Interview

Bram van Ojik is na 50 jaar ­politiek geen spat minder optimistisch. ‘Kleine ­partijen kunnen veel ­invloed hebben’

null Beeld Linelle Deunk
Beeld Linelle Deunk

Bijna vijftig jaar was Bram van Ojik politiek actief als linksbuiten. Nu gaat de nestor van de GroenLinks-fractie met pensioen. En ja, de klap van de verkiezingsuitslag kwam hard aan, maar om nu te zeggen dat links klaar is? Integendeel.

Bram van Ojik is niet van zijn stuk te brengen. Zijn partij bijna gehalveerd bij de Tweede Kamerverkiezingen? ‘De vijf jaar daarvoor hebben we alleen maar ­gewonnen.’

Rechts de grote winnaar? ‘Maar kijk naar Bij1, Volt en de Partij voor de ­Dieren.’

Regeren onmogelijk met zo veel ­versplintering in de Kamer? ‘Kleine ­partijen kunnen tegenwoordig veel ­invloed hebben.’

De nestor van de GroenLinks-fractie heeft al de nodige ups en downs van links meegemaakt. Woensdag is zijn laatste dag als parlementariër, dan wordt de nieuwe Kamer geïnstalleerd. Zijn werkkamer is al ontruimd. De Sgt. Pepper’s-poster van The Beatles hangt er nog. Op een richel ligt nog een allegaartje gekregen boeken. ‘De poster gaat nog mee, de boeken blijven achter. Laatst heb ik mijn kleinzoon rondgeleid langs de plekken waar opa de laatste ­jaren zo bezig was, de plenaire zaal, de Handelingenkamer, alles. Achteraf hoorde ik dat hij het alleen over de bekers had die opa had gewonnen als politiek talent en Fair Politician van het jaar.’ Beide prijzen won hij in 2013. ‘Dat relativeert wel, ja’, zegt hij lachend.

‘Het beeld is genuanceerder dan dat rechts alleen maar heeft gewonnen. Ik bagatelliseer absoluut niet dat Baudet met acht zetels in de Kamer zit en Wilders met zeventien, maar D66 wint ook. Sylvana Simons komt in de Kamer, de Partij voor de Dieren groeit al jarenlang, Volt haalde drie zetels met een verhaal waarover we een jaar geleden ‘wat een loserstrategie, wie komt er nou met ­Europa?’ zouden hebben gezegd. Ik wil niet in de val trappen door met slogans te verkondigen dat het land zo rechts is geworden. Het midden is naar rechts opgeschoven, dat betekent dat aan de flanken meer ruimte is gekomen. Dat is onmiskenbaar.’

Volgens Van Ojik toont de verkiezingsuitslag dat kiezers ‘heen-en-weer worden geslingerd’ tussen twee polen. ‘De kiezer zoekt aan de ene kant zekerheid. Mensen zijn bang hun inkomen kwijt te raken, ze weten niet wanneer ze worden gevaccineerd, ze hebben flexbanen in plaats van vaste banen. Aan de andere kant willen mensen een land waarin meer gelijkheid is, waar goed wordt geïnvesteerd in gezondheidszorg, waar klimaatverandering serieus wordt aangepakt. Deze polen laten zich moeilijk met elkaar verenigen. Dat verklaart waarom zowel D66 en Volt als JA21 en ­Forum voor Democratie winnen.’

Bijna vijftig jaar is Van Ojik politiek actief als linksbuiten. In 1972 werd hij lid van de PPR, de Politieke Partij Radikalen, toen een linkse splinterpartij. Daar deed hij als voorzitter het licht uit toen de partij in 1989 opging in GroenLinks. Drie keer zat hij in de Tweede Kamer. Eerst als invaller in 1993 en 1994, na het vertrek van partijleider Ria Beckers. Daarna van 2012 tot 2015, toen hij als fractievoorzitter mocht puinruimen na de verkiezingsnederlaag, waarbij GroenLinks van tien naar vier zetels kelderde. Hij maakte plaats voor Jesse Klaver, om in 2017 terug te keren in de grootste GroenLinks-fractie ooit. ‘Nee’, bezweert Van Ojik nu lachend, ‘ik kom niet nog een keer terug. Ik ga echt met pensioen.’

De klap van de verkiezingsnederlaag kwam hard aan, erkent hij. ‘Ook persoonlijk, omdat er hier naast 14 Kamerleden ook 35 medewerkers werken, van wie een deel nu zijn of haar baan kwijtraakt.’

