Reconstructie

Burgerdoden en genegeerde waarschuwingen: wat mis ging in Uruzgan bij de Slag om Chora

Bij de Slag om Chora, waarbij Nederlanders vochten tegen de Taliban, kwamen in 2007 tientallen Afghaanse burgers om. Per ongeluk, volgens Defensie. Maar uit geheime documenten die de Volkskrant boven tafel kreeg, blijkt dat waarschuwingen zijn genegeerd.

Een pantserhouwitser van vuurt vanaf Kamp Holland in Uruzgan op vijandelijke stellingen in Chora, provincie Uruzgan. Beeld Gerben van Es / Defensie
Een pantserhouwitser van vuurt vanaf Kamp Holland in Uruzgan op vijandelijke stellingen in Chora, provincie Uruzgan.Beeld Gerben van Es / Defensie

Veel Uruzgan-veteranen denken met trots terug aan de Slag om Chora in Afghanistan in 2007, waar ze ‘honderden’ Talibanstrijders versloegen. Het was het grootste gevecht voor Nederlanders sinds de Korea-oorlog, eind jaren vijftig. Nederland won de slag, maar er vielen tientallen burgerdoden. Defensie heeft de actie altijd zelfverdediging genoemd, waarbij per ongeluk burgerdoden vielen. Maar uit voorheen staatsgeheime documenten, door de Volkskrant met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur boven tafel gehaald, blijkt dat Nederland bewust een risico nam dat er burgerdoden zouden vallen. Tot driemaal toe werden waarschuwingen van het Navo-hoofdkwartier in Kandahar genegeerd dat de bombardementen mogelijk niet legitiem waren, omdat Nederlanders niet goed zagen of de bommen die ze gooiden terechtkwamen op burgers of vijanden. Maandag dient een nieuwe rechtszaak van nabestaanden. Een reconstructie van de Slag om Chora, op basis van de nieuwe feiten.

I. De verrassingsaanval van de Taliban

Met zo’n zestig man tegelijk vallen Talibanstrijders op zaterdagmorgen 16 juni 2007 diverse Afghaanse politieposten aan in het district Chora. De aanval komt als een complete verrassing voor de Nederlandse militairen in Uruzgan. Rond 05.30 uur liggen alle posten onder vuur. De Nederlanders schieten hun Afghaanse bondgenoten te hulp, maar de aanval loopt snel uit de hand.

Binnen een paar uur druppelen volgens inlichtingenbronnen vijfhonderd Talibanstrijders de Choravallei binnen, een smalle strook grond met afwisselend groene boomgaarden, plukjes woestijn en Afghaanse huizen van klei. In de middag worden de gevechten heviger. Rond 15.30 uur melden de Nederlanders in Chora dat de nabijgelegen politiepost Sarab is overmeesterd. De post staat in lichterlaaie en alle Afghaanse politieagenten zijn vermoord. De andere posten houden nog stand, maar de vraag is voor hoe lang.

Er ontstaan straatgevechten, ook met de Nederlandse militairen. Die trekken zich steeds meer terug rondom het witte districtsgebouw. Ze raken langzaamaan omsingeld. Rond 19.30 uur wordt de situatie zo nijpend dat kapitein Larry Hamers, de Nederlandse commandant in Chora, aan zijn battlegroup-commandant luitenant-kolonel Rob Querido vraagt ‘wat Chora ons waard is’. Laten ze het district ‘vallen’ of vechten ze door?

De Nederlanders kunnen weggaan uit Chora en zich schietend een weg banen richting het veilige Kamp Holland, 30 kilometer verderop, waar ruim duizend zwaarbewapende collega’s op hen wachten. Maar Talibanstrijders die door de boomgaarden van Chora rennen, kunnen dan ongestoord wraak nemen op achtergebleven bewoners. Volgens inlichtingenbronnen worden mannen voor de ogen van hun gezin vermoord en vrouwen levend verbrand. Aan het waarheidsgehalte van die informatie wordt op dat moment niet getwijfeld. Jaren later zullen diverse families onder meer in een documentaire van Sinan Can verklaren dat de bron van dit verhaal één man was, die zijn moeder dood had aangetroffen in zijn afgebrande huis. Niettemin smeken lokale autoriteiten de Nederlanders om hulp.

