Chador is in strijd met een open samenleving

Het dragen van een chador, zou net als andere vormen van maskering die uiterlijke herkenning belemmeren, verboden moeten worden, vindt Erik Jurgens....

De krant van 30 december berichtte dat de beroepsleiding ROC-Amsterdam overweegt om de leerlingen te verbieden een chador te dragen. Op dezelfde dag kwam ik in de winkelstraat van een klein Brabantse stadje zo'n chador tegen, 'een allesomhullend gewaad waarbij alleen de ogen onbedekt zijn'.

Wat stoorde mij daaraan? Dat een medeburger van dit land gemaskerd over straat liep, een maskerade die normaal alleen voorkomt bij carnaval en bij een overval. Bij het carnaval geldt de maskerade als een uitdrukkelijke uitzondering op een algemene regel, en is bedoeld om een ieder feest te laten vieren zonder aanzien des persoons. Bij een overval heeft een masker sinistere bedoelingen.

We hebben in Nederland bepaalde regels die we zo belangrijk achten dat we er geen uitzonderingen op toelaten. Juristen drukken dat uit door te zeggen dat zij 'van openbare orde' zijn. Dit houdt in dat afwijking daarvan met het beroep op bijvoorbeeld een grondrecht, of op bestendig gebruik binnen een bepaalde subcultuur van de samenleving, niet wordt aanvaard.

Onze problemen met mannen die menen geweld tegen hun vrouwen te mogen gebruiken, met 'eerwraak' en met vrouwenbesnijdenis gaan over dit laatste. Bij de uitleg van grondrechten speelt het eveneens een rol. Een extreem voorbeeld is een sekte die zou menen mensenoffers te mogen brengen tijdens een godsdienstige plechtigheid. Als een maatschappelijke regel 'van openbare orde' is, dan moet een beroep op de normen van de subcultuur of een grondrecht falen.

De vraag is of de wezenlijke fatsoensregel die in onze samenleving geldt, inhoudende dat men in het algemeen maar zeker op openbare plaatsen elkaar 'met open vizier' tegemoet treedt, van openbare orde is. Het is typisch voor onze open samenleving, en uit zich bijvoorbeeld in de sociale norm dat men elkaar bij een begroeting aankijkt. In het openbare verkeer moeten we er van op aan kunnen dat iemand met wie we te maken krijgen althans uiterlijk kenbaar is. Dat is nodig voor een behoorlijke communicatie. Ik heb het even niet over de problematiek van het uniformverbod (welk verbod in de jaren dertig sterk speelde om het tuig van de SA of de NSB of van soortgelijke communistische milities van straat te houden). Ik heb het ook niet over de vraag van de identificatieplicht.

Toch ligt de vraag of ik mij ook daadwerkelijke moet identificeren inderdaad in het verlengde van de vraag of ik mij in het openbaar, door gemaskerd te zijn, mag onttrekken aan uiterlijke herkenning.

Op grond van het bovenstaande kom ik tot de conclusie dat het dragen van een chador of enige andere vorm van maskering - om je te onttrekken aan uiterlijke herkenning in onze samenleving - niet toelaatbaar is. Het optreden met open vizier is zo wezenlijk voor de maatschappelijke samenhang en het wederzijds vertrouwen dat ik een verbod op gemaskerd zijn van openbare orde acht.

Ik vind het daarom van burgermoed getuigen dat de directie van het ROC-Amsterdam deze kwestie aan de orde heeft gesteld door aan te kondigen dat zij dat open vizier in ieder geval binnen haar muren verplicht zal stellen. Beter zou het zijn dat er een algemeen verbod van gemaskerd zijn zou bestaan in openbare ruimten, zodat het ROC terzake niet de nek hoeft uit te steken.

Het argument dat een dergelijk verbod tot gevolg zal hebben dat sommige vrouwen van hun man of vader dan niet meer naar de opleiding of zelfs niet het huis uit mogen, is begrijpelijk maar mag niet gelden. Onze actie moet zich in dat geval richten op de emancipatie en zo nodig bestraffing van die vaders en mannen (zoals ook het geval is bij fysiek geweld tegen vrouwen, vrouwenbesnijdenis en eerwraak). Immers, iemand beletten het huis uit te gaan is strafbaar als vrijheidsberoving of dwang. Het zou verkeerd zijn om een gewoonte uit een subcultuur, welke gewoonte in een open samenleving ontwrichtend kan uitwerken, dan maar toe te laten.

Meer over