Bukken naar petieterige dubbeltjes

DE ERFLATER Conrad Busken Huet, wiens geboortedag eergisteren door de geheugenloze Nederlanders voor de zoveelste keer werd verzuimd te gedenken, had een bijzonder talent voor polemiek....

Binnen een maand heeft de superieure satiricus zijn eerste overzeese tegenstanders. Na een achttal jaren redacteur van de Java Bode te zijn geweest, reist Huet terug naar Europa. Kort doet hij Nederland aan. Hij zal neerstrijken in Parijs waar hij tien jaar later de dood vindt, gezeten achter de schrijftafel. Van zijn laatste essay staat dan alleen nog een beginnetje op papier. Titel van het stuk: 'De romantiek in Nederland.'

Nooit was Huet opgehouden de vaderlandse literatuur te volgen. Het land zelf beschreef hij in het reisboek Van Napels naar Amsterdam, waaruit Olf Praamstra passages selecteerde voor de bloemlezing Tijgergenoegens (1986). Allereerst valt Huet de slakkegang op, waarmee hier alles gebeurt. Dordrecht en Haarlem zijn ware kerkhoven: 'Men vindt er straten en grachten, waar geen menschelijk wezen te zien is; waar het verschijnen van een hond of een kat den omvang eener gebeurtenis aanneemt.' Men is proper, renteniert, dobbelt en overal heerst de materiële geest. Niet die van de flanerende dandy met het gat in de hand, 'maar zijn wanhopige schaduw, die aan niets anders leert denken dan aan wat men eten of drinken, en waarmede men zich kleeden zal'. De architectuur en kunsten zijn van een terneerdrukkende mediocriteit. In Amsterdam beziet hij een Jacob van Campenstraat, die 'zich geluk mag wenschen dat Jacob van Campen niet meer onder de levenden behoort'. Hij schrikt van de wangeluiden die bij wijze van Nederlands uit de monden van blozende meisjes rollen.

Maar er zijn hier ook fabelachtige doorkijkjes en monumentale bruggen (hij roemt onder meer de Bommelse, jaren voordat Nijhoff daarheen zal gaan om 'de nieuwe brug' te zien en daar in Nieuwe Gedichten melding van te maken). Het zijn de Kennemerlandse dreven, het is het onvergelijkelijke licht, de grachten en - toch ook - de mensen, die hem doen uitroepen dat Nederland een van de schoonste landen ter wereld is.

Dat kan men met Huet weten en hem naroepen, maar voelen doet men het pas bij het binnenkomen van dit land. Om die ervaring op te doen zijn grenswachters noch huisjes of hefbomen noodzakelijk, zoals de laatste jaren is vast te stellen. Huets schets is typerend voor de Hollander en diens dubbelhartige houding tot het eigen land. Er is van allerlei om over te zeuren en zaniken, maar zonder onze luchten, lichtval en regen hadden wij geen Ruysdael, Jongkind en Breitner. De schrijvers die meestentijds buiten Nederland verblijven, kunnen het niet laten er over te blijven berichten en er bij tijd en wijle terug te keren. 'Dit is een wonderschone stad', liet Gerrit Komrij zich een maand geleden ontvallen bij het oversteken van de Herengracht in Amsterdam, 'maar de mensen zien het niet'.

Geen treffender beschrijving van land en volk dan die welke afkomstig is van terugreizenden. Thuisblijvers zien de pracht niet meer, toeristen van buiten blijven gemeenlijk teveel op afstand. Neem Quinze jours en Hollande (1893) van Paul Verlaine. Toegegeven, de Franse reus was verre van veerkrachtig bij zijn bezoek aan Nederland - het eerste wat hij deed toen zijn trein België achterliet, was indommelen -, maar zelfs de etablissementen die Verlaine met de hem resterende energie overviel hadden overal kunnen staan, zo onkarakteristiek zijn de notities die hij een eeuw geleden maakte.

Zij die hier zijn geboren en getogen, of die in elk geval van jongsaf aan van de Nederlandse taal zijn doordrenkt, uiten zich bij voorbaat minder oppervlakkig. Terug op eigen bodem staan ze immers niet alleen oog in oog met hun landgenoten maar ook met hun spiegelbeeld. 'Als dit Ierland was,/ zou ik beter kijken', aldus het distichon 'Bij Loosdrecht' van K. Schippers. Als hij echt naar Ierland gaat, zal Schippers bij het weerom komen bemerken dat het kán: Holland aanschouwen als een buitenlander.