II. Het besluit om te blijven

De smeekbede rijt oude wonden open. Kapitein Larry Hamers diende eerder in Srebrenica, waar Nederlandse militairen in 1995 machteloos toekeken hoe duizenden moslimmannen werden afgevoerd. Dat zou nu toch niet weer gebeuren?

Een snel besluit is nodig, mede vanwege de invallende duisternis. Hoe donkerder het wordt, hoe moeilijker de Nederlanders zich terug kunnen trekken over een weg die mogelijk bezaaid ligt met bermbommen. Vertrekken nu het nog licht is of snel versterking krijgen, dat zijn de opties.

Commandant Rob Querido krijgt de lastige taak te adviseren wat te doen. Hij kiest voor ‘terugtrekken uit Chora zolang de toegangswegen nog open zijn’, vertelt hij jaren later aan een militair die bij de Nederlandse Defensie Academie afstudeert op de besluitvorming tijdens de Slag om Chora. Hij schat in dat blijven lastig is, omdat het oorlogsrecht hem zal belemmeren de militaire middelen in te zetten die nodig zijn om de Taliban-aanval af te slaan. ‘De procedures waren zo dat je voor elke vliegtuigbom separaat toestemming moest hebben, maar dat duurde dan drie uur’, aldus Querido.

Toch wordt het tegenovergestelde besluit genomen. ‘Chora verlaten was geen optie’, schrijft de hoogste Nederlandse commandant in Uruzgan, kolonel Hans van Griensven, in zijn After Action Report, dat de Volkskrant heeft ingezien. Weggaan zou de ‘geloofwaardigheid van de Nederlandse militairen in Uruzgan’ – ja zelfs van de hele Navo in Afghanistan – ‘ondermijnen’. Bovendien dreigde een slachting onder de lokale politie en de bevolking. De kolonel besluit daarom ‘Chora te verdedigen met alle beschikbare middelen.’ In het onderzoek van de Defensie Academie staat dat ‘de knoop uiteindelijk wordt doorgehakt door de Commandant der Strijdkrachten in Den Haag, waarbij hij aangeeft dat hij een tweede Srebrenica wil voorkomen’.

Slechts anderhalf uur na de noodkreet van kapitein Hamers dat Chora zal vallen zonder versterking, is er niet alleen besloten te blijven, maar ook in welk gebied gebombardeerd zal worden, schrijft Van Griensven in zijn After Action Report. Het is dan 20.54 uur.

III. Toestemming van de NAVO

Maar geen bom zal vallen zonder akkoord van het Navo-hoofdkwartier in Kandahar. Van Griensven heeft met de baas gebeld, de Britse luitenant-generaal Jacko Page, en krijgt toestemming om aan te vallen. Ook al kunnen Nederlanders op dat moment niet meer met eigen waarnemers verifiëren waar zich Talibanstrijders bevinden en waar burgers.

Het is een heikel punt: vuren zonder te weten waar de vijand precies is, mag volgens het oorlogsrecht alleen uit zelfbescherming. Ze moeten dus eerst bedreigd worden. Aan die voorwaarde is volgens Van Griensven voldaan omdat er een ‘noodzaak is om eigen eenheden te bevrijden uit een omsingeling’, schrijft hij in zijn verslag. Het ligt voor de hand dat hij deze redenering ook gebruikt om toestemming van de Britse generaal te krijgen om aan te vallen.

