Bush bewijst eenwording Europa een dienst

Door zijn traditioneel Atlantische bondgenoten onder te verdelen in oude en nieuwe schept de regering-Bush de voorwaarden voor een sterker Europees bewustzijn, concludeert Sander van Walsum....

Vorige week vierden de Franse en Duitse regeringsleiders de veertigste verjaardag van het zogenoemde Elysée-verdrag: de door Charles de Gaulle en Konrad Adenauer bekrachtigde verzoening tussen twee aartsrivalen. Tot voor kort wees niets erop dat dit feit uitgebreid zou worden herdacht. Het nabuurschap heeft zelden een hartelijk karakter gehad. Reeds in 1963, enige weken nadat Adenauer en De Gaulle elkaar in de armen waren gevallen, trad een verkoeling op in het gelegenheidshuwelijk. De Duitsers bevestigden - bij elke gelegenheid die zich voordeed - hun Atlantische gezindheid, terwijl de ijver van de Fransen voor de Europese eenwording nu juist was ingegeven door de wens zich aan de Amerikaanse hegemonie te onttrekken. Deze fundamentele onverenigbaarheid van sentimenten en motieven is de Frans-Duitse samenwerking blijven belasten - periodieke bekrachtigingen van de vriendschap ten spijt.

Totdat George Bush jr zijn bondgenoten tot tegenspraak begon te prikkelen, en het anti-Amerikanisme weer respectabel maakte in Europa. De lustrumviering van het Elysée-verdrag ontwikkelde zich tot een demonstratie tegen Bush. De 43ste president van de VS verenigt twee oer-Amerikaanse trekken in zich. Mentaal is hij een isolationist die in beginsel geen heil van de buitenwereld verwacht. Zijn belangstelling voor de wereld is overwegend negatief van aard, en kan worden teruggebracht tot het adaguim: wie niet voor ons is, is tegen ons. Niet alleen met betrekking tot de strijd tegen het terrorisme, maar met betrekking tot alle kwesties van mondiaal belang.

Anders dan zijn geestverwante voorgangers, verbindt hij daaraan niet de conclusie 'dat Amerika genoeg heeft aan zichzelf'. Integendeel. Hij paart zijn isolationistische gezindheid aan een zucht naar interventie. Een kwaliteit die nogal eens als messiaans wordt omschreven. Ten onrechte. Want Bush lijkt niet te worden gedreven door de wens de buitenwereld te modelleren naar alles wat de Amerikanen vertrouwd en dierbaar is - 'to make the world safe for democracy' -nee: hij wil de VS beveiligen tegen de wereld. Nu en in de verre toekomst.

Daarvoor heeft hij de Monroe Doctrine - het vroegste leerstuk van de Amerikaanse diplomatie - zelfs omgekeerd. James Monroe had de naar hem vernoemde doctrine geformuleerd met de bedoeling het hele Amerikaanse continent te vrijwaren van buitenlandse - lees: Europese - overheersing. De Amerikaanse reflexen zijn er nog tot diep in de twintigste eeuw door beïnvloed. Getuige, onder andere, de onwil om in de twee wereldoorlogen te interveniëren. De Monroe Doctrine was defensief van aard, en begrensde - zoals de buren van de VS meermaals hebben ondervonden - de Amerikaanse invloedssfeer tot het eigen continent.

Dat de Amerikaanse buitenlandse politiek zich allang niet meer alleen door de Monroe Doctrine laat verklaren, kan worden opgemaakt uit de vele interventies in verre landen waartoe de VS zich in de loop der jaren hebben laten verleiden. Maar ter legitimatie hebben de VS zich steeds bediend van humanitaire pretenties - die soms wel en soms in mindere mate recht deden aan de werkelijkheid - en van het argument dat zij geen veroveringsoorlogen voerden. De VS vielen geen landen binnen met de bedoeling er te blijven. In dat opzicht heeft het land zich altijd - en overwegend positief - van andere grootmachten onderscheiden.

