Britse irritaties over Fransen

Groot-Brittannië en Frankrijk zijn bondgenoten en werken samen in de Europese Unie, maar de volken aan deze en gene zijde van het Kanaal zijn nooit echt vrienden geworden....

JOURNALISTEN LEZEN Jan en alleman de les, plaatsen hun slachtoffers in de onbarmhartige schijnwerpers van de openbaarheid, en blijven zelf comfortabel als sluipschutters in het donker zitten. Terwijl het uit oogpunt van eerlijkheid en vooral om hun informatie te kunnen wegen, veel beter zou zijn als ook verslaggevers zich bloot zouden moeten geven. Dat was de strekking van de inaugurale rede waarmee Wout Woltz, oud-hoofdredacteur van NRC Handelsblad, een paar jaar terug begon aan zijn hoogleraarschap perswetenschap in Rotterdam.

Woltz stelde - half raillerend - voor om bij elk stuk in de krant voortaan af te drukken of de auteur soms ruzie had gehad met zijn onderwerp, dan wel of een recente scheiding zijn slechte humeur verklaarde, of dat zijn politieke voorkeur een andere was dan die van degene die hij op de korrel had genomen.

Van Woltz' mooie voorstel werd nadien niets meer vernomen. Jammer. De gezonde uitwerking van het uitstallen van de eigen vooringenomenheden blijkt bijvoorbeeld wanneer de nationale achtergrond van journalisten in het geding is - een karakteristiek immers die niet kan worden verborgen. 'De eerste keer dat ik naar Frankrijk ging, vond ik er niet veel aan', luidt de openingszin van Jonathan Fenby's On the Brink - The Trouble with France. Een zin die klinkt als de bel waarmee een bokswedstrijd begint, en waarmee de auteur meteen aangeeft dat hijzelf óók inzet is van de strijd.

Fenby's On the Brink en France in the New Century van John Ardagh willen een antwoord geven op de vraag hoe Frankrijk er aan het eind van de eeuw voorstaat. Beide auteurs werkten lange tijd als correspondent voor een batterij gerenommeerde Britse kranten, wat - bij Fenby iets meer dan bij Ardagh - bijdroeg aan de half geamuseerde, half sceptische toon die in de Franse pers zo jammerlijk ontbreekt. En vooral: in beide boeken is de spanning voelbaar van het besef dat een buitenlandse correspondent niet alleen naar binnen kijkt bij de buren, maar ook naar zichzelf, in de spiegeling van de ruit.

Nederland en Frankrijk schuren van oudsher tegen elkaar, weten we. Maar om ouderwets mercantilistische redenen van omvang en bevolkingsgrootte kan er nooit werkelijk misverstand bestaan: Frankrijk is Nederland de baas. Dat ligt tussen Groot-Brittannië, Frankrijk, en Duitsland anders.

In Europa draait alles om deze Bermuda-driehoek, waarin verder iedereen verdwijnt. Met z'n drieën maken ze deel uit van het vliegtuigproject Airbus, waarover een betrokken ingenieur in het boek van Ardagh zegt: 'Wij Fransen doen er aan mee voor de grandeur, de Duitsers voor de macht, en de Britten voor de centen.' Meer in het algemeen tobben Duitsers over hun ziel, sluiten Britten zich op in hun eiland, en willen Fransen haantje-de-voorste zijn - wat óók betekent dat ze nauwlettend in de gaten houden hoe anderen over hen denken.

Ogenschijnlijk gaan de drie tegenwoordig als bondgenoten en EU-partners door het leven. De werkelijke kwestie is wie het meest een hekel heeft aan wie: de Fransen aan de Britten, de Britten aan de Fransen, allebei aan de Duitsers? 'L'Allemand c'est un con, mais c'est un bon con', laat Ardagh een jonge Parijzenaar zeggen - een Duitser is een lul, maar een goeie lul. 'Les Anglais, ils sont trop différents de nous.' En daar is de essentie misschien mee geraakt.

