Broeierige blikken in fantastisch stuk Jon Fosse

Soms is een voorstelling sterk en fragiel als een vlieger, zo ijl, zo posch dat je het liefst een gedicht zou schrijven als reactie....

Als wandelende verwijten spelen ze hun rol in elkaars leven, de vader, de moeder, de dochter en haar vriend. In een kil huis op de Scandinavische rotsen waar het altijd waait en regent. Hier is alles al gezegd. De figuren in De Naam, een stuk van de Noorse auteur Jon Fosse, zoeken de woorden die alsmaar schaarser worden.

De dochter des huizes komt na lange tijd weer thuis. Ze is hoogzwanger. De veronderstelde vader van haar kind komt ook. Later. Erg hartstochtelijk is hun verhouding niet. 'Jij geeft nergens om', zegt ze bij herhaling tegen hem. Hij haalt zijn schouders op, ontkent het niet. Hij weet ook niet wat hij met de situatie moet.

En hij niet alleen, ook de moeder en de vader weten zich geen raad. Daarom besluiten ze keer op keer 'even te gaan liggen'. In het ruime, kale decor is geen spoor van huiselijkheid. Alleen een rijtje familiefoto's toont wat er misschien ooit was of wat had kunnen zijn. Want de stugheid van de familieleden spreekt boekdelen. Hier hangt een akelig verleden. Waar je maar beter over kunt zwijgen.

De vriend van de dochter wordt aanvankelijk totaal genegeerd. De moeder zoekt later wat toenadering, de vader blijft de jongen ontwijken. En aan de manier waarop hij zijn dochter begroet weet je meteen dat hij het joch als rivaal ziet. Wat heeft deze vader ooit met zijn dochter uitgespookt?

Dit stuk is zo karig met taal dat het regisseur Jacob Derwig de kans geeft om veel te zeggen in zijn mise-en-sc. Broeierige blikken, gedraai, verlegenheid. Dat is mooi, het laat veel te raden, en deze jonge acteurs kunnen daar goed mee uit de voeten.

De dochter, de jongen die ongewild vader wordt, je blijft naar hem kijken terwijl hij bijna geen tekst heeft.

Vaak is die taalarmoe ook lachwekkend. Als de moeder (Anneke Blok) voor de zoveelste keer over haar pijnlijke been strijkt en weer zegt dat ze eigenlijk moet gaan liggen.

En als de vader (Bart Klever) opnieuw de krant pakt om achter al dat papier de situatie meester te worden. Maar die herhaling werkt op den duur ook tragisch.

Het zusje is de enige die soms letterlijk door al die moeizame stiltes heen schaatst met haar spontane gerebbel. En dat werkt als een verademing. Zij ontsnapt misschien aan de ellende van deze mensen, vastgeklonken in een onmogelijk leven. Voor de ouders is dat al bijna voorbij, maar je voorziet hoe de dochter bijna onontkoombaar in hun voetsporen zal treden.

Fosse is hier en in Duitsland momenteel ongekend populair, zijn stukken worden veel gespeeld. Tegenover al het loze lawaai dat de podia vult, zet hij stilte. Zijn personages kijken lang uit het raam, ze zwijgen. En denken. Over de onmacht. En wij denken met hen mee.

Meer over