De Bush-doctrine lijkt het einde van deze betrekkelijke bescheidenheid te markeren. En als de VS onverhoopt alleen, dus niet onder de vlag van de VN, Irak binnenvallen, weten we het zeker. Daarmee zijn de VS niet alleen van zichzelf, en van hun eigen beginselen vervreemd geraakt, maar ook van hun natuurlijke bondgenoten. De prominente plaats die Duitsland inneemt in het afwijzingsfront, vormt daarvan een treffende illustratie. Als zelfs Duitsland, in zijn huidige vorm een schepping van de VS, zich een anti-Amerikaans standpunt durft te veroorloven, verkeert het transatlantisch bondgenootschap in doodsnood. Zeker als men de ontzetting in herinnering roept waar de aanslagen van 9/11 juist in Duitsland aanleiding toe gaven.

De Amerikanen verkiezen het anders te zien. In eerste instantie werd aan de oprechtheid van de anti-oorlogsretoriek van Gerhard Schröder getwijfeld: ze had slechts ten doel het electoraat te paaien. Washington ging er dan ook van uit dat Duitsland zich na de Bondsdagverkiezingen wat deemoediger zou tonen. Het tegendeel was het geval. Duitsland heeft zijn rol als vredesstichter alleen maar zwaarder aangezet. Zijn minister van Buitenlandse Zaken, Joschka Fischer, schoof in Istanbul aan bij het Arabische spoedoverleg over Irak, en de Duitse ambassadeur in de Veiligheidsraad van de VN zint met zijn collega's van China, Rusland en Frankrijk op een list om een oorlog te voorkomen. En dat Duitsland niet volstaat met stille diplomatie, bleek bij de herdenking van de Elysée-verdrag.

Bondskanselier Schröder en president Chirac grepen de gelegenheid aan om gezamenlijk tegen een Amerikaanse Alleingang te ageren. Sterker nog: door toedoen van Bush krijgt de Duits-Franse vriendschap opeens weer een reële betekenis. In de feestredes werd veelvuldig naar de kwestie Irak verwezen. Ten overstaan van jongeren uit Duitsland en Frankrijk konden de regeringsleiders van beide landen gloriëren als vredesstichters.

Aan de oprechtheid van dit sentiment wordt in Washington niet meer getwijfeld. Wel aan hun relevantie. De Amerikaanse minister van Defensie Rumsfeld serveerde Duitsland en Frankrijk af als vertegenwoordigers van 'het oude Europa', en sprak de verwachting uit dat zij op hun continent een minderheidsstandpunt vertolken. Dat valt echter te bezien. Het onbehagen van Duitsland over de taakopvatting van de Amerikaanse regering zou weleens gedeeld kunnen worden door andere landen met een pro-Amerikaans verleden.

Maar ook dat zal de VS vermoedelijk onverschillig laten. De wereld wordt onderverdeeld in bondgenoten en afvalligen, in helden en lafaards, in vrienden en vijanden. En daar is nu dus de indeling oud versus nieuw Europa bijgekomen. Met als enig criterium: wat is de verhouding van de landen aan weerskanten van deze arbitraire grens met de VS.

Door deze tegenstelling op te roepen, scheppen de VS slechts de condities voor een sterker Europees zelfbewustzijn. De getergde reacties op de uitspraken van Rumsfeld duiden in die richting. Dat zelfbewustzijn is niet alleen geënt op een groot verleden, maar ook op de potentie van Europa als economische, politieke en - al blijft die dimensie vooralsnog buiten beschouwing - militaire mededinger van de VS. Duitsland is door toedoen van de Bush-mannen al van zijn Atlantisch geloof gevallen. En als het Duitsland zo vergaat, zullen andere EU-lidstaten volgen. Zo beschouwd, zal ook het nieuwe Europa van Amerikaanse makelij zijn. Daarmee zouden de Amerikanen Europa voor het laatst een onschatbare dienst bewijzen.

Meer over