De lokale bevolking weet dan nog van niks. Bewoners worden vanaf 20.00 uur onder meer via luidsprekers in het centrum van Chora gewaarschuwd dat ze beter hun ‘huizen kunnen verlaten’, staat in diverse rapporten. Rond 21.30 uur bellen Nederlanders ook met ‘tribale leiders om hen te waarschuwen het gebied te verlaten’, schrijft Van Griensven. ‘Politieauto’s zijn ingezet om burgers te evacueren’, denkt hij.

Maar de praktijk is anders, vertellen ze twee weken later aan onderzoekers van de Afghaanse mensenrechtencommissie AIHRC. Lang niet iedereen hoort een waarschuwing. Zo hebben Nederlanders de stammenleider Malim Sadiq Khan gevraagd om de bevolking te waarschuwen. Maar hij was zo druk met vechten, dat daar weinig van terecht is gekomen. Uiteindelijk vlucht Sadiq Khan zelf rond 22.00 uur met zijn familie in een auto die door de gouverneur wordt gestuurd. ‘Men kan zich afvragen of dergelijke inspanningen niet op grotere schaal hadden kunnen worden herhaald’, schrijf het AIHRC. Veel burgers blijven achter in het gebied dat door sommige Nederlandse militairen later wordt omschreven als de ‘killzone’.

Opvallend is dat de juridisch adviseur op Kamp Holland voorafgaand aan de bombardementen Van Griensven waarschuwt voor het risico op burgerdoden. Dat kan het vertrouwen in de Nederlanders schaden, schrijft hij in zijn After Action Report. ‘Door mij is verteld dat het verdedigen van Chora de kans op collateral damage zou kunnen vergroten en dat een eventueel aantal burgerslachtoffers contrair zou kunnen zijn aan de missiedoelstelling.’

IV. De tegenaanval van Nederland

Het is al laat in de avond als commandant Querido op Kamp Holland zijn versterking heeft verzameld. Ondanks zijn advies om te vertrekken, gaat hij voorop naar de frontlinie nu het besluit is gevallen om de strijd aan te gaan. Twee Nederlandse pelotons en een aantal Afghaanse milities gaan met hem mee naar het strijdtoneel in Chora, zo’n 30 kilometer verderop.

Van een afstand zien zij de eerste granaten al vallen in de Chora-vallei. Op dat moment is een deel van de lokale bevolking nog niet geïnformeerd over de aanval. ‘Wil schieten met PZH’ – een pantserhouwitser –, bericht een militair om 21.13 uur in het operationeel logboek. Een minuut later klinkt het eerste salvo. Het kanon vuurt vier keer na elkaar, stopt dan even en begint om middernacht opnieuw, twee uur lang. Daarna nemen Nederlandse gevechtsvliegtuigen (F16’s) het over. In totaal wordt Chora 6,5 uur lang bestookt met bommen en granaten.

Al die tijd weten de Nederlanders niet precies waar de explosieven terechtkomen. Op het dak van het districtsgebouw, dat nog in handen is van de Nederlanders, zit wel een waarnemer die vliegtuigbommen naar hun doel moet leiden, maar de afstanden zijn zo groot dat hij niet exact kan zien wie er door de pantserhouwitser wordt geraakt. Wat de zaak compliceert: de Afghanen dragen geen uniform. Dat maakt het nog lastiger om te bepalen wie vriend is en wie vijand.

De inzet van de lucht- en vuursteun betekent een omslagpunt in de strijd. De Nederlanders winnen langzaam terrein. Maar dat is niet zonder gevolgen. Vooral de 500 ponds lasergeleide bommen van de luchtmacht richten forse schade aan. Ook de pantserhouwitser doet zijn werk. Het is een kanon dat over een afstand van 30 kilometer granaten van zo’n 40 kilogram afvuurt. Huizen worden weggevaagd, met de bewoners erin.

