Bruggenbouwer Bluyssen kreeg vaak nul op rekest

HOE VRIJMOEDIG kunnen de herinneringen van een bisschop zijn? Het geheugen is gecompliceerd en herinneringen zijn gekleurd, want ze zijn subjectief....

HENK MULLER

Bluyssen, die in 1966 de befaamde bisschop Bekkers opvolgde, trad in 1984 om gezondheidsredenen af. De oud-bisschop, die als vooruitstrevend bekend staat, was nauw betrokken bij de roerige ontwikkelingen in de kerkprovincie tijdens de jaren zestig, zeventig en tachtig, die werden gekenmerkt door omstreden benoemingen van bisschoppen als Gijsen, Simonis, Bär en Bomers en een groeiende polarisatie .

Bluyssen is bij het opstellen van zijn memoires geholpen door KRO-journalist Ad Langebent, die hem een lange serie interviews afnam en hem bijstond bij het op schrift stellen van de memoires. Anders dan in Op de drempel van de hoop, het laatste boek van Johannes Paulus II, koos Bluyssen niet voor een vraag-en-antwoordvorm, waarin de journalist de vraag stelt en de geïnterviewde het antwoord schriftelijk doet toekomen.

Gebroken wit is letterlijk een egodocument waarin de ik-figuur van het begin tot het einde aan het woord is. Bij lezing van de herinneringen schieten allerlei adjectieven door het hoofd, maar 'vrijmoedig' hoort daar niet bij. Nu laat Bluyssen al in het voorwoord weten dat het boek niet alleen een gewetensonderzoek is van zijn leven als priester en bisschop, maar vooral een 'vredelievend' boek wil zijn.

'De enige demon die het wil bestrijden, is de polarisatie binnen de Kerk. En dan nog: bestrijden met vredelievende bedoelingen', zegt hij. Zeker voor een geestelijke is dat een nobel en misschien onvermijdelijk motief, maar het leidt wel tot een zekere braafheid en voert soms regelrecht tot oubolligheid. Maar dat doet aan het belang van het boek weinig af. Het getuigt van moed dat Bluyssen - een aarzelende, soms wat verlegen man - dit boek heeft willen schrijven over zo'n omstreden en delicate periode.

Bluyssen beschrijft, aan de hand van zijn persoonlijke Werdegang van kind in een traditioneel rooms gezin tot bisschop in een door secularisatie en polarisatie geteisterd bisdom, nauwgezet en uitvoerig de recente rooms-katholieke kerkgeschiedenis.

Hij heeft, blijkt uit het boek, steeds als bruggenbouwer willen fungeren tussen het Vaticaan en zijn gelovigen in het bisdom en de kerkprovincie. Dat ging moeizaam. Halverwege de jaren zestig waren veel katholieken nauw bij de liturgie betrokken. Het was een periode van vernieuwing waarbij gelovigen de kluts kwijtraakten, zoals Bluyssen zelf zegt. Vóór die tijd was het bijvoorbeeld een doodzonde een hostie zelfs maar aan te raken, nu scheen het volgens liturgische richtlijnen van het Tweede Vaticaans Concilie te moeten.

Het was een tijd van experimenten en beatmissen, en Rome vond het gevaarlijke nieuwlichterij. Bluyssen moest naar het Vaticaan afreizen om verantwoording af te leggen. Het zou niet de laatste keer zijn. De bruggenbouwer kreeg in Rome vaak nul op het rekest en in Brabant vonden gelovigen dat de vernieuwingen te snel gingen of juist niet snel genoeg. Aan de wieg van deze vernieuwingen stond het Tweede Vaticaans Concilie, ook wel de Praagse Lente in de kerk genoemd. Bluyssen beziet dit concilie ook achteraf nog steeds positief. 'Naar mijn mening heeft Vaticanum II geen onrust opgeroepen, eerder hoop, bemoediging en vertrouwen. De onrust kwam van elders, was niet te bedwingen. Slechts een kerk die bereid is tot inkeer en vernieuwing, is bestand tegen zo'n onrust.'