De uitslag was voor heel links een domper. Wat is er aan de hand?

‘Ik snap de verleiding om nu diepgravend te gaan analyseren, maar ik vind het te snel om grote conclusies te trekken. Het kan goed dat mensen bij lokale verkiezingen volgend jaar zeggen: we gaan samen optrekken als linkse krachten. Dat gebeurt ook al, met de PvdA en D66.’

U bent ervaringsdeskundige met het fuseren van partijen. Is dat de oplossing voor links?

‘Dat kun je niet zo makkelijk zeggen. Bij de vorming van GroenLinks waren het niet de vier partijen die vanuit Den Haag de boel in gang zetten. Het initiatief kwam van onderaf. Partijen zijn verenigingen van min of meer actieve mensen die zich lokaal inzetten. Zij werkten toen steeds vaker samen. Het overleg van de vak-, milieu- en vredesbeweging oefende ook druk uit. De druk op de partijen in Den Haag kwam dus van twee kanten. Dat werkte. Bij het CDA is het ook zo gegaan.

‘Met alle respect voor Job Cohen, maar om zomaar te zeggen: gooi alles bij elkaar, begin opnieuw en ach, doe de Partij voor de Dieren er ook bij, zoals hij deed in Nieuwsuur, dat werkt niet. Partijen zijn geen zandzakken, die kun je niet oppakken en ergens anders neerzetten; het zijn verenigingen van mensen.

‘GroenLinks en de PvdA hebben gezegd dat ze elkaar bij de formatie vasthouden om een zo progressief mogelijk kabinet te krijgen. D66 wil zo progressief mogelijk beleid. Dan denk je niet aan JA21 of de ChristenUnie. In 2010 hebben we ook paars-plus geprobeerd. Toen kreeg Rutte last van slappe knieën en kregen we een kabinet waar rechts de vingers bij kon aflikken.’

Zien we nu een ruk naar rechts?

‘Jullie columnist Sheila Sitalsing had het verkiezingsprogramma van Pim Fortuyn van negentien jaar geleden er nog eens bij gepakt. Dat leest nu als pamflet van de linkervleugel van de VVD, schreef ze.

‘Het is onmiskenbaar dat het, om het deftig te zeggen, politieke discours naar rechts is opgeschoven. ‘Dat schip moet aan de ketting en voor mijn part zink je het af’, zei CDA-Kamerlid Madeleine van Toorenburg in een debat over de Sea Watch, het schip dat asielzoekers van zee oppikte. Vroeger zou dat toch als behoorlijk rechts zijn beschouwd, zeker voor een christen-­democraat. Maar staat het land op zijn kop? Nou, nee. Staat het CDA op zijn kop? Ook niet echt. Wordt van de kansel gepredikt dat dit niet bij het christendom past? Ik heb het niet gehoord.

‘De normalisering van dat taalgebruik is verschrikkelijk. Mark Rutte is daar zelf ook verantwoordelijk voor, met zijn ‘pleur op’ en ‘als het je niet ­bevalt, dan is daar het gat van de deur’. Ik heb Ahmed Aboutaleb ook bekritiseerd over zijn ‘als je het hier niet ziet zitten, dan rot je maar op’, na de moordpartij bij Charlie Hebdo. Het hele politieke midden is niet meer hetzelfde als vijftien of twintig jaar geleden.’

Hoe verklaart u die verschuiving?

‘Het is kopieergedrag. De angst dat als wij geen ruige taal over vluchtelingen uitslaan, de PVV er met onze stemmen vandoor gaat. De grootste partij, die nu al elf jaar de minister-president levert, heeft daar een gigantische verantwoordelijkheid in.

‘Het eerste wat Rutte bij de kabinetsformatie zegt is ‘JA21 lijkt me ook wel wat’, zoiets. De onverschilligheid. Joost Eerdmans is geen Thierry Baudet, maar gezien zijn politieke voorgeschiedenis is hij ook niet iemand van wie ik als premier zou zeggen: dat moeten we serieus onderzoeken. Het gemak waarmee dat gebeurt, als een leuke openingszet, dat is link. Je moet uitkijken met de normalisering van dat hele rechtse speelveld.

‘Toen ik in 1993 in de Kamer kwam, werd Nederland geregeerd door Ruud Lubbers en Wim Kok. Die hadden ­samen 103 zetels en hoefden zich van de oppositie echt heel weinig aan te trekken, en dat deden ze ook niet.’