Beter gezegd: als een vreemdeling, die verbazend goed Hollands spreekt. Zo omschrijft Louis Couperus het in 'Een Hagenaar terug in Den Haag', een feuilleton in Het Vaderland van maart 1915. Hij komt dan uit Florence, en moet bekennen dat Nederland voor hem synoniem staat met Den Haag. Nimmer zag hij iets van onze water-doorsneden landouwen. Tien jaar heeft Couperus zijn geboortestad verwaarloosd. Nu beweegt hij zich weer temidden van de trouwhartige en plompe koppen, en laat die goedzakken bukken naar de petieterige dubbeltjes die telkens tussen zijn reishandschoenvingers glippen. Couperus is de buitenlander, de dandy met het gat in de hand, zeer op zijn plaats als flaneur in Italië. Maar hij betoont zich óók een Nederlander, verbaast zich erover dat ieder op zichzelf woont in een eigen huisje met een heus eigen dakje. Fris en zindelijk ogen de straten. 'O, de heerlijk drenzige, vet geluidige draaiorgels' Als een borrel in de gure morgen verwarmen ze hem. Hij ziet een staljongen met een blond, breed bakkes, hoort vloermatten uitslaan, en zwijmelt op een beregend Voorhout.

Het patroon van dubbelhartigheid laat zich zelfs in de brieven van E. du Perron aanwijzen, al is het verbazingwekkend dat hij het (net als de hem verwante Multatuli, over wie hij een halve biografie schreef) in zijn duizenden epistels zelden over iets anders heeft dan zichzelf of zijn lectuur. Op 30 september 1939 klaagt Du Perron over de koude en 'al die baksteenen forten die hier steden heeten'. Exact een maand later is het gebeurd. Vanuit Bergen, waar hij met dichterprins A. Roland Holst café-restaurant de 'Oude Prins' frequenteert, meldt Du Perron dat het 'zoo heerlijk koud (is), en het bosch is zoo verrukkelijk met zijn herfst-rood en geel, dat je niet meer weet dat je ooit in de tropen geweest ben.'

Reisliteratuur is de vloek van het afgelopen decennium. We kennen haar onderhand afdoende. Al die uitsloverige reportages over exclusieve ontberingen en aanverwante ontmoetingen waarmee d'er lui ons de ogen uitsteken, het moest liever wat minderen. Mijn pleidooi geldt een nieuw genre: terugreisliteratuur. Nederland als exotisch terrein beschouwd door Nederlandstalige auteurs. Dat levert pas mooie documenten op.

Rudy Kousbroek ziet in 1946 als middelbare scholier Amsterdam voor het eerst, maar beschrijft zijn herinneringen veertig jaar nadien (Nederland: een bewoond gordijn, 1987) en doet dat als een ware Hollander; met een soort vertedering die de lange rij klachten verzoet. Holland, dat waren voor Kousbroek de omnipresente tapijtjes en gordijnen, alsmede de dikke donkere bakstenen huizen van de Amsterdamse School.

Achter die grimmige façade 'woonden de Hollanders met hun jassen en dassen en fietsklemmen, verborgen aan tafel zittend onder de lamp, borden afdrogend bij een granito-aanrecht, zuchtend op hun wc's met de deur op het haakje. Golven van eenzaamheid en verlatenheid - een figuurzagende jongen op zijn kamer, de luidspreker van de radiodistributie op een eiken kastje.'

Writers-in-residence moeten een extra opdracht meekrijgen bij hun aftocht: beschrijf ons land als je de grens volgend jaar weer passeert. Willem Frederik Hermans was zestien jaar geleden een dagje op Nederlandse bodem. Zo heet ook de column die hij er over schreef (opgenomen in Door gevaarlijke gekken omringd, 1988). We schrijven maandag 13 maart, 's ochtends om half negen. Op Schiphol staat uitgever Geert Lubberhuizen de venijnige polemist op te wachten. Hermans landt, kijkt op zijn horloge en denkt: 'Nu steken de Nederlandse professoren en lectoren, nog nahijgend van de inspanning om maar op tijd te zijn, met nerveuze hand hun arbeidskaarten in de prikklok. En ik lekker niet.'

Hij was weer thuis. Met zo'n onweerstaanbare zeik-opmerking ontmaskert Hermans zichzelf als iemand die kan emigreren en verhuizen wat hij wil, zonder ooit uit het land van Huet te geraken.

Arjan Peters

Meer over