Centrum in Emmen herdenkt geschiedenis instrument Parade door drie eeuwen pianohistorie

Een paar weken geleden verscheen op het label Deutsche Grammophon een CD, bespeeld door de Portugese pianiste Maria Joao Pires: de eerste partita, de tweede Franse suite en de derde Engelse suite van Johann Sebastian Bach....

Van onze medewerker

Melchior de Wolff

EMMEN

Hoe lang immers heeft die betweterige terreur geduurd waarin Bach alleen mocht worden gespeeld op van die zenuwachtige Originalinstrumenten of op kopieën daarvan.

Het heet, dat verhaal hoor je tenminste altijd, dat Bach omstreeks 1733 kennis heeft gemaakt met wat wij nu beschouwen als een fortepiano. Het betrof een exemplaar van de Duitse instrumentenbouwer Gottfried Silbermann, en uit een beschrijving die door een van Bachs leerlingen, Johann Friedrich Agricola, is gemaakt, zou men kunnen opmaken dat Silbermanns mechaniek nog te primitief was om voor volwaardig te worden aangezien:

'(Bach) hatte den Klang desselben gerühmet, ja bewundert: Aber dabey getadelt, dass es in der Höhe zu schwach lautete, und gar zu schwer zu spielen sey. Dieses hatte Hr. Silbermann, der gar keinen Tadel an seinen Ausarbeitungen leiden konnte, höchst übel aufgenommen. Er zürnte deswegen lange mit dem Hrn. Bach.'

Jammer dat die twee ruzie hebben gekregen. Het staat immers vast dat de Goldbergvariaties nog moesten worden gecomponeerd, en in elk geval zou een deel van Bachs oeuvre rechtstreeks voor de fortepiano kunnen zijn geschreven.

Vast staat ook (al hebben we er wat Bach betreft waarschijnlijk niet veel aan), dat een paar honderd kilometer naar het zuiden de fortepiano al lang als een volwaardig instrument werd beschouwd, niet in de versie van Silbermann, maar in die van de Florentijn Bartolomeo Cristofori, die ergens aan het eind van de zeventiende eeuw de eerste clavecimbalo col piano e forte heeft geconstrueerd.

In 1732 verschenen in Pistoia van de hand van Lodovico Giustini de Sonate da cimbalo di piano, e forte detto volgarmente di martelletti. Let op die laatste specificatie: het cimbaal werd volgarmente (in de dagelijkse taal) martelletti (hamertjes) genoemd - hetgeen erop wijst dat het mechaniek waarmee je hard en zacht kon spelen in Italië al min of meer gemeengoed was.

De oudste beschrijving van Cristofori's piano dateert van 1700 en het is aannemelijk dat het tijdstip waarop het mechaniek is uitgevonden nog weer een aantal jaren daarvoor moet worden gesitueerd. De piano bestaat drie eeuwen, en dat feit zou vrijwel onopgemerkt zijn gepasseerd als niet het Centrum Beeldende Kunst in Emmen (de werkelijkheid zit genadeloos in elkaar) er de aandacht op zou hebben gevestigd. Niet het Metropolitan Museum in New York (waar de oudste Cristofori wordt bewaard), nee, het Centrum Beeldende Kunst in Emmen.

Ik kan het niet anders zeggen: de expositie die men onder de vlag Piano-parade in Emmen heeft ingericht, is van een voor Nederlandse begrippen uitzonderlijk niveau. Voor het leeuwedeel is gebruik gemaakt van de collectie van het Gemeentemuseum in Den Haag, waarvan normaal maar een beperkte selectie voor het publiek is te zien, en aan de hand waarvan geen volledig beeld wordt gegeven van de technische ontwikkelingen. Dat laatste gebeurt in Emmen wel. Het feit dat men niet heeft geaarzeld de nadruk op enkele mechanische kwesties te leggen, maakt dat het een overzicht is geworden waarin niet alleen de betrekkelijk irrelevante buitenkant van de instrumenten is te zien. Daarnaast wordt van zowat elk exemplaar via een koptelefoon een geluidsregistratie gegeven. Dat lijkt misschien een triviaal detail, omdat het zo'n noodzakelijk detail is, maar in geen enkel mij bekend muziekinstrumentenmuseum - van Rome tot St.Petersburg - is men tot nog toe op dit zo voor de hand liggende idee gekomen.

Hoe klinkt het parelende Tanto gentile e tanto onesta van Liszt op een Pleyel (Frankrijk, 1847), als je net een veel donkerder Petrof (Tsjechië, 1878) hebt gehoord? Hoe klinkt de relatief droge tafelpiano van Steinway & Sons (1880), als daarop de pianola-reproduktie van het tempo di marcia van Scott Joplin wordt weergegeven in de versie van Scott Joplin zelf? Wat voor geluid maken de Gnossiennes van Satie als je ze speelt op een Neobechstein, een zogenaamde elektro-akoestische vleugel uit de jaren '30, waaraan de zangbodem ontbreekt en waar elektromagneten de trillingsfrequenties van de snaren omzetten in elektrische potentiaalverschillen?

(En met als ontroerend detail dat men er in de fabriek ook maar meteen een radiotoestel heeft ingebouwd, in die desastreuze periode waarin de huiskamerpiano was begonnen het te verliezen van de steeds verder opmarcherende radio. Het heeft allemaal niet geholpen).

Er gelden uiteraard beperkingen. Ongeveer zoals je in een automobielmuseum niet met de tentoongestelde exemplaren mag wegrijden, mogen de klavieren in Emmen niet beroerd worden. Een aantal belangrijke piano's ontbreekt, en bij nog een aantal is het binnenwerk zo irremediabel aangetast dat zelfs het meest ingenieuze toucher er geen schaduw van klank aan weet te ontlokken.

Het opmerkelijkste instrument binnen die laatste categorie is het zogenoemde Practice Keyboard van de Amerikaan Almon Kincaid Virgil, uit 1895, de enige piano waaraan niet alleen de zangbodem maar ook de snaren, de hamers, het frame en noem alles maar op ontbreken. Wat er wel op zit, is een mechaniekje dat de weerstand van de piano nabootst.

Wat is dat toch een geweldige eeuw geweest, de negentiende, waarin iemand niet alleen octrooi kon aanvragen, maar ook nog kreeg, op een mechaniek dat omschreven kan worden als een 'gymnastiektoestel waarbij de student de toetsen bespeelt zonder klankopwekking', teneinde hem in de gelegenheid te stellen 'vingeroefeningen te doen zonder daarbij anderen tot last te zijn.'

Het is de piano van John Keats: Hear'd melodies are sweet, but those unhear'd are sweeter. Overigens schijnt nog geen enkele fortepianist op de gedachte te zijn gekomen die vroege sonates van Giustini op de plaat te zetten.

Centrum Beeldende Kunst, Emmen: Piano Parade, 300 jaar geschiedenis van de piano. Tot en met 16 juni.

Meer over