Met een brede grijns: ‘Niemand vond dat raar. Als Wim Kok mij hier op de roltrap tegemoetkwam, had hij echt geen flauw idee wie ik was. Maar Lubbers en Kok leidden twee solide middenpartijen, die deden geen rare dingen. Ze zeiden niet ‘pleur op’. Lubbers zei wel ‘Nederland is ziek’. Nou, dat was wat.’

null Beeld Linelle Deunk
Beeld Linelle Deunk

Van Ojiks hart ligt ver buiten Europa. De afgelopen jaren reisde hij met Jesse Klaver naar China en Ethiopië om zich met de partijleider te oriënteren op de veranderde verhoudingen in de wereld. Van huis uit is Van Ojik ontwikkelingseconoom. Aan de Vrije Universiteit schuurde hij tegen een groepje – destijds – radicaal-linkse economen aan, ­onder wie de latere VNO-NCW-voorzitter Hans de Boer en minister van Financiën Gerrit Zalm. Zij schoven met de tijdgeest op naar rechts, Van Ojik bleef links.

Op de middelbare school richtte hij al een wereldwinkel op in Veenendaal. In dat overwegend gereformeerde oord was de familie Van Ojik een uitzondering, als rood nest met, als enige in de straat, een abonnement op Het Vrije Volk, de Varagids (‘Heb ik nog steeds’) en de boeken van De Arbeiderspers. Hij was betrokken bij Amnesty International ‘toen dat nog een klein clubje vrijwilligers was’.

Net aangekomen als student in ­Amsterdam mocht hij voor het eerst stemmen bij de verkiezingen in november 1972. Dat werd Bas de Gaay Fortman van de PPR. ‘En wij zaten als PPR in het schaduwkabinet met Joop den Uyl als onbetwiste leider. Dat was geweldig.’ Hij heeft toen ook huizen gekraakt. ‘Dan werd je de volgende dag door de woningbouwvereniging gebeld, zo van: ‘U heeft de verkeerde woning gekraakt, wilt u ergens anders wonen?’ Dat waren nog eens tijden! Mensen kraakten meestal in groepjes. Daarom zeg ik: ik heb het wel gedaan, maar nooit voor mezelf.’ Hij barst in lachen uit: ‘Maar ik heb niet geïnhaleerd!’

Van Ojiks eerste baan na zijn vervangende dienstplicht was bij het wetenschappelijk bureau van de PPR. ‘Dat was mijn droombaan. Toen ging ik me onder andere met het basisinkomen bezighouden. Die discussie herhaalde zich eindeloos: ja, maar het is te duur. Met een basisinkomen willen mensen niet meer werken.’

Een beetje zoals nu?

Lachend: ‘Ik wil niet lullig doen, maar die discussie is inderdaad sindsdien niet veranderd. Dus het inspireert me nu ietsje minder om me daar weer in te storten.’

Hoe komt het dat het in de politiek nooit meer over ontwikkelingssamenwerking gaat, uw specialisme?

‘Dat beleid is grotendeels gekoppeld aan ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties, zoals gendergelijkheid en nadruk op onderwijs, dat maakt het inderdaad minder politiek. Maar de grote ontwikkeling is de marktwerking. Veel mensen die ik ken in de ontwikkelingswereld zijn de helft van de dag bezig met aanbestedingen schrijven en de andere helft met financiële verantwoording.

‘In de jaren tachtig en negentig werd het geld verdeeld door vier grote ontwikkelingsorganisaties. Dat ging nog langs de oude lijnen van de verzuiling. Als er veel katholieken waren, kregen de katholieken wat meer. Als er minder mensen naar de kerk gingen in Nederland, vroeg Novib-baas Max van den Berg om meer geld. Dan zei Hivos: maar er zijn humanisten bij gekomen, en kreeg Hivos ook nog wat extra geld. Echt hè, zo ging het in die tijd.’

Wat is er over van de internationale solidariteit die je toen had? Het valt op hoe weinig aandacht er is voor het feit dat het leger in Myanmar meer dan tweehonderd burgers heeft gedood bij protesten. Zoeken we solidariteit alleen nog dicht bij huis?