De Duitse dreiging is een onderwerp waarvoor je nog altijd veel Fransen wakker mag maken. Onlangs verscheen er weer een handvol boeken over dit thema. De Duitsers zijn tegenwoordig immers weer met tachtig miljoen en hebben hun hoofdstad naar de Poolse grens verplaatst. Niet dat de laarzen alweer stampen aan de poorten van de Elzas, juist niet - de Duitsers zien de Fransen niet meer staan en kijken naar het oosten.

Dat snijdt de Fransen door de ziel. Maar er is tegelijk ruimschoots bewijsmateriaal voorhanden om de stelling te onderbouwen dat de ware erfvijanden zich aan beide zijden van het Kanaal bevinden. Serieuze scribenten menen dat de euro uitsluitend moet worden gezien als een Franse manoeuvre om zich de 'anglo-saxons', dat wil zeggen Britten én Amerikanen, van het lijf te houden.

De euro zou het slotstuk zijn van duizend jaar vijandschap. Die begint bij Willem de Veroveraar (1066) en eindigt, via de Honderdjarige Oorlog en Napoleons Continentale Stelsel, bij De Gaulle's 'non' tegen de Britse toetreding tot de EEG. Dit voorjaar begon de inmiddels afgetreden gaullistische leider Philippe Séguin zijn campagne voor de Europese verkiezingen op een kale akker in Azincourt, de plaats waar het Franse leger in 1415 door de Engelsen werd verpletterd. Daar evenaarde het Franse geheugen bijna het Servische.

Zo bont maken Fenby en Ardagh het geen van beiden, en Fenby constateert zelfs met enige verbazing dat de Fransen niet eens zo heel vijandig tegenover de Britten staan. Goed, De Gaulle zei dat 'we alles van de Britten zullen terugnemen dat ze ons hebben afgepakt', waarmee hij in concreto de minuscule Kanaaleilanden Jersey en Guernsey, en het Canadese Quebec bedoelde. Maar De Gaulle beschikte over een even fabelachtig als selectief geheugen, en bovenal over een feilloos gevoel voor oneliners.

Door de bank genomen hebben de Fransen echter een stuk meer op met de Britten dan andersom, ondanks duizenden tweede huizen in de Dordogne. 'Geen enkel volk staat kritischer tegenover de Fransen dan de Britten', schrijft Fenby, waarna een grievenlijst volgt die inhoudelijk niet veel voorstelt, maar wel aangeeft hoezeer de Fransen geliefd zijn als haat-object. 'Bij twijfel de Fransen afkammen', (If in doubt, bash the French), kopte The Economist onlangs half gemeend.

De meeste Fransen geven Tony Blair het voordeel van de twijfel, terwijl het percentage Britten dat überhaupt van Lionel Jospin gehoord heeft, te verwaarlozen is. Britten gruwelen van de libertaire Franse seksuele mores, van de vriendinnen die de Franse presidenten er straffeloos op na houden, en zelfs van het gebrek aan verontwaardiging in Parijs over de affaire-Clinton/Lewinsky.

De Britse spionage-afdeling MI6 had geen moeite met het afluisteren van de Franse ambassade of het stelen van militaire geheimen van de Franse NAVO-bondgenoot - de Fransman wordt immer beschouwd als aalglad en onbetrouwbaar. The Times plaatste in de jaren tachtig een grote advertentie met de tekst: How Much Do You Dislike The French? En in de tijd dat Margaret Thatcher wekelijks naar Europa placht uit te halen, plaatste The Sun over de hele voorpagina de kop Up yours, Delors - wat in een nette vertaling 'm'n rug op' betekent.