V. De Twijfel

Opmerkelijk is dat al tijdens de bombardementen grote twijfel over de aanval ontstaat in het Navo-hoofdkwartier in Kandahar. Dat blijkt uit logboeken die de Volkskrant heeft ingezien. ‘Welke autoriteit heeft u om de doelen aan te vallen? Het onbemande verkenningsvliegtuig heeft GEEN vijandelijke activiteit gezien (bij het onderkomen van de Nederlanders, red.)?’, vraagt het commandocentrum op zondagmorgen om 00.43 uur aan de Nederlanders. Defensie belt binnen vijf minuten met Kandahar, waarna om onduidelijke redenen wordt besloten het verkenningsvliegtuig voorlopig te ‘negeren’.

Een uur later, om 01.46 uur, slaat de twijfel voor de tweede maal toe bij het Navo-hoofdkwartier. ‘In de tussentijd hebben wij geprobeerd de vijand te lokaliseren op elk van de locaties waar u militairen in vuurcontact heeft gehad, maar we hebben niks kunnen identificeren.’ De vraag waar de vijand zich bevindt, is van groot belang, omdat de Nederlanders volgens het oorlogsrecht alleen mogen vuren als ze eerst zelf worden bedreigd.

De Nederlandse officier operaties antwoordt volgens het logboek dat ‘eigen militairen’ met ‘eigen ogen’ hebben waargenomen waar de vijand zit. Maar wat hij niet vertelt, is dat de Nederlanders zich baseren op verouderde informatie. De plek die wordt aangevallen is ‘het gebied waar de afgelopen twee dagen de meeste rapportages over vijandelijke strijders vandaan kwamen’, schrijft kolonel Van Griensven in zijn After Action Report. Battle-commandant Querido schrijft dat ‘vuursteun is gegeven op basis van de laatste informatie welke niet alleen van die dag was, maar een combinatie van recente informatie met ervaringsgegevens uit de eerdere 6 weken daarvoor.’

Het Navo-commando is allerminst gerustgesteld. Tien minuten later, om 01.56 uur, uit het voor de derde keer twijfels. De Nederlanders wordt dan expliciet gevraagd of ze zich realiseren dat ‘de normale regels gelden’ en dat ze dus moeten weten ‘waar de vijand zich bevindt’ voordat ze vuren. Ondanks alle twijfels gaan de Nederlanders door met bombarderen. Tegen zeven uur ’s ochtends noteert een militair in het logboek dat de Taliban al sinds middernacht ‘niet meer heeft opgetreden tegen ons’. Terwijl de Nederlanders aanvielen, lagen ze dus niet zelf onder vuur.

Twee maanden na de bombardementen bezoeken Nederlandse militairen het zwaar getroffen dorpje Qal-e-Ragh om de schade op te nemen en claims uit te betalen. Beeld Noël van Bemmel
Twee maanden na de bombardementen bezoeken Nederlandse militairen het zwaar getroffen dorpje Qal-e-Ragh om de schade op te nemen en claims uit te betalen.Beeld Noël van Bemmel

VI. De claim

Als de kruitdampen maandagochtend zijn opgetrokken en de Taliban de bergen in zijn gevlucht, blijkt de ravage enorm: zo'n 250 mensen zijn omgekomen, onder wie tientallen Talibanstrijders en één Nederlandse militair. Maar ook 50 tot 80 burgers, onder wie vier kinderen, zijn dood. Vooral het dorpje Qal-e-Ragh is zwaar getroffen. Twee maanden na de bombardementen ziet de Volkskrant verwoeste huizen met bomkraters zo diep als zwembaden, waarnaast Nederlandse soldaten beschaamd de schade opnemen en claims uitbetalen.

Toch is generaal Dick Berlijn na afloop tevreden. Volgens hem is de Taliban een zware slag toegebracht. ‘Ik ben trots op deze militairen’, verklaart hij drie dagen na de strijd. Op 31 juli stuurt zijn vervanger een bericht naar de minister dat er ‘50 burgerdoden’ zijn gevallen, maar dat ‘de bevolking was gewaarschuwd’. Volgens Defensie is ‘de operatie succesvol uitgevoerd’.

