe helden. En de maatschappelijke trend op het gebied van de ideale mannelijkheid lijkt zich weer wat richting het nostalgische te begeven. De moderne man is immers in crisis, als je de artikelen in zowat ieder periodiek mag geloven. Het Duitse Der Spiegel had vorige week nog op zijn cover een naakte jongeman, die zich van ellende geen houding wist te geven: De emancipatie. Wat er nog van de man overgebleven is, luidde de dreigende titel.

Geen wonder dus dat in 2008 op de ouderwetse mannelijkheid van Grant wordt teruggegrepen. Dit filmjaar kende al eerder de terugkeer van oude helden. Eerst waren het de testosteronhelden uit de jaren tachtig; gespierde, doch haast bejaarde wereldredders, zoals Sylvester Stallone in Rambo IV, en Bruce Willis in Die Hard 4, die de nieuwe generatie laten zien wat het echte vuistenwerk was.

Met een Cary Grant-retrospectief wordt nu ook de andere kant van het mannelijkheids-spectrum gecovered. In het serieuze drama None but the lonely heart (1944) – een film die Grant als ‘dicht bij zichzelf’ omschreef – ontmoet hij een jonge vrouw in een amusementshal:

Hij: ‘Het enige dat ik wil doen is mijn armen om je heen leggen en iedereen vermoorden die dichtbij komt.’

Zij: ‘Interessant voorstel, maar wat brengt het mij?’

Hij: ‘Alleen maar problemen.’

Zij lacht. De problemen krijgt ze, maar met de morele dwalingen van Grants personage komt het allemaal toch nog goed als hij voor zijn zieke moeder gaat zorgen.

Na de komst van de bezwete jongensromantiek van Indiana Jones, kan nu ook worden weggedroomd bij Cary Grant, het archetype van de mannelijke charmeur.

Meer over