HET BRITSE gevoel voor Frankrijk, door Fenby omschreven als 'neutronen-liefde', is: het land is prachtig, jammer dat er Fransen wonen. Intussen komt noch Fenby, noch Ardagh toe aan een bevredigende verklaring voor het hoge irritatiequotiënt van de Fransen. Zelf bewaren beide heren voldoende afstand, ofschoon Fenby zijn pagina's af en toe overgiet met iets te veel neerbuigende sauce anglaise - lang gewerkt bij het liberale weekblad The Economist tenslotte, dat nooit veel op heeft gehad met de etatistische Fransen.

Welk beeld rijst op van Frankrijk 'in de nieuwe eeuw'? Een adequaat antwoord op zo'n onmogelijke vraag lijkt onbestaanbaar, zeker als je er zoals Ardagh 750 pagina's voor uittrekt en geen vakbondsdemonstratie of literaire rel overslaat. Zo zouden de cartesiaans geschoolde Fransen het in ieder geval niet hebben aangepakt. Daar komt bij dat Frankrijk bijna vraagt om clichés, variërend van het blauwgebroekte mannetje met stokbrood onder de arm, tot de cynische president die uitsluitend oog heeft voor de tricolore.

Kennelijk is er nauwelijks te ontkomen aan het van stal halen van symbolische gebeurtenissen als het behalen van de wereldbeker voetbal, om aan te tonen dat Frankrijk bezig is zich te ontworstelen aan de spreekwoordelijke morosité - de neerslachtigheid die, zoals we bij Ardagh én Fenby kunnen lezen, nationaal wordt bestreden met een hoeveelheid antidepressiva die twee keer zo groot is als in Engeland en drie keer zo groot als in Duitsland.

Fenby kent geen genade. Zijn titel zegt het al, Frankrijk balanceert aan de rand van de afgrond. De klachten stapelen zich op: niet alleen het medicijnengebruik, ook het alcoholisme, de teloorgang van het Frans als wereldtaal, de verdere groei van de publieke sector, terwijl verstandige landen het mes zetten in hun ambtenarij, de aaneenrijging van corruptieschandalen, de ondoordringbaarheid van de politieke klasse van énarques, de onmogelijkheid om de boerenlobby aan te pakken, het gebrek aan werkelijk innovatieve bedrijven - waar je in deze samenleving ook maar prikt, overal doet het de Fransen pijn.

Zijn meest houtsnijdende kritiek: Frankrijk heeft op internationale fora het hoogste woord over de bestrijding van de werkloosheid, maar ondanks alle mooie plannen beloopt die nog altijd meer dan 11 procent, terwijl van de jongeren met een Algerijnse achtergrond 42 procent zonder werk zit. Fenby concludeert fors dat het Frankrijk heeft ontbroken aan een Thatcher om schoon schip te maken. 'Frankrijk heeft de sanering zolang uitgesteld dat het zichzelf niet meer kan confronteren met de realiteit van de volgende eeuw. Jaar in jaar uit komt er meer op het spel te staan. Frankrijk verkeert als natie in gevaar.'

Ardagh maakt in zijn titel wat vlakker gewag van een 'portret van een veranderende samenleving'. Maar ook hij ziet een 'identiteitscrisis'. De Franse staat kan zijn rol van arbiter tussen de maatschappelijke groeperingen - het Franse consensusmodel - niet langer spelen, en diezelfde groeperingen (kerk, leger, vakbond, universiteit) zien hun invloed jaar na jaar afkalven. Het Franse minitel moest ruim baan maken voor internet, en de haute cuisine moet zien te leven met 'McWorld'. 'Waar zijn de visionaire vernieuwers?', vraagt Ardagh zich af.

BEIDE HEREN leverden hun manuscript dit voorjaar in. Ardagh stelt op de valreep vast hoe de Fransen moesten ontdekken dat 35 procent van hun bedrijven in handen is van buitenlandse institutionele beleggers. En Fenby noteert nog net dat de Parijse beurs 39 procent hoger stond dan in 1998. Het bewijst hoe snel de veranderingen zich in Frankrijk voltrekken. Het land kent inmiddels de hoogste economische groei van West-Europa, en in het halve jaar dat voorbijging sinds de inkt van beide auteurs opdroogde, heeft zich een nieuw zelfbewustzijn van de Fransen meester gemaakt, zonder dat ze 'visionaire vernieuwers' à la Tony Blair denken nodig te hebben. In Frankrijk hebben weinigen het gevoel 'aan de afgrond' te staan.

Zeker, de Franse kiezers hebben zeven van de acht keer dat er sinds 1981 gestemd moest worden, de zittende regeerders weggestuurd, 'in een afwijzingspolitiek die het land heen en weer slingert tussen rechts en links', en die volgens Fenby het effectief regeren heeft geblokkeerd.

Maar wie door de branding van de dagelijkse politieke ruzies heenkijkt, ziet dat Frankrijk nu al tweeënhalf jaar bestuurd wordt door een stabiele en tamelijk daadkrachtige regering, die breed gesteund wordt bovendien, terwijl president Chirac ook populair is. In de praktijk werkt het systeem van de cohabitation als een betrekkelijk gezonde balans tussen links en rechts, en, zou je kunnen zeggen, als surrogaat voor de in de architectuur van de Vijfde Republiek ontbrekende parlementaire tegenmacht.

Ook de rechtspraak ontwikkelt zich voorspoedig. Weliswaar maakt men zich zorgen over de toegenomen macht van les juges, die immers wijst op afkeurenswaardige anglo-saxonisering. Afgezien van dat soort obligate gebedsmolens, speelt zich een even geleidelijke als ingrijpende verschuiving van staat naar wet af, die door de befaamde beschouwer Alain Minc in verband wordt gebracht met de overwinning van de vrije markt. De almacht van de Franse staat is beknot, de wet vult het vacuüm op.

Maar de belangrijkste verschuiving voltrekt zich zonder twijfel in de economie. De fusieperikelen van de banken en de oliemaatschappijen van deze zomer hebben de boodschap tot in de uithoeken van Frankrijk gebracht: de mondialisering is niet meer te stuiten. De staat tracht nog te redden wat er te redden valt, bijvoorbeeld door hard te lobbyen voor een 'Franse kampioen' - hetgeen bij de fusie TotalFina-Elf wél, en bij de bankenfusie niet lukte.

Maar de grote conglomeraten zijn deze terugtrekkende bewegingen allang ontgroeid. De Franse privé-sector wordt in toenemende mate gedomineerd door een handvol magnaten - Arnault van het luxe-imperium LMVH, Pinault van de warenhuizen en het boekenbedrijf FNAC, Messier van het water, de infrastructuur en de media, Bouygues van de grote betonbouw en de televisiezender TF1, en Lagardère van de wapens, de technologie en alweer de media. In deze kringen wordt het verdwijnen van het Frans niet bekreund, maar stelt men tevreden vast dat de arbeidsproductiviteit in Frankrijk 30 procent hoger ligt dan in Groot-Brittannië.

Ardagh citeert aan het slot van zijn boek een andere Angelsaksische Frankrijk-kenner bij uitstek, de historicus Theodore Zeldin. Die beschreef onlangs in het weekblad Time hoe moeilijk het is te beoordelen of dit land zich richting zelfmoord beweegt, dan wel succesvol bezig is te veranderen achter een rookgordijn van jeremiades. 'Ikzelf denk bijvoorbeeld dat deze patiënt niet veel meer mankeert dan hoofdpijn en vergeetachtigheid. (. . .) Iedereen roept altijd dat Frankrijk in een crisis verkeert. Maar ze vergeten dat dat altijd al zo was, dat de Franse identiteit altijd tegenstrijdig is geweest: tegelijk genereus en wreed, briljant en gemeen, ruzie-achtig, ongrijpbaar.'

Meer over