Navo-bondgenoten oordelen daar heel anders over. De Australiërs, die ook in Uruzgan zitten, sturen een persbericht waarin ze benadrukken dat zij niet hebben meegedaan aan het bombardement. De Amerikaanse viersterrengeneraal Dan McNeill stelt in een snoeihard rapport dat Nederland het oorlogsrecht heeft geschonden, omdat in de nacht van 16 op 17 juni ‘onvoldoende onderscheid is gemaakt tussen militaire en civiele objecten’. Maar het rapport van McNeill wordt van tafel geveegd door de hoogste twee Navo-bazen in Brussel, onder wie secretaris-generaal Jaap de Hoop Scheffer. Het is gissen waarom ze tot zo’n andere conclusie komen dan McNeill; beide rapporten zijn tot op de dag van vandaag staatsgeheim.

Achtereenvolgende Defensieministers houden op basis van het geheime Navo-rapport vol dat Nederland niks verkeerd heeft gedaan in Chora. Ze worden gesteund door de Afghaanse mensenrechtencommissie, die na ongeveer een halve dag onderzoek ter plaatse concludeert dat de Nederlanders niks te verwijten valt. Ook het Nederlandse Openbaar Ministerie oordeelt op 20 juni 2008 dat het gebruikte geweld binnen de grenzen van het oorlogsrecht viel. De inzet van de pantserhouwitser was ‘gerechtvaardigd’, schrijft de hoofdofficier van justitie die de zaak onderzoekt. Er waren ‘maatregelen getroffen’ om de bevolking uit de ‘gevarenzone’ te krijgen, waarna het gebied als ‘militair doel’ gold.

Daarmee is de zaak voor nabestaanden nog niet klaar. Jarenlang zochten ze in Afghanistan naar een oor voor hun verhaal. In 2016 spraken ze over hun verdriet in een documentaire van Sinan Can, die hen opzocht in Chora. ‘De Nederlanders zouden ons komen helpen, maar ze hebben ons gebombardeerd’, was de strekking van hun kritiek. In 2019 meldden vier nabestaanden zich bij advocaat Liesbeth Zegveld, ervaringsdeskundige met zaken rond Srebrenica, Rawagede (Indonesië) en de Molukse treinkaping.

Maandag staat ze namens de nabestaanden van de slag om Chora voor de rechtbank in Den Haag. Volgens haar heeft Defensie ‘zonder waarschuwing, op basis van gebrekkige inlichtingen buitenproportioneel geweld heeft gebruikt.’ Een kansrijke zaak, denkt ze, omdat het ditmaal gaat om een civiele zaak, waarvoor ze ‘geen oorlogsmisdrijf met opzet hoeft te bewijzen, maar alleen onrechtmatig handelen door de Nederlandse staat’. De voorheen staatsgeheime documenten die nu zijn ingezien door de Volkskrant dragen volgens haar bij aan het ‘boven water krijgen van de waarheid: we hebben nog veel vragen over wat er precies is gebeurd.’

Defensie erkent dat de slag om Chora ‘een verschrikkelijke periode was voor de burgerbevolking van Afghanistan’, maar benadrukt in een reactie dat het destijds zoveel mogelijk heeft geprobeerd om burgers vooraf te waarschuwen voor het bombardement. ‘Om de rechtsgang niet te verstoren kunnen we hier nu niet verder op in gaan’.

Kolonel Van Griensven blijft achter de actie staan, liet hij deze week nog weten. ‘Iedereen die informatie had over de totale situatie, weet dat we helaas geen andere keuze hadden dan dat doen’, schrijft hij. ‘Onder de zwaarste omstandigheden zijn moeilijke beslissingen genomen, collega’s hebben zich met gevaar voor eigen leven ingezet voor de Afghaanse bevolking’. Daarvoor heb ik nog steeds diep respect en ben ik nog steeds trots dat ik hun commandant mocht zijn.’

Meer over