‘Het heeft andere vormen aangenomen. Er zijn nog wel dingen die aandacht krijgen, kijk bijvoorbeeld naar de toestand van de Oeigoeren of de ­discussies over handelsverdragen. Vroeger had je bij de Volkskrant Harry Lockefeer en die schreef hele pagina’s over de Unctad-conferentie (VN-conferentie over handel en ontwikkeling, red.). Gewoon drie keer een hele ­pagina. En de krant was nog groot, niet dat kleine dingetje dat jullie tegenwoordig maken. (Lacht) Dat was gortdroog, en superinteressant.

‘Maar nu gaat het bijvoorbeeld over Qatar en het WK voetbal, ook bij jullie. Die internationale solidariteit is er dus nog wel, maar heeft andere vormen aangenomen. Myanmar is wel een goed voorbeeld van iets dat makkelijk een vergeten conflict dreigt te worden. Belarus is een ander voorbeeld. Daar hebben we een tijdje bovenop gezeten, maar op een gegeven moment zakt het weg in de aandacht. Het wordt allemaal wat vluchtiger.’

GroenLinks is ook anders naar de wereld gaan kijken. Jullie bezuinigen niet meer structureel op defensie, behalve dan dat jullie nieuwe onderzeeboten niet nodig vinden.

‘In ons denken over defensie zijn we opgeschoven, omdat de wereld onveiliger wordt en wij bijvoorbeeld humanitaire interventies willen, ingrijpen bij dreigende genocide. Die vorm van internationaal optreden hebben we de laatste jaren vaak gesteund en dat optreden is niet gratis. Vijftien jaar geleden was het veel meer de vraag: moeten we voor of tegen zo’n missie zijn? Nu staat dat, gezien de ernst van de ­situatie in Irak, Syrië of Mali, veel minder ter discussie. Wij denken wel dat je nog veel kunt besparen door Europese ­samenwerking, dat is het verschil met bijvoorbeeld de VVD.’

Hoe kan het dat GroenLinks geen handelsverdrag met Canada (Ceta) wil sluiten?

‘Wij zien dat handelsverdragen een geopolitiek instrument zijn, een manier om internationale relaties te onderhouden en te versterken. En we zijn heel erg voor een ordening gebaseerd op regels. Anders heb je de jungle, met het recht van de sterkste. Maar die ­regels zijn niet meer hetzelfde als de ­regels waartegen we twintig jaar geleden ja zouden hebben gezegd. Op zich hebben we de wind in de zeilen, want die handelsakkoorden worden steeds groener en duurzamer. Maar juist met Canada moet je het groenste verdrag mogelijk sluiten, en dat is Ceta niet. De Canadezen willen ook opnieuw onderhandelen.’

Deelt u als buitenlandspecialist de kritiek dat het in de verkiezingscampagne te weinig over Europa ging?

‘Die neiging had ik iets minder. Het moet over de grote vraagstukken gaan, waar Europa een effectieve bijdrage kan leveren aan de oplossing. Klimaatverandering, de opkomst van autocratische regimes als die in China en Rusland, de trans-Atlantische relatie die na vier jaar Trump een oplawaai heeft gekregen. Dat soort thema’s kreeg ten onrechte weinig aandacht in de campagne.’

Van Ojik is niet de enige politicus in Den Haag die over strijdlust beschikt. Veel zeldzamer is zijn vermogen tot zelfrelativering. Dus als de interviewers hem willen uitdagen een rode draad in ons gesprek en zijn denken te vinden, onderbreekt hij ze weer lachend: ‘Nou, dat zal nog niet meevallen!’

Misschien dat u altijd een ras­optimist blijft?

‘Ja, dat klopt.’

Ook ten aanzien van het parlement en onze democratie?

‘Ik zie die verrechtsing van het midden wel, en die versplintering, en dat het daardoor moeilijker wordt veel tijd in wetgeving te steken. Maar ik zie ook dat wij vanuit de oppositie in de afgelopen vier jaar veel voor elkaar hebben gekregen, met de Klimaatwet, het tegenhouden van de afschaffing van de dividendbelasting, het invoeren van de winst­belasting, het woonakkoord.

‘Dus ik ben niet naïef, maar ik zie ook de positieve kanten. Daarom erger ik me ook als er denigrerend wordt gedaan over de oppositie, ‘weglopen’, ‘aan de zijlijn’. Oppositie voeren is een zeer eerzame vorm van politiek bedrijven. Dat geklets dat als je niet in de ­regering zit, je niet serieus bezig bent, vind ik super ergerlijk. En niet in lijn met de feiten. Je kunt nu vanuit de ­oppositie meer dan ooit dingen voor ­elkaar krijgen, zelfs met weinig zetels.’

Meer over