Casanova's vuur gloeide lang na

Casanova had een hekel aan rokkenjagers. 'Een beroepsverleider', schreef hij in Histoire de ma vie, 'is een verfoeilijk wezen en per definitie de vijand van degene die het voorwerp van zijn belangstelling is....

René Bosch

Zelf beweerde hij zich nooit tot een dergelijk gedrag te hebben verlaagd. De 122 vrouwen met wie hij in de veertig jaar van zijn seksueel actieve leven het bed had gedeeld, hadden hém versierd en daar geen spijt van gehad.

Hij heeft ook heel andere dingen beweerd (bijvoorbeeld dat hij listige trucs kende om jonge meisjes te veroveren) en had weinig moeite met hypocrisie (daaraan schreef hij een groot maatschappelijk nut toe), maar toch lijkt zijn bewering niet helemaal ongegrond. Behalve in zijn jongste jaren, toen hij volgens eigen zeggen nog te zeer door zijn driften werd beheerst, schijnt hij over het algemeen respectvol met vrouwen te zijn omgegaan.

Ook wanneer er op amoureus gebied niets te halen bleek, hield hij contact en bleef hij galant en initiatiefrijk. Vrouwen die niet op zijn avances ingingen, konden desondanks rekenen op zijn steun en loyaliteit.

Dit beeld van de genereuze vrouwenliefhebber is gepropageerd door Casanova zelf, maar ook door zijn biograaf J. Rives Childs, in reactie op het bekende cliché van de dwangmatige en perverse versierder. In de onlangs vertaalde Brieven van vrouwen aan Casanova wordt het gedeeltelijk bevestigd.

De bundel bevat 53 brieven, die Casanova bijna allemaal werden toegezonden na 1774, het jaar waarin Histoire de ma vie ophoudt. Ze zijn afkomstig van negen vrouwen en bewijzen dat die hem in elk geval niet onsympathiek vonden. Verder geven ze voornamelijk een idee van de sociale regels en roddels binnen de Europese jetset in de achttiende eeuw. Er blijkt onder meer uit dat de respectable markiezinnen Chigi en Frescobaldi en de nog respectabeler 'savante' Bassi Verati de niet zo respectabele avonturier graag ontmoetten en ook dat zij veelal dezelfde mensen kenden als hij.

Erg persoonlijk zijn de brieven van zijn adellijke correspondenten niet, met uitzondering van een incidentele brief van gravin Bassani della Porta. Zij was om duistere redenen met een beruchte avonturier getrouwd en schreef de inmiddels bejaarde Casanova prachtige one-liners over de treurnis van het bestaan. Kennelijk beschouwde ze hem als een wijze oude literator, die zelf wild genoeg had geleefd om haar positie en gevoelens te begrijpen.

Voor de gouvernante Maria Rizotti was Casanova een vaderfiguur, wat geen wonder is, omdat hij op een nogal letterlijke manier haar vader had kunnen zijn: ze was de dochter van zijn jeugdliefde Angela Toselli. Met Maria Rizotti heeft hij misschien ook seksueel contact gehad, maar daarvan blijkt niets uit haar brieven, waarin ze voornamelijk vraagt om raad en medeleven in haar ellendige omstandigheden.

Over ellendige omstandigheden gaan verder de 33 brieven van Francesca Buschini, die het grootste deel van de bundel in beslag nemen. Buschini was het 'mooie volksmeisje' met wie Casanova samenwoonde, toen hij als spion voor de Venetiaanse staatsinquisitie werkte. Toen hij voor de tweede keer Venetië moest ontvluchten, bleef zij met haar familie in zijn huis wonen. Haar brieven vormen een aaneengesloten reeks en om de ontwikkelingen begrijpelijk te maken, heeft Els Naaijkens, de vertaalster, elke brief apart toegelicht.

Maar helaas blijken er aan de kant van Buschini weinig ontwikkelingen te zijn geweest. Ze schreef jarenlang ongeveer dezelfde quasi-montere bedelbrieven: alles ging goed, maar ze had haar kleren moeten belenen en kwam daarom niet meer buiten, ze was gezond, alleen had ze een huidkwaal en kon ze de medicijnen niet betalen, enzovoort. Toen Casanova ontdekte dat ze wel degelijk uitging en nog stiekem zijn boekencollectie had verpatst ook, hield hij op de huur te betalen, waarna ze in het slop raakte. Zo ver ging zijn grootmoedigheid nu ook weer niet.

Meer over