Volgens hem was eindelijk het gedachtengoed van de Verlichting tot katholieken doorgedrongen. Daardoor raakte de kerk innerlijk verscheurd en raakte de gemeenschap haar houvast kwijt. Tallozen raakten uit de koers, schrijft hij, en hij beschouwt dit als 'een wilde reactie' op de 'te strakke reglementering' van de voorgaande decennia.

Bluyssen ziet minstens twee dieptepunten in zijn bisschoppelijke carrière. Zo schrijft hij dat er 'grote fouten' zijn gemaakt bij de presentatie van een rapport over het celibaat tijdens het Pastoraal Concilie in Noordwijkerhout (1966-1970). Daar werd het verplichte celibaat ter discussie gesteld. 'Het was zó gewaagd, zó brutaal van toon, zó radicaal en onverantwoord in zijn uitspraken, dat het wel verwarrend moest werken.'

Door de openheid van het concilie won de kerkprovincie aan geloofwaardigheid in eigen land, maar verloor die in Rome, stelt hij bitter vast. Vanaf die tijd trachtte het Vaticaan Nederland weer in het gareel te krijgen. 'De bisschopsbenoemingen in de periode vanaf 1970 leverden een overduidelijk bewijs dat wij niet meer serieus werden genomen. Het door ons gevoerde beleid werd volledig afgewezen', schrijft hij. Maar de polarisatie verdwijnt niet met de benoemingen, integendeel, en in 1980 zet het Vaticaan een nog niet vertoonde stap. De bisschoppen moeten naar Rome komen voor een bijzondere synode. Ze worden van de buitenwereld afgesloten om, in aanwezigheid van de paus, een oplossing te vinden om de polarisatie te doorbreken.

Bluyssen ziet dat als een tweede dieptepunt. Alles moest geheim blijven. Hij spreekt van een schizofrene situatie, waarin de verbindingen met de groep naaste medewerkers waren verbroken. 'Bovendien waren wij, Nederlandse bisschoppen, zelf onderling verdeeld, ongeneeslijk verdeeld. In aanwezigheid van paus en curietop kregen de bisschoppen steeds weer ruzie.' Tijdens de synode voelt de bisschop zich erg ziek. Hij heeft hartklachten.

Onder druk van Rome besluiten de bisschoppen tot een nog behoudender beleid. De rondreis door zijn bisdom, die Bluyssen maakt om verslag van de synode te doen, herinnert hij zich als 'een zware gang'. Zelfs zijn naaste medewerkers treden hem koel tegemoet. In Nederland heerst het gevoel dat er over de gemeenschap zonder de gemeenschap is gesproken.

De verworvenheden van het Vaticaans Concilie lijken geheel te zijn teruggedraaid. Sommige medebischoppen komen euforisch terug, maar Bluyssen voelt van euforie geen spoor. Hij ziet geen begin van verbetering. Na veel overleg lukt het hem eindelijk zijn functie als bisschop voortijdig om gezondheidsredenen neer te leggen. Er valt een loden last van hem af.

Hij heeft altijd priester willen worden, maar om het bisschopsambt heeft hij nooit gevraagd, schrijft hij. Typerend is het beeld van de hemel dat hij aan het slot van zijn memoires schetst. Hij ziet 'het Rijk Gods' als een 'voor altijd geborgen zijn in een probleemloze vrede bij God. Een soort droomtoestand dus.' Hij blijkt veel meer in spiritualiteit te zijn geïnteresseerd dan in het vaak machiavellistische machtsspel dat in de leiding van de kerk gebruikelijk is.

Toch blijkt uit Gebroken wit dat hij van zijn ongevraagde benoeming geen spijt heeft gehad. Maar even duidelijk wordt dat het niet nog een keer hoeft. De gedachte aan reïncarnatie schrikt hem af: 'Eén leven is voor mij genoeg.'

Henk Müller

Jan Bluyssen: Gebroken wit - Vrijmoedige herinneringen.

Anthos; ¿ 49,50.

ISBN 90 414 0025 